Home Kunst Kuisheid maakt aantrekkelijk, en andere lessen van Plato
Kunst Liefde

Kuisheid maakt aantrekkelijk, en andere lessen van Plato

Van Plato leer je waarom Paul de Leeuw veel te veel verdient, en waarom een lelijke man toch de mooiste jongens krijgt door kuisheid te veinzen. Frank en Maarten Meester kiezen favoriete passages uit het werk van Plato, ter gelegenheid van het voltooien van de eerste volledige vertaling van zijn werk.

Door Frank Meester en Maarten Meester op 28 oktober 2008

schilderij dood van Socrates Jacques Louis David laatste woorden apologie
09-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Deel 1: Kunst

Socrates: Gegroet, Paul de Leeuw. Wat ben ik blij jou zo onverwacht tegen te komen. Ik hoorde over de ophef omdat je 650 duizend euro per jaar verdient, vijf keer de Balkenende-norm.
Paul de Leeuw: Grote onzin, Socrates, die ophef. Ik heb een specifiek talent en niemand anders dan ik kan daarvan de waarde bepalen.
Socrates: Daar twijfel ik uiteraard niet aan, beste Paul. Maar zou je toch zo goed willen zijn mij uit te leggen waaruit dat specifieke talent van jou nu precies bestaat?

Plato lezen blijft intrigerend, omdat zijn teksten actueler zijn dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Neem nu de passage uit Het Bestel over de virtuoos die ‘zo slim is dat hij allerlei rollen kan spelen en van alles kan nabootsen’. Zo iemand moet je vorstelijk belonen, zouden we nu zeggen. Maar wat schrijft Plato? ‘En toch zullen we hem zeggen dat er niemand zoals hij in onze staat woont en ook niet mag wonen! We zullen zijn hoofd met parfum besprenkelen en het met wollen bandjes bekransen om hem daarna naar een andere staat weg te sturen. Voor onze bestwil zullen we zelf juist een strengere en minder leuke dichter en verteller gebruiken. Iemand die keurige mensen kan nabootsen en die zich in wat hij zegt aan de patronen houdt die we in het begin hebben voorgeschreven toen we met de opvoeding van onze soldaten begonnen.’ Nee, dit klinkt niet van deze tijd. Toch denk ik dat we ook nu veel van Plato’s ideeën over kunst kunnen leren.

Ten eerste van de manier waarop hij het begrip mimesis, of nabootsing, gebruikt. Plato gaat het in de eerste plaats om waarheid. Die waarheid zie je niet in de wereld om ons heen, en al helemaal niet in kunstwerken. Maar volgens hem kunnen we er wel dichter bij in de buurt komen, door ons verstand te gebruiken. Stel, dat we de waarheid willen leren over stoelen. In de wereld om ons heen zien we veel stoelen, maar dat zegt nog niet zo veel. Want wat is nu de overeenkomst tussen al die stoelen? Waaraan herkennen we een stoel? Volgens Plato bevat het verstand een abstract idee van een stoel, waar alle stoelen – hoe verschillend ook – onder vallen.

Dat abstracte idee is dan ‘meer waar’, het overstijgt de wereld om ons heen, waar we alleen maar afzonderlijke stoelen – feitelijk slechts kopieën – zien. En dat overstijgen moet je letterlijk nemen: volgens Plato bestaat er een ideeënwereld, gevuld met ideaaltypen: het ideaaltype stoel, maar ook paard of mens. Maar wat doet een schilder? Die schildert een stoel die door een ambachtsman is vervaardigd. In plaats van dat hij dichter bij de waarheid komt, bij dat abstracte idee, raakt hij er juist verder van af. Hij bootst een kopie van een kopie na. Hij werkt daarmee volgens Plato in het derde stadium gerekend vanaf de waarheid. Stadium een is de stoel in de ideeënwereld, de ideale stoel waarvan de stoel van de ambachtsman – het tweede stadium – ook maar weer een kopie is.

Zoals Plato’s leerling Aristoteles al heeft laten zien, keek Plato ten onrechte neer op de werkelijkheid. Terwijl we elke dag de bewijzen om ons heen vinden dat het tweede stadium bestaat, en de ideeënwereld slecht een metafysische constructie blijft. Met andere woorden: Plato overwaardeerde stadium een en onderwaardeerde stadium twee.

Toch denk ik dat zijn kunstopvatting ons iets kan leren omdat wij in het andere uiterste zijn doorgeslagen. Tegenwoordig overwaarderen velen van ons juist stadium drie: de kopie van de kopie. Een onderwijzeres vertelde mij dat haar leerlingen thuis zo veel achter tv en computer zitten dat ze haar te saai vinden. Zij is in feite als de ambachtsman: ze produceert op een kundige manier kennis. Zij is dus het tweede stadium. Maar als ze na vijf minuten nog aan het woord is, willen de leerlingen haar wegzappen.

