Home Mens en natuur Historisch profiel: Thoreau
Mens en natuur

Historisch profiel: Thoreau

Henry D. Thoreau verklaarde zich onafhankelijk van de Amerikaanse samenleving en trok zich terug in zijn hut. De natuur werd er zijn leermeesteres.

Door Maarten Meester op 27 mei 2015

Henry David Thoreau Walden filosoof natuur Moker Ontwerp beeld Moker Ontwerp
Cover van 06-2015
06-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Er zijn vandaag de dag filosofieprofessoren, maar geen filosofen’, schreef Henry D. Thoreau rond zijn dertigste levensjaar. ‘Filosoof zijn is niet louter subtiele gedachten hebben, zelfs niet een school stichten, maar de wijsheid liefhebben en leven naar haar dictaten, een leven van eenvoud, onafhankelijkheid, grootmoedigheid en vertrouwen.’

Waarvan akte. Op 4 juli 1845, de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag, verklaarde Thoreau zichzelf onafhankelijk van de in zijn ogen te materialistische en oppervlakkige Amerikaanse samenleving. Hij trok zich ruim twee jaar terug in de bossen, op de oevers van het meer Walden. Daar deed hij een experiment met zichzelf als proefpersoon: wat zijn de noodzakelijke levensbehoeften? Hoe kun je daarin met zo weinig mogelijk arbeid voorzien, zodat je tijd overhoudt voor dat waar het echt om draait, namelijk het goede leven? De natuur zou daarbij zijn leermeesteres zijn.

Kant

Verrassend genoeg zette Thoreau die stap mede in de voetsporen van Immanuel Kant (1724-1804), de uiterst subtiele Duitse filosoof-professor die school had gemaakt terwijl hij zijn woonplaats Koningsbergen nauwelijks had verlaten. De filosoof die de natuur vooral kende uit boeken. De filosoof ook die de natuur technocratisch had omschreven als ‘het bestaan van de dingen, voor zover dat volgens algemene wetten is bepaald’. Toch was Thoreau door Kant beïnvloed, zozeer zelfs dat hij ‘de Amerikaanse erfgenaam van Kants kritische filosofie’ is genoemd. Daarvoor had hij wel een ideeënhistorische odyssee moeten maken, waarin het uiterst abstracte natuurbegrip zeer concreet was geworden.

Kants filosofie was transcendentaal, wat betekent dat ze de mogelijkheidsvoorwaarden van kennis onderzocht. Zoals Copernicus niet de aarde maar de zon in het middelpunt van het universum had geplaatst, zo had Kant niet het object maar het subject centraal gesteld. Hij had een kritiek van onze kenvermogens ondernomen en geconcludeerd dat wij de objecten slechts kennen zoals ze zich aan onze cognitieve vermogens voordoen. Wij nemen objecten bijvoorbeeld altijd waar in de aanschouwingsvormen ruimte en tijd. Probeer je maar voor te stellen dat je dit artikel leest zonder dat zich dat in ruimte en tijd afspeelt. Zo ordenen we onze waarnemingen ook in categorieën als oorzaak en gevolg: doordat je dit artikel leest, weet je straks wat erin staat. Hoe iets op zichzelf, dus onafhankelijk van onze kenvermogens, is – Kants beruchte Ding an sich – kunnen we niet weten.

Net als denim, maffia en pizza maakte ook het kantianisme in de Amerikaanse melting pot een metamorfose door. Het bereikte de Nieuwe Wereld via de Kant-receptie van de romantici, in het bijzonder de Engelse Lake Poets Samuel Taylor Coleridge en William Wordsworth, en in hun kielzog Thomas Carlyle. Terwijl Kant vooral een bijsluiter bij de rede had willen schrijven – ‘Let op: wij kennen de wereld slechts voor zover die zich aan onze kenvermogens voordoet’ – verheerlijkten de romantici steeds meer haar scheppende, creatieve kant. Ook maakten zij van Kants vooral op Newtons mechanica gebaseerde natuurbegrip een bron van morele verheffing. In hun natural supernaturalism nam de natuur de plaats van God in. Het mag duidelijk zijn dat die twee ontwikkelingen op gespannen voet met elkaar stonden: hoe kan de natuur ons moreel verheffen als ze deels het product is van onze eigen rede? Dat lijkt op paaseieren verstoppen om die vervolgens zelf weer te vinden.

