Home Vrijheid Waarheid is mooi, consensus nog mooier
Vrijheid

Waarheid is mooi, consensus nog mooier

Door M.F. Burnyeat; Angela Hobbs; Charles H. Kahn op 30 april 1999

07-1998 Filosofie magazine Lees het magazine

Kennis is vluchtig. De feiten van vandaag kunnen morgen achterhaald zijn. Relativisme is een permanente state of the art, constateerden de sofisten 2500 jaar geleden al. Geen probleem, vonden zij: een democratie heeft geen Absolute Waarheid nodig, het gaat om de kunst van het overtuigend redeneren.

Kennis is goud waard in een kennisintensieve samenlevingen, dus doen wij er goed aan om informatieleverancier te worden. Onze kansen op de wereldmarkt zijn niet ongunstig. De ontwikkeling van mainport tot brainport is onstuitbaar: de Betuwelijn leggen we misschien niet eens meer aan en we hebben nu een VVD-minister op Onderwijs en Wetenschappen.
Kennis is een veelbelovend, maar tegelijk buitengewoon wonderlijk product. Als je even met de productie- en marketingafdelingen om de tafel gaat zitten voor een strategisch overleg, dan wordt binnen de kortste keren duidelijk dat kennis een vluchtig goedje is. Het krijgt betekenis in het sociale verkeer door uitgebreide onderhandeling, deliberatie en argumentatie. Maar de verworven overtuigings-kracht is altijd maar tijdelijk, morgen is weer nieuwe nodig. Wetenschappelijke feiten? Tijdelijke constructies. Praktische kennis, zoals regels en wetten voor het maatschappelijk verkeer? Pure conventies, altijd voor verbetering vatbaar. Mensen maken uit wat waar en onwaar is en ook hoe lang dat mag duren. Voor de brainport is die veranderlijkheid alleen maar gunstig. Je moet blijven produceren, opslaan en doorvoeren, want de klant heeft steeds iets nieuws nodig, of het nu om wetenschap of moraal gaat. Pragmatisch utilisme is de norm.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De keerzijde van deze sterkteanalyse is natuurlijk dat al die veranderlijkheid wel erg onrustig is. Wetenschap blijft steeds maar veelbelovend en de publieke moraal heeft geen rotsvast fundament. Die onrust maakt dat mensen bij vlagen terugverlangen naar ‘voor de oorlog’. Toen werden tradities niet iedere week vervangen door nieuwe, de producten waren duurzaam, de mensen waren aardig en prettig. Maar de tijd van voor de oorlog komt nooit meer terug. De onrust van ons pragmatisch utilisme is onvermijdelijk. Economische groei en morele ont-wikkeling impliceren nu eenmaal voortdurende verandering.

Dogma-torpederend

Het is maar goed dat de geschiedenis zich pleegt te herhalen. Het heden wordt minder vreemd als het lijkt op het verleden. De sofist Protagoras (ca. 490 – 420 v.Chr.) vatte 2500 jaar geleden onze conditie al samen met de uitspraak ‘de mens is de maat van alle dingen’. Die gedachte bemoedigde tijdgenoot Antiphon in zijn streven naar verbetering van het taalgebruik in de openbare sfeer en naar uitbreiding van praktische kennis, nuttig voor politiek, economie en dagelijks leven.
Na de Perzische Oorlogen waren de Grieken – net als wij na de Eerste en Tweede Wereldoorlog – gedwongen hun ideeën over staatsinrichting, religie en moraal grondig te herzien. Oorlog is ‘de vader van alle dingen’, zei Heraclitus (535-480 v Chr.). Oorlog is een dogma-torpederende onderneming die in de millennia daarna nooit van de culturele agenda is verdwenen.
In de Perzische oorlogen van 499 tot 480 voor de jaartelling overwon Athene, aan het hoofd van een geallieerde westerse krijgsmacht, de vijand in het oosten. Die oorlogen waren even afschuwelijk als de onze, maar zolang het geen Pyrrusoverwinningen waren, bleken ze goed voor handel en industrie en in het verlengde daarvan voor het zelfvertrouwen en de culturele ontwikkeling. Athene had in die tijd, inclusief slaven, een bevolkingsaantal ter grootte van de stad Utrecht. Toch slaagden die paar Atheners erin om een vorm van democratie te grondvesten, een rechtssysteem en standaarden in de bouwkunde, literatuur, filosofie en wetenschap te ontwikkelen die nog steeds invloed hebben.
 

