Home Marijn Kruk: ‘Intellectuelen vind je overal, de intello alleen in Frankrijk’

Marijn Kruk: ‘Intellectuelen vind je overal, de intello alleen in Frankrijk’

Door Marco Kamphuis op 20 januari 2010

Cover van 01-2010
01-2010 Filosofie magazine Lees het magazine

Nu de werkelijk originele Franse filosofen – Sartre, Foucault, Derrida, Bourdieu en Baudrillard – dood zijn, heeft de typisch Franse intello vrij spel. Dat zegt Marijn Kruk, auteur van Parijs denkt.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Een enkele sneeuwbui en het hele Nederlandse treinverkeer loopt in het honderd,’ zegt Marijn Kruk opgewekt wanneer hij met vertraging is aangekomen op het Centraal Station van Amsterdam. In Frankrijk zou zoiets niet gebeuren, meent hij. ‘Maar,’ geeft hij ruiterlijk toe, ‘daar heb je wurgende stakingen.’ Hij kijkt op zijn horloge: er resteert nog slechts een uur voordat zijn Thalys terug naar Parijs vertrekt.
Hij kwam bij toeval in die stad te wonen. Kruk (1971) studeerde geschiedenis in Utrecht en zag zijn afstudeerscriptie over de Franse denker Alexis de Tocqueville bekroond met de Prix de Paris, die hem in staat stelde politieke filosofie te studeren aan de Ecole des hautes études en sciences sociales. Door de aan dat instituut verbonden prominente intellectuelen leerde hij de wereld kennen die hij beschrijft in zijn boek Parijs denkt. Inmiddels woont hij ruim vijf jaar in de hoofdstad. Als Frankrijk-correspondent voor onder andere Trouw en De Groene Amsterdammer bekostigt hij zijn appartement in het dertiende arrondissement, waar het redactiekantoor van Le Monde om de hoek ligt.
In zijn boek schetst Kruk een beeld dat scherp contrasteert met de stereotiepe lichtzinnigheid en zorgeloosheid die aan Fransen worden toegeschreven. ‘Als Fransen iets doen, dan doen ze het grondig, en ze schieten daar vaak in door,’ zegt hij. ‘Als Nederland een land is van dominees en kooplieden, dan is Frankrijk een land van ingenieurs en filosofen. Er heerst een sterke voorkeur voor rationaliteit en theorievorming. Dat heeft mooie dingen opgeleverd, zoals de vele denkrichtingen van de Franse filosofie en opmerkelijke technische prestaties: de Eiffeltoren, de Concorde of de TGV. Maar de keerzijde is dat het de neiging voedt het ideaal voor de werkelijkheid te houden. Dat heb ik willen uitdrukken in de ondertitel van mijn boek: Een republiek tegen de wereld, waarbij de republiek staat voor de ratio en de wereld voor de weerbarstige werkelijkheid.’

Terwijl de Engelse wetenschappelijke traditie empirisch is, dus uitgaat van wat je ziet, gaat de Franse uit van wat je denkt – van een abstract model, dat zich niet altijd met de werkelijkheid laat rijmen. Als voorbeeld van ideologische verdwazing noemt Kruk de invloedrijke generatie van intellectuelen en kunstenaars die zich in de jaren veertig tot het marxisme bekeerden. ‘Bekend is natuurlijk Sartre, die tot aan zijn dood in 1980 zijn steun uitsprak aan totalitaire regimes.’ En terwijl het communisme in de meeste Europese landen achterhaald is, bestaat er in Frankrijk zelfs nu nog een bloeiende trotskistische partij. Het gebrek aan werkelijkheidszin heeft ook praktische consequenties. Zo is het moeilijk uit te maken in hoeverre het recente oproer in de Parijse voorsteden samenhangt met discriminatie of de cultuur van immigranten: op grond van het principe dat alle Franse burgers gelijk zijn, is het verboden statistieken ten aanzien van etnische afkomst dan wel religieuze overtuiging aan te leggen. Cijfermatig bestaat er dus niet zoiets als werkloosheid onder immigranten.
 