Transcendentalisten

Toch hadden beide ontwikkelingen, met de bijbehorende paradox, een grote invloed op het Amerikaanse transcendentalisme, dat in de jaren dertig van de negentiende eeuw ontstond. ‘Omdat de veronderstelling dat onze intuïties afhankelijk zijn van de natuur van de wereld buiten niet voldoet, nemen we aan dat de wereld buiten afhankelijk is van de natuur van onze intuïties.’ Zo herformuleerde de Amerikaan Frederic Henry Hedge de copernicaanse wending. En de grote man van de beweging, Ralph Waldo Emerson, schreef dat de natuur de geest gehoorzaamt. Daarbij raadde hij zijn tijdgenoten aan ieder hun eigen wereld te bouwen.

Ze moesten dat volgens Emerson ook doen, omdat zij ‘goden in ruins’ waren. Waar Kant vroeg genoeg was gestorven om te kunnen blijven geloven dat hij in een tijd van Verlichting leefde, hadden de transcendentalisten het echec van de Franse Revolutie tot het eind toe kunnen volgen. Ook hadden ze hun eigen teleurstellingen te verwerken. Vanuit hun protestantse achtergrond hadden ze Amerika gezien als een tweede kans, een mogelijkheid om op veilige afstand van Europa het Nieuwe Jeruzalem te bouwen. Maar ze merkten dat de Nieuwe Wereld net zo gecorrumpeerd dreigde te raken als de Oude. Hoe kon het dat materialisme weer bon ton was? Hoe kon er slavernij zijn in het Beloofde Land? Waarom werd er oorlog gevoerd met Mexico?

Toen het leger de Cherokees zogenaamd legaal deporteerde, noemde Emerson dat in een brief aan president Martin Van Buren ‘een misdaad die ons net zo goed als de Cherokees van een vaderland berooft; want hoe kunnen we een samenzwering die deze arme indianen vernietigt nog onze regering noemen, of het land dat vervloekt werd door hun vertrek en sterven, nog ons vaderland?’

Wat de transcendentalisten restte, was een nieuw vaderland te zoeken – in een door de rede geschapen wereld of in de natuur. En zoals we al zagen, was het verschil tussen die twee voor de Amerikaanse Kant-adepten niet zo duidelijk.

Wildernis

Zo verging het ook Thoreau. Hij ging in ballingschap in een deels zelfgeconstrueerde wildernis. Op de eerste plaats gaf hij die wildernis letterlijk vorm; hij betrok aan de oever van Walden geen hol of grot, maar bouwde zijn eigen hut, van ongeveer 3 bij 4,5 meter. Die richtte hij spaarzaam in met bed, tafel, spiegel en wat kook- en eetgerei. Hij had drie stoelen, ‘een voor eenzaamheid, twee voor vriendschap, drie voor gezelschap’. Totale kosten, arbeidsloon niet meegerekend: ruim 28 dollar. Ook hield Thoreau zich niet in leven met wilde bessen en paddenstoelen. Nee, hij leefde grotendeels van de opbrengst van een door hemzelf aangelegde moestuin. Hij at vooral rogge, aardappelen, indiaans meel zonder gist, rijst, zout, wat gezouten varkensvlees en stroop. De filosoof dronk water, geen thee of koffie. Het eten kostte hem 27 cent per week. Zo leerde hij dat zes weken werken per jaar genoeg was om al zijn kosten te dekken.