Je hoeft maar in aanraking te komen met één ‘absolute’ tegenkandidaat voor Het Absolute en beide zijn voorgoed relatief

Gevolg van de Perzische oorlogen was wel dat het sacro-sancte karakter van de Atheense poliswetgeving begon te wankelen. De contacten met andere beschavingen bracht de betrekkelijkheid van de tot dan toe heersende religieus-morele en politieke waarden aan het licht. De ‘absolute’ macht van het pantheon met haar aristocratische vertegenwoordigers op aarde werd definitief gebroken. Je hoeft tenslotte maar in aanraking te komen met één ‘absolute’ tegenkandidaat voor Het Absolute en beide zijn voorgoed relatief. Athene werd een broeinest van democratische bewegingen. Iedereen kon een politieke loopbaan starten of zich kandidaat stellen voor een leidende positie in de regeringsorganen. Er ontstond daarmee een markt voor professionals die trainingen gaven aan aanstormend talent in politiek en rechtspraak. De nieuwe functies creëerden vraag naar speciale bekwaamheden: een encyclopedische kennis van wat er op dat moment aan zakelijke kennis beschikbaar was en een retorische bagage die maakte dat de ambities op maatschappelijk terrein verwezenlijkt konden worden. Aan de natuurfilosofie werd taalkunde, geschiedenis, psychologie en moraalwetenschap toegevoegd. Wetenschap, voordien voor kleine kringen, werd Hoger Onderwijs voor Velen.
 

Goedbetaalde trainers

De sofisten, de goedbetaalde trainers en hoogleraren van de oudheid, zagen relativering als opdracht zonder in een verlammend relativisme te vervallen. Zij constateerden dat ‘relativisme’ als permanente state of the art in alle tijden en alle lagen van de samenleving was. Daar speelden zij vervolgens goed op in. In hun wetenschap ging het minder om De Waarheid dan om overtuigend redeneren. Aletheia (waarheid) is mooi, maar een democratische samenleving stoelt op doxa (de meest waarschijnlijke mening). Iedere nomos (wet) is een conventie en daarom steeds voor verbetering vatbaar. De sofisten radicaliseerden dat: wanneer conventies hun tijd overleven, dan fossiliseren ze. Wat ooit een zegen was kan later een stoorzender voor de natuurlijke ontwikkeling van een gemeen-schap blijken.
De sofisten waren onconventioneel en kritisch, maar zij werden er niet cynisch van. Zij sloten aan bij de ingebakken wens van ieder individu om bij een club te horen, die iedere staat onmiskenbaar is. Iedereen afzonderlijk heeft een besef van recht en onrecht. Die subjectieve gevoelens leveren weliswaar geen eenduidige objectieve voorschriften, maar ze zijn wel het ruwe materiaal, the stuff where societies are made of.
 

Ik heb niets aan de wet van Boyle als mijn buren samen met Gamma van hun tuin een zeepkist maken

