Je leest drie filosofische werken over de vrije wil: de boeken A, B en C. Het lezen van A bevestigt jouw bestaande opvattingen over de vrije wil. Als je denkt dat de vrije wil bestaat, vind je in A argumenten voor je standpunt, maar ook als je denkt dat de vrije wil niet bestaat, biedt A daar argumenten voor. Het lezen van B verandert je mening : als je dacht dat de vrije wil bestaat, denk je dat na het lezen van B niet meer en vice versa. Boek C overtuigt je ervan dat de vrije wil niet bestaat, ongeacht je overtuiging voor je het boek ter hand nam. Je leest de boeken in willekeurige volgorde. Wat is de kans dat je na het lezen van deze drie boeken denkt dat de vrije wil bestaat?
Oplossing
De kans dat je denkt dat de vrije wil bestaat, is 50%. De vraag is of je B leest voordat je C leest, of dat je eerst C leest en daarna B. Wanneer je A leest doet er niet toe, omdat je opvattingen er niet door veranderen. Als je eerst B leest en daarna C, raak je ervan overtuigd dat de vrije wil niet bestaat. Het maakt immers niet uit wat je dacht voordat je C las – na het lezen ervan geloof je dat de vrije wil niet bestaat. Als je eerst C leest en daarna B leest, denk je dat de vrije wil wel bestaat, omdat B je van gedachten doet veranderen. Aangezien je de boeken in willekeurige volgorde leest, is de kans dat je eerst B leest en dan C even groot als de omgekeerde volgorde. Daarom is de kans dat je na het lezen van de drie boeken denkt dat de vrije wil bestaat 50%.