Ook figuurlijk was de wildernis deels een creatie van Thoreau. Als zoon van een zakenman, afgestudeerd aan Harvard in onder meer de klassieke talen, was hij niet direct het prototype van een woudloper. Dat zie je ook terug aan het begin van het boek Walden, zijn verslag van het verblijf aan de oever van de plas. Thoreau hanteert daar nog de pastorale, de klassieke literaire vorm die het eenvoudige landleven verheerlijkt. Met dit verschil, schreef de technologiecriticus Leo Marx (1919), dat de pastorale altijd een puur poëtisch thema was gebleven, terwijl Thoreau die in praktijk bracht. Hij schreef én leefde de pastorale. Zo ontwikkelde hij langzaam maar zeker zijn eigen taal en methoden om zich de wildernis eigen te maken, of om zijn eigen wildernis te maken.

Illustratief is het hoofdstuk ‘The Bean-Field’, op de helft van het boek. De filosoof beschrijft hoe hij urenlang zijn bonenveld schoffelt. ‘Wat de betekenis was van deze zo gestadige, en zichzelf respecterende, deze kleine herculische arbeid, wist ik niet. Ik begon van mijn bedden te houden, mijn bonen, maar veel meer dan ik wilde. Ze verbonden me met de aarde, en zo kreeg ik de kracht van Antheus’ [een mythische reus die kracht kreeg door de aarde aan te raken].

Al schoffelend komt Thoreau op een van zijn vroegste jeugdherinneringen: hoe hij als vierjarige van Boston, waar hij toen woonde, naar Walden Pond kwam. Vervolgens realiseert hij zich hoe hij nu met zijn bonen het landschap van zijn jeugd mede verandert. Daarna maakt hij uit het onkruid dat bovenkomt op dat er een nu uitgestorven volk eerder op dit land moet hebben geleefd en geteeld. Hij schoffelt noest door, zal ‘ervoor zorgen dat de gele bodem zijn zomergedachten in bonenblad en -bloesem uitdrukt, eerder dan in alsem, heester en gierstgras […] dat de aarde boon zegt in plaats van gras’.

Even later noemt hij zijn veld ‘de verbindende schakel tussen wilde en gecultiveerde velden’.

Het is gemakkelijk om hier schamper over te doen. Hoe kunstmatig kun je over de natuur schrijven? Misschien is Thoreau soms ook te snel tot de ultieme natuurmens uitgeroepen. Denk aan Emerson, die schreef dat hij het land kende ‘zoals een vos of een vogel’ en dat ‘de slangen zich rond zijn been kronkelden, de vissen in zijn hand zwommen’.

Het andere uiterste is om Thoreau belachelijk te maken. Zo vergeleek de Amerikaanse dichter en essayist James Russell Lowell (1819-1891) Thoreaus hut met de hermitage van La Chevrette, het huisje dat de filosoof Jean-Jacques Rousseau bewoonde op het landgoed van zijn minnares Louise d’Épinay. Daarbij vergat Lowell voor het gemak dat Thoreau ook de winters doorbracht in zijn noordelijk gelegen hut, niet ver van de Canadese grens. Maar Lowell vond Thoreaus trek naar de wildernis überhaupt één grote pose: ‘Hij sprak altijd over afstand nemen van de wereld, maar hij moest steeds dichtbij genoeg zijn, ja, bij de Concord-hoek [de stad in Massachusetts waar Thoreau had gewoond], om te weten wat voor een indruk hij daar maakte.’

Paradox

Hoe terecht is de kritiek op Thoreau? Om die vraag te beantwoorden moeten we teruggaan naar de paradoxale imperatief die de transcendentalisten overnamen van de romantici: het gebod om je te laten leiden door een deels zelfgeschapen natuur. Bij Kant – de inspirator van de romantici – was die paradox hoogstens latent aanwezig. In zijn Kritiek van de zuivere rede ging het hem om de rede a priori, voorafgaand aan de ervaring. Voor Kant was die universeel – voor ieder geestelijk gezond mens gelijk, in alle tijden en culturen. De gedachte dat ieder mens zijn eigen natuur zou kunnen scheppen, speelde voor hem dus totaal niet.

