Home Mens en techniek Techniekfilosoof Yuk Hui: ‘AI wordt organisch, maar niet menselijk’
Mens en techniek

Techniekfilosoof Yuk Hui: ‘AI wordt organisch, maar niet menselijk’

Door Ivana Ivkovic op 29 juli 2026

Immanuel Kant machine cyborg
beeld Jonathan Janssen met ChatGPT
Filosoof Yuk Hui gebruikt het denken van Immanuel Kant om AI beter te begrijpen. ‘Meer data leidt niet tot meer kennis.’

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? Je bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

‘Stel dat een robot een kamer binnenkomt,’ zegt de Hongkongse filosoof Yuk Hui. ‘Hoe weet die wat wij doen? Op basis van data. Maar is die data ook kennis?’ Nee, stelt Hui, want meer data leidt niet altijd tot meer kennis. Toch domineert die veronderstelling bij de bedrijven die AI (kunstmatige intelligentie) ontwikkelen: grotere datasets en modellen zouden vanzelf intelligentere machines opleveren. Hui verwijst naar het verhaal ‘Funes de allesonthouder’ van de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges: ‘Funes herinnert zich ieder blad aan iedere boom die hij ooit zag en raakt door dat volmaakte geheugen verlamd. Wie niet kan vergeten, kan niet generaliseren en dus ook niet kennen. Hij kan eindeloos inzoomen, maar niet meer uitzoomen.’

Hui herkent in deze kwestie de eeuwenoude vraag naar de voorwaarden van kennis. In zijn boek Kant machine (2026) onderzoekt de hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam aan de hand van het denken van de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) wat voor soort machine AI is. Kan AI werkelijk kennen, oordelen en bepalen wat goed is? Waar liggen haar grenzen?

Even tussendoor …

Meer lezen over filosofie en technologie? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

Ontvang wekelijks de beste artikelen van Filosofie Magazine en af en toe een aanbieding.

Organische machines

Kant lijkt een onwaarschijnlijke gids voor een denker over AI: hij stierf twee eeuwen voordat de eerste chatbot zijn eerste woorden sprak. Toch vindt Hui bij hem interessante aanknopingspunten. Kant verzette zich tegen het mechanistische wereldbeeld van zijn tijd, waarin ook de geest werd gezien als een schakel in de keten van oorzaak en gevolg. ‘Daarbij vindt hij inspiratie in het organische. In de Kritiek van het oordeelsvermogen gebruikt hij een boom als voorbeeld. Wortels, stam, takken en bladeren bestaan alleen dankzij het geheel, dat door de delen wordt gevormd en onderhouden.’ Daartegenover staat de achttiende-eeuwse machine van het uurwerk. ‘Het ene tandwiel drijft het andere aan. Ontbreekt er één onderdeel, dan staat alles stil. Een organisme werkt anders. Als een spin twee poten verliest, hervindt zij haar evenwicht en loopt verder. De delen reguleren elkaar.’

Alleen wanneer de rede als organisch wordt begrepen, zijn haar specifieke vermogens volgens Kant te verklaren. Mensen kunnen op zichzelf reflecteren, zelfstandig oordelen en zich tot hun neigingen verhouden. Daarin ligt voor Kant de mogelijkheid van vrijheid. Maar de tegenstelling tussen organisme en machine gaat voor AI niet meer op, stelt Hui. ‘Het beslissende moment in het denken hierover was in 1948, toen de Amerikaanse wiskundige en filosoof Norbert Wiener het boek Cybernetics publiceerde. Een cybernetische machine gebruikt feedback, schrijft Wiener: output wordt weer input en zo reguleert het systeem zichzelf. Tot dan toe was dat precies waarmee we het levende van het mechanische onderscheidden, maar AI zet die ontwikkeling nu voort.’

Daarom is de verleiding groot te denken dat AI straks alles kan wat mensen kunnen en dus steeds menselijker wordt. Maar dat betwijfelt Hui. ‘Machines worden organisch; ik zeg niet dat ze organisch zíjn. En het betekent ook niet dat ze menselijk worden. Ze zullen geen vlees en bloed krijgen. Dat zou eerder een beperking voor ze zijn dan een meerwaarde.’

Hoogmoed

Wie gelooft dat machines vanzelf naar het menselijke toegroeien en de mens vervolgens overstijgen, stelt niet meer de vraag waar die machines voor dienen of waar hun grenzen liggen. Hui wijst op een rede van de Franse filosoof Henri Bergson uit 1914. ‘Duitsland was volgens Bergson ooit een land van poëzie en metafysica, maar werd een land van machines. Het menselijke lichaam was enorm uitgedijd, terwijl de ziel niet was meegegroeid. Het resultaat was hoogmoed, die uiteindelijk omsloeg in oorlog.’ Hui ziet daarin een parallel met het heden. ‘In 2017 versnelde Silicon Valley zijn AI-ambities, presenteerde China een plan om in 2030 dé AI-macht te zijn en zei Poetin dat wie de leiding neemt in AI, de wereld zal beheersen. AI produceert hoogmoed in een buitengewoon tempo. Zijn we niet opnieuw in de situatie beland die Bergson beschreef?’

Bergson schreef later dat we de eigenlijke bestemming van machines moeten vinden, hun juiste plaats. Voor Hui begint die zoektocht bij Kants vraag naar de grenzen van de rede. ‘In de Kritiek van de zuivere rede vergelijkt Kant de rede met een eiland, omringd door een oceaan. Kritische filosofie vraagt de rede haar grenzen te ontdekken. Wie die begrijpt, kan er behoedzaam voorbij.’ Bij AI weigeren we die grens te onderzoeken. Het heersende verhaal is er een van grenzeloze zelfverbetering, superintelligentie en zelfs onsterfelijkheid. ‘Dat doet denken aan het achttiende-eeuwse optimisme over machines,’ zegt Hui. Pas de negentiende-eeuwse fabrieken toonden hun duistere kant: de arbeider werd een verlengstuk van de machine en vervreemdde van zichzelf en van zijn werk, zoals Karl Marx beschreef.

Morele machines

Een van de grenzen wordt zichtbaar bij de moraal. Het debat gaat vaak over alignment: hoe zorgen we dat AI handelt volgens menselijke waarden? De verkeerde vraag, vindt Hui. ‘We vragen of een machine onze normen kan volgen, niet of zij moreel kan zijn. Maar welke normen moet ze volgen? Die verschillen tussen landen en culturen, maar ook binnen Nederland.’ Moreel oordelen vraagt bij Kant om autonomie: het vermogen om jezelf op grond van de rede wetten op te leggen, ook als die tegen je eigen neigingen ingaan. ‘AI wordt organischer, zelfs autonomer, ze kan zichzelf steeds meer sturen. Maar dat is nog niet autonomie in Kants betekenis. In kantiaanse zin bestaat er geen morele machine, want een machine volgt altijd normen die een ander haar opleggen. Ze kan zichzelf geen regels opleggen.’

Het oordelen kunnen we dus niet uitbesteden, niet aan wapensystemen die doelen selecteren en evenmin aan chatbots die ons naar de mond praten. Daar ligt voor Hui de kantiaanse opdracht: doorgronden wat machines kunnen en wat onze verantwoordelijkheid is. Anders verwarren we macht met vooruitgang. Waar dat toe leidt, zag Bergson al in 1914.

Kant machine. Critical philosophy after AI
Yuk Hui
Bloomsbury
144 blz.
€ 24,32

Loginmenu afsluiten