Protagoras, met Gorgias de beroemdste sofist, was een overtuigd doxa-cultivator, geen aletheia-zoeker. Alle waar-neming is privé en het begin van alles, maar de problemen ontstaan als je het erover eens wilt worden met ande-ren. Waarop fundeer je een consensus? Op een onfeilbaar woord van God misschien? Ieder godsbeeld is relatief, in eerste instantie aan rivaliserende godsbeelden en in laatste instantie aan de condition humaine, vond ook al Protagoras: ‘Van de goden kan ik niet weten of ze bestaan of niet en welke gedaante ze zouden hebben. Daarvoor is ons leven te kort en ons zicht te beperkt.’ Deze radicale bescheidenheid – zijn tijdgenoten vonden het hoogmoed en verbanden hem wegens godslastering uit Athene – doorkruist ieder religieus dogmatisme en baant de weg tot vreedzame coëxistentie van meerdere religies, agnosticisme en atheïsme. Iedere religie is mensenwerk, en geba-seerd op een sociale behoefte; ze wordt begrensd door de bestaande moraal en niet omgekeerd. Het vertrekpunt is de morele wet in ons, zou Immanuel Kant later zeggen. Het duize-lingwekkende inzicht van Protagoras, goed voor vele uren westerse meditatie bij de open haard luidt: De objectiviteit van normen is niet absoluut, maar wel bovenindividueel (intersubjectief).
Levert de objectieve wetenschap dan de basis voor consensus? Onze 2500 jaar oude natuurwetenschap is ongelooflijk mooi, maar zal nooit een theory of everything opleveren, waarmee je ook juridische geschillen kunt beslechten. Ik heb niets aan de wet van Boyle als mijn buren samen met Gamma van hun tuin een zeepkist maken en daarbij de kadas-trale erfscheiding over-schrijden. D’r zal onderhandeld moeten worden.
 

Bureau McTagoras

De natuurwetten gelden weliswaar, maar ze determineren de wereld niet volledig. We kunnen de moraal niet rechtstreeks uit de natuur oplepelen. De dingen zijn niet in zichzelf goed of slecht of waardevol, ze worden dat in het gebruik dat de mens ervan maakt. Met dat pragmatische inzicht komt de werkelijke functie van de logos in het vizier. Het sociale leven moet gebaseerd zijn op de rede, de ratio en oratio, het gesprek, de onderhandeling. Protagoras legt het taalgebruik aan de basis van alle sociale verkeer. Dat verklaart zijn aandacht voor de vorm en vorming van het taalgebruik, voor de retorica. Taalkunde en taalonderwijs zijn na hem een standaardonderdeel gebleven in het onderwijs in iedere democratische rechtsstaat.

Protagoras werd geboren in 490 voor Chr., het jaar van de slag bij Marathon die wij ook dit jaar weer gedachteloos herdenken in de Dam tot Damloop. Hij stierf in 420. Maar stel je eens voor dat Protagoras in 1920 geboren was en overleden in 1990. Dan zou hij de Eerste en Tweede Wereldoorlog en vervolgens de Koude Oorlog hebben meegemaakt (qua duur en impact zeer goed te vergelijken met de Perzische Oorlogen). Hij zou vermoedelijk in Amerika hebben gewoond en daar de melting pot van culturen, de secularisatie, de opkomst van de liberale sociaal-democratie, de enorme invloed van de commerciële advocatuur (sue them) hebben meegemaakt. Hij zou links-liberaal zijn geweest, voorstander van Hoger Onderwijs Voor Velen en gelijke rechten voor alle rassen. In de natuurwetenschap zou hij gefascineerd zijn door de contradicties in de relativiteitstheorie en de quantummechanica. Albert Einstein en Nils Bohr zouden zijn Heraclitus en Parmenides zijn geweest.
Hij zou het zwaar gehad hebben onder Truman, maar hij zou vermoedelijk vanaf de jaren zeventig aan het hoofd hebben gestaan van het dure organisatie-adviesbureau McTagoras en trainingen geven aan vlotte dames en heren. De nieuwe christenen in de Verenigde Staten zouden hem voortdurend aanklagen wegens goddeloosheid. Een marginaal clubje filosofen zou hem een opportunist en charlatan noemen, maar hij zou inmiddels wel een wezenlijke bijdrage leveren aan de taalanalyse van het Amerikaans pragmatisme in de voetsporen van Peirce, James en Dewey. Als hoogleraar heette hij Richard Rorty: alom geëerd en verguisd tegelijkertijd.