Van Thoreau kun je daarentegen zeggen dat hij met Walden een kritiek van de onzuivere rede heeft geschreven: een kritiek gebaseerd op zo concreet mogelijke, individuele ervaringen. Hoe werkt mijn kenvermogen als ik me tussen mijn oppervlakkige medeburgers bevind? Hoe werkt het als ik me terugtrek in de wildernis? De paradox – hoe kun je je laten leiden door een deels zelfgeschapen natuur? – loste hij op door zelf de vleesgeworden paradox te worden, door in zijn zelfgeschapen natuur te gaan leven. Daar merkte hij dat hij de door hemzelf verstopte paaseieren soms niet meer kon vinden, of dat hij ze soms op andere plaatsen terugvond dan waar hij ze verstopt had, of dat hij ze wel terugvond, maar niet meer als paaseieren.

Het belangrijkste wat hij leerde was dus dat de situatie waarin je leeft, je kenvermogens stuurt. Daarmee heeft hij de statische kantiaanse relatie tussen subject en object dynamisch en actueel gemaakt. Kant kende nog geen treinen, geen telegraaf, en met het kapitalisme had hij weinig ervaring. Thoreau daarentegen zag ze alle drie opkomen, en merkte hoe ze onze ervaring beïnvloeden: ‘Wij rijden niet in treinen, treinen rijden in ons.’ Zijn conclusie: ‘Ik constateer dat wij inwoners van New England dit middelmatige leven leiden dat wij leiden omdat onze visie niet onder de oppervlakte van de dingen doordringt. We denken dat dat is wat lijkt te zijn.’ We hadden volgens hem een ‘Realometer’ nodig, die ons zou leren door de laag ‘van bedrog en schijn die zich in de loop der tijden heeft afgezet op onze wereld’ heen te kijken.

Walden was Thoreaus Realometer. Dicht genoeg bij de maatschappij om die kritisch te kunnen volgen en zo nodig te kunnen interveniëren. En toch op voldoende afstand om niet zelf mee omlaag te worden getrokken, want ‘de geest kan voortdurend ontheiligd worden door de gewoonte om aandacht te besteden aan triviale zaken, zodat alle gedachten gekleurd worden door trivialiteit’.

Zo gaf Thoreau zijn kenvermogens de ruimte om de wildernis te ontdekken die ieder mens in zichzelf bezit en ‘als opwekkend middel’ nodig heeft. ‘Is ons eigen innerlijk niet blank op de kaart? […] Wel, wees een Columbus voor heel nieuwe continenten en werelden binnen in je, terwijl je nieuwe kanalen opent, niet voor de handel maar voor het denken.’

Die nieuwe kanalen leerden Thoreau dat wij ons leven moeten vereenvoudigen. En ‘[…] naarmate je je leven versimpelt, lijken de wetten van het universum minder complex’. Uiteindelijk bleken die wetten neer te komen op wat we nu ‘liefdevolle aandacht’ zouden noemen. Alles wat je met aandacht doet is goed, omdat je van iets waar je aandacht aan besteedt altijd de waarde inziet. Anders dan bij Emerson (en bij Bas Haring in de actuele Nederlandse situatie) leidde dat tot het besef dat natuur intrinsieke waarde heeft, juist daar waar we haar waarde niet direct inzien. ‘Als we ons bemoeien met de natuur weten we niet altijd wat we doen en soms heeft dat als resultaat dat we kwaad doen.’

Dat kan zweverig klinken. Behalve vader van de ecologische beweging kan Thoreau ook met recht de vader van de boomknuffelaars genoemd worden. Tegelijkertijd kan zijn Walden nog altijd als Realometer dienen. Of beter gezegd: in een tijd waarin Overshoot Day – de dag waarop we de natuurlijke grondstoffen die de aarde in een jaar produceert hebben verbruikt – elk jaar gemiddeld drie dagen eerder valt (in 2014 op 19 augustus), hebben we zo’n Realometer meer dan ooit nodig.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.