Home Het kwaad Filosoof Orysya Bila: ‘De oorlog met Rusland is een existentiële strijd’
Het kwaad

Filosoof Orysya Bila: ‘De oorlog met Rusland is een existentiële strijd’

Door Djuna Spreksel op 18 mei 2026

De Oekraiënse filosoof Orysya Bila
beeld Maarten Noordijk
Filosofie Magazine Kun je gek zijn als niemand het ziet
06-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
Denken is onontbeerlijk in tijden van oorlog, zegt de Oekraïense filosoof Orysya Bila. ‘Filosofie ontstaat als wat je kent wordt opgeschud.’

In de roman Het kralenspel (1943) van de Duitse schrijver Hermann Hesse speelt een groep geprivilegieerde mannen in de denkbeeldige staat Kastalië een spel met kralen. Het doel van deze geïsoleerde orde van denkers is om alle menselijke kennis – wiskunde, muziek, filosofie – in dat spel samen te brengen. Het spel kent geen einde, aangezien er telkens nieuwe verbanden kunnen worden gelegd. Een van de vragen die het boek opwerpt: wat is de verhouding tussen deze afstandelijke manier van denken en kennis die wordt opgedaan via geleefde ervaring?

Want terwijl deze groep zich vermaakt met de kralen, staat ze nogal ver af van het echte leven, ziet ook de Oekraïense filosoof Orysya Bila. Ze haalt Hesses roman aan om te illustreren hoe er soms naar filosofie wordt gekeken; als een elitaire, vrijblijvende bezigheid, die weinig te maken heeft met de dagelijkse realiteit. Pas wie in relatieve welvaart en vrede leeft, zo is de gedachte, heeft de ruimte zich bezig te houden met verheven filosofische vragen.

Lees dit artikel verder

Voor € 4,99 per maand lees én beluister je dit artikel en alle andere online artikelen van Filosofie Magazine.

Word abonnee Al abonnee? Inloggen

Bila zet daar een ander beeld tegenover: ‘Filosofie is deel van het leven. Ze ontstaat als wat je kent wordt opgeschud. Je weet je geen houding meer te geven en moet daarom op zoek naar manieren om de wereld om je heen, en jezelf daarin, te begrijpen. Dat is geen abstracte en passieve bezigheid. Het gaat erom je steeds opnieuw tot de wereld te verhouden, en die transformatie heeft een moreel karakter. Je wordt ertoe bewogen om je bezig te houden met goed en kwaad, waarheid en leugen, met wie je bent en wie je zou willen zijn.’

De expertise van Bila bevindt zich bij hedendaagse Europese filosofie, religiefilosofie en ethiek in omstandigheden van oorlog en crisis. Ze is hoofd van de afdeling Filosofie en directeur van het masterprogramma Theologie aan de Oekraïense Katholieke Universiteit (UCU). Sinds de oorlog met Rusland uitbrak, houdt ze zich bezig met morele veerkracht, rechtvaardigheid en hoop in haar vaderland. Ze is in al die tijd niet gestopt met het onderwijzen van filosofie. Sterker nog, vertelt Bila, hoe langer de oorlog duurt, hoe populairder de colleges worden. ‘Er is grote behoefte aan waar filosofie om draait: de zoektocht naar waarheid. Want als de wereld uit elkaar valt, wil je een manier vinden om die weer bij elkaar te brengen.’