Punt op de horizon

‘In zekere zin is mijn boek een onderzoek naar de zin en de onzin van idealen’, zegt Kruk. ‘Het integratiedebat is wat dat betreft illustratief. Dat er in Frankrijk een taboe rust op het benoemen van etnische groepen is niet alleen vanwege het gelijkheidsprincipe, maar ook omdat dat het groepsdenken in de hand zou werken. Dat zou weer schadelijk zijn voor de eenheid van de republiek – je moet bedenken dat in Frankrijk een paar keer bijna een burgeroorlog is uitgebroken. In Nederland bestond er ook zo’n taboe, maar dat is inmiddels helemaal verdwenen. Het is nu gewoon om te spreken over de criminaliteit onder bijvoorbeeld Marokkanen. Maar met die openheid is de sociale situatie bij ons niet beter dan in Frankrijk. En hoewel het duidelijk is dat de Franse gelijkheidsvisie de culturele verschillen miskent, ben ik geneigd daaraan de voorkeur te geven, omdat je op die manier een punt op de horizon zet waarnaar mensen zich kunnen richten. Als je de verschillende bevolkingsgroepen gaat benoemen, hoe kom je daar dan nog uit? Dan open je de doos van Pandora, zoals wel blijkt uit het integratiedebat in Nederland, dat alle kanten uit schiet.’

Het intellectuele debat is in Frankrijk bijzonder levendig. Dat zal deels te maken hebben met temperament, maar ook met de genoemde neiging tot ideologiseren. ‘Als verschillende partijen aanspraak op de waarheid maken, botst dat hard. Er is nooit een middenweg. In vergelijking daarmee zijn Nederlanders op consensus gericht.’ In zijn boek behandelt Kruk een aantal van de grote kwesties die de republiek bezighouden, zoals de erfenis van mei 1968, waarop grofweg twee zienswijzen bestaan. Enerzijds de opvatting dat de befaamde studentenopstand het verstarde gaullistische Frankrijk heeft wakker geschud, anderzijds de opinie van de nieuwe reactionairen, onder wie de verklaarde anti-intellectueel Nicolas Sarkozy, dat mei 1968 moraal en autoriteit ten grave heeft gedragen en daarmee aan de basis ligt van vrijwel alle problemen die het land tegenwoordig kent, van de problemen in de buitenwijken tot de doorgeschoten bonussencultuur.

Voorop in de woordenstrijd gaat de intello. Intellectuelen vind je in alle landen, maar de intello is een typisch Frans fenomeen. Kruk: ‘Zoals je in Nederland de bekende Nederlander hebt, die in glossy weekbladen figureert en over wie iedereen een mening heeft, zo heb je in Frankrijk de bekende intellectueel. De intello is mediageniek, vlotgebekt en provocatief, en ziet er meestal goed uit. Hij publiceert boeken en artikelen in kranten en tijdschriften, net als de gewone intellectueel, maar zijn sterrenstatus ontleent hij aan het feit dat hij schittert op televisie. De grote namen zijn Alain Finkielkraut, Pascal Bruckner, Michel Onfray, André Glucksmann. Sinds de werkelijk originele filosofen zijn overleden – Sartre, Foucault en meer recentelijk Derrida, Bourdieu en Baudrillard – heeft de intello vrij spel gekregen. Het ultieme voorbeeld is natuurlijk de flamboyante Bernard-Henri Lévy, kortweg BHL, schrijver van een indrukwekkend aantal boeken, maar bovenal een onontkoombare televisiepersoonlijkheid. Aan de andere kant van het spectrum zie je dat de academische filosoof zich steeds meer terugtrekt op de universiteit en in geleerde tijdschriften publiceert.’

Kruk knoopt zijn jas dicht om zich naar de Thalys te haasten. ‘De eerste jaren in Parijs kon ik niet geloven dat die prachtige stad mijn woonplaats is. Tegenwoordig betrap ik mezelf erop dat ik het gewoon begin te vinden.’

Op 1 februari praat Marijn Kruk in Maison Descartes met Ieme van der Poel over zijn boek. www.maisondescartes.nl