U beschrijft in een essay hoe de schok van het begin van de oorlog ervoor zorgde dat er geen ruimte was bij uw studenten voor filosofisch ­denken. Het ging erom te overleven. Maar zodra het patroon van de Russische bombardementen enigszins voorspelbaar werd, ontstond de drang om de nieuwe situatie te kunnen begrijpen. Wat deed u toen?
‘De klassieke onderwerpen die ik vóór de oorlog behandelde, zoals het onderscheid tussen geest en lichaam, waren triviaal en betekenisloos geworden. In plaats daarvan besloot ik een filosofisch probleem te introduceren dat actueel was geworden: het kwaad. Dat was riskant, omdat de ­studenten al oorlogstrauma’s hadden doorgemaakt – sommigen droegen, letterlijk, wonden. Ik had bijvoorbeeld een jongen in de klas die heel vriendelijk was en altijd lachte. Maar hij had ook een groot litteken over zijn schedel, dat was ontstaan nadat hij zijn vrienden bij een bombardement probeerde te redden. Mijn gedachte: wat ligt er allemaal in de harten van deze jonge mensen verborgen dat nu naar boven zou kunnen komen?

We bestudeerden de filosoof Simone Weil, die de vraag stelt: hoe is het mogelijk dat er kwaad bestaat in deze wereld, terwijl die is geschapen door een volmaakte God? Weil wijst erop dat God, nadat hij de wereld schiep uit het niets, zichzelf verwijderde uit wat hij had gecreëerd. Op die manier kan er iets nieuws in de wereld ontstaan. Maar als hij zichzelf verwijdert, wordt imperfectie, en daarmee het kwaad, ook in staat gesteld de wereld binnen te komen. Je kunt daar volgens Weil antwoord op geven door te oefenen in aandacht, jezelf ontvankelijk te maken voor het goddelijke en genade te ontvangen. Ik heb gemerkt dat Weils ­gedachtegoed bij de studenten een diep begrip teweegbrengt van wat hen overkomt. God stort het kwaad niet uit en ze worden ook niet door hem getest, zoals Job in de Bijbel. Hij laat de mens juist naar binnen door de ruimte te legen van hemzelf, iets wat in het Grieks ook wel kenosis wordt genoemd.’

Kan filosofie in tijden van crisis dezelfde functie vervullen als religie?
‘In moeilijke tijden kun je zowel uit filosofie als uit religie kracht putten. In Europa zijn we geneigd om over religie na te denken in termen van instituties en dogma’s, maar dat is niet het belangrijkste. Weil was zowel diepreligieus als een onafhankelijke denker. Religie draait om een verbinding met iets groters en om wie je ten diepste bent. Op het moment dat alles om je heen verdwijnt – je geliefde, je huis, je vrijheid –, wat blijft er dan over om mee te leven? Ik ben theologie gaan studeren omdat ik in mijn jeugd heb gezien hoe de kerk waar mijn grootouders toe behoorden in de Sovjet-Unie werd onderdrukt. Maar mensen bleven stiekem samenkomen en lazen door de staat ­verboden boeken. In een totalitair regime, dat bestaat bij de gratie van onderdrukking en collectivisme, is religie een daad van verzet – een manier om betekenis te vinden en je eigen identiteit, waarden en veerkracht te behouden.

Ik beschouw filosofie als de vrijheid om iets nieuws te denken, dat niet al door een ander voor je bedacht en aan je opgedrongen is. Je zoekt naar waarheid in een toekomst die nog openligt. Juist omdat de oorlog overal is, hebben mijn studenten niet de behoefte om dáár heel direct over te denken. Filosofie gaat ook over het landschap dat zich ná de oorlog uitstrekt: wat staat ons dan te doen, welke samenleving willen we dan vormgeven? Daar komt gelukkig nooit een definitief antwoord op, zoals dat hoort in een vrije samenleving. Je zoektocht is geworteld in de realiteit, en die is altijd aan verandering onderhevig.’

Op welke manier werd er binnen de ­Sovjet-Unie omgegaan met de filosofie?
‘In de Sovjet-Unie – een oud monster dat nooit helemaal is verslagen – waren filosofie en geschiedenis geen artes liberales, maar belangrijke ideologische instrumenten van de staat. Er waren alleen faculteiten gevestigd in het centrum van de macht. Iedere nieuwe student werd doorgelicht om “afwijkingen” op te sporen. Waarom doet een imperiaal, totalitair regime van honderdvijftig miljoen inwoners zo’n moeite? Het antwoord: omdat de staat begreep dat de geesteswetenschappen van grote invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van het individuele en maatschappelijke zelfbewustzijn. Uiteraard ontstond een ondergrondse beweging van vrije denkers. Hoewel velen het regime niet hebben overleefd, was blijven denken het enige wat ze konden doen om te overleven. De Sovjet-Unie was vanaf het begin gedoemd ten onder te gaan, omdat mensen in een leugen moesten leven.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Wat is het verband tussen strijden en denken in de huidige oorlog?
‘Ik krijg van buitenlandse vrienden regelmatig de vraag waarom Oekraïne de oorlog met Rusland niet opgeeft. Maar voor ons draait die niet om territoriale grenzen. Het gaat om een existentiële strijd om onszelf te mogen zijn, om te leven in wat filosoof ­Avishai Margalit een “fatsoenlijke samenleving” noemt; een samenleving waarin je niet vernederd wordt. We weten wat het betekent om te leven in een democratie. We dragen een bron van vrijheid in onszelf mee, een drang om onze toekomst zelf vorm te geven. Dat heeft Rusland onderschat. We verschillen daarin van de Russen: er groeit een hele generatie op die alleen Poetin als leider kent. In Oekraïne hebben we onszelf regelmatig de vraag gesteld: waarom komen de Russen niet in opstand? Ik vermoed dat het een erfenis van de Sovjet-Unie is, die ik ook bij mijn vader heb gezien. Hij is in de USSR opgegroeid, terwijl mijn opa en oma, net als de jongere generatie Oekraïners, een vrije wereld kennen. Op het moment dat je altijd is verteld welke richting je op moet gaan en wat goed voor je is, zorgt dat voor een comfortabele ­ordelijkheid van de wereld. Je weet waar je aan toe bent en voor het regime houd je je koest. Maar je blijft ook steken in een soort ­ouder-kindrelatie, waarin je niet leert om voor jezelf te denken en al denkend de wereld in te groeien.’

Welke verantwoordelijkheid brengt de filosofie met zich mee?
‘Toen ik als student kennismaakte met het werk van Michel Foucault, kreeg ik een belangrijke sleutel in handen om de realiteit van de Sovjet-Unie te begrijpen. Foucault legt het verband tussen waarheid en macht: we worden gevormd door het systeem waarin we leven en het waarheidsvertoog dat wordt geproduceerd. De grote vraag die hij stelt: zijn we gedoemd binnen dat vertoog te leven of is er een uitweg mogelijk? Foucault herintroduceert het antieke begrip ­parrhêsia, dat “vrijmoedig spreken” betekent. ­Parrhêsia is de plicht om vanuit moed en authenticiteit de waarheid te spreken en daar ook naar te leven. In potentie is dat gevaarlijk: een parrhesiast zet zichzelf op het spel. Maar je bent wel trouw aan jezelf en dat zou te allen tijde de consequentie van de filosofie moeten zijn.’

Volgens onderzoek zijn veel mensen in Oekraïne sinds het begin van de oorlog gelukkiger dan ze daarvoor waren. ­Begrijpt u hoe dat kan?
‘Ik vind dat een wonderbaarlijk gegeven. Als je iets leert in de oorlog, dan is het dit: alles is vervangbaar, behalve de mensen die je dierbaar zijn. Je kind groeit, je oude vader is nog best gezond: plotseling zijn het allemaal redenen om heel gelukkig te zijn, ook al vallen de bommen om je heen. Het verbaast me steeds weer hoe veerkrachtig mensen zijn – zeker als het hen lukt te midden van het kwaad zelf te blijven denken. Ik heb ouders ontmoet die hun kinderen in de strijd verloren zijn, en die de waardigheid vinden om het leven te blijven aangaan. En soldaten die besloten de mijnenvelden in te trekken, om daar achtergebleven dieren te redden.’

Loginmenu afsluiten