Plato’s tweede centrale begrip, technē (kunde, vaardigheid) vind ik net zo hard aan een herwaardering toe. Denk aan het gebrek aan respect voor mensen die echt iets nuttigs doen, zoals de verpleegkundige, leraar, brandweerman, ambulancebroeder. De kunstenaar kan eigenlijk niets, zegt Plato, want als hij echt iets kon, zou hij ook wel echt iets doen. Hij heeft het vooral over schrijvers en kunstenaars, maar ik zou dat ook graag betrekken op veel adviseurs, bankiers, speculanten, journalisten, managers en presentatoren. Waarom verdient Paul de Leeuw 650 duizend euro per jaar, terwijl de verpleegkundige die op de intensive care geregeld mensen het leven redt nog geen twintigste van dat bedrag krijgt?

(Anti-)kunstpassages bij Plato

1 – Ion, deel 1 van het verzameld werk
2 – Het Bestel (Politeia), deel 9 van het verzameld werk
3 – Wetten (Nomoi), deel 17 van het verzameld werk
4 – De sofist, deel 5
5 – Faidros, deel 8

Deel 2: Symposion

Het bekendste werk van Plato over de liefde is Symposion. Mannen komen bijeen. Ze drinken wat en vertellen ieder een verhaal: een eerbetoon aan de God Eros. De mooie Agathon is het lievelingetje. De andere mannen brengen hun eerbetoon misschien wel in de eerste plaats om er Agathon mee te kunnen verleiden. Sokrates is als laatste aan de beurt.

Is zijn verhaal de grande finale die je mag verwachten van Plato’s held? Ik denk het niet. Hij trakteert de luisteraars op een abstract exposé met als strekking dat we ons het beste van seks kunnen onthouden. Je moet de menselijke passie voor één persoon overwinnen en het algemeen schone leren aanschouwen. Een teleurstellende conclusie voor een werk dat zo erotisch begon. Gelukkig komt er na Sokrates’ verhaal als een duveltje uit een doosje toch nog de grande finale. Bij de poort horen de mannen gestommel. Het is de stomdronken en bloedmooie Alkibiades die juist van een ander drinkgelach komt en zich afvraagt of er hier nog iets te beleven valt. Ook hij mag een verhaal vertellen. Dit keer geen abstracte theorie over Eros, maar een persoonlijk relaas over zijn liefde voor Sokrates. Nu leer je de echte Sokrates kennen.

Alkibiades’ vertelling speelt in het verleden als hij nog een knappe jongeling is en Sokrates, net als altijd, uitzonderlijk lelijk. Alkibiades is de eromenos en Sokrates de erastes. ‘De eromenos is in de Griekse homoseksuele traditie een mooi schepsel dat zelf geen dringende behoefte ervaart’, schrijft filosoof en classicus Martha Nussbaum. ‘Hij is zich bewust van zijn schoonheid. Hij zal lief glimlachen naar zijn bewonderende aanbidder; hij toont waardering voor de vriendschap, raad en hulp van de ander. Hij zal het toelaten dat de aanbidder hem begroet met een liefdevolle aanraking van zijn geslachtsdelen en zijn gezicht, terwijl hij zelf beschroomd naar de grond kijkt. En hij zal een volhardende aanbidder misschien zelfs af en toe bij zich laten klaarkomen. (…) Maar twee dingen zal hij nooit toestaan (…) dat hij gepenetreerd wordt: dat is iets voor harige saters. En hij staat niet toe dat zijn eigen begeerte voor de aanbidder wordt gewekt.’ Dan is er de erastes. Hij is juist uit op het bevredigen van zijn lusten. Deze actieve rol was in het oude Griekenland voor een ouder persoon acceptabel, maar niet voor een jongeling, die de erastes alleen zijn gang liet gaan, omdat die van belang kon zijn voor zijn carrière.

Het ligt dus in de lijn der verwachtingen dat Sokrates de erastes is en Alkibiades de eromenos. Maar door slim spel – zo blijkt in de loop van het verhaal – weet Sokrates de situatie om te draaien: de knappe jonge Alkibiades spant zich steeds meer in om de oude lelijke Sokrates in zijn bed te lokken. Pas nu begrijp je dat de kuise leer van Sokrates slechts een truc is om zich aantrekkelijk en bemind te maken. Dat Sokrates’ tactiek niet alleen bij Alkibiades werkt, blijkt aan het einde van Symposion. Alkibiades wil graag naast Agathon liggen, maar Agathon verkiest een plek naast Sokrates. ‘Altijd hetzelfde liedje!’ klaagde Alkibiades. ‘Met Sokrates erbij heeft verder niemand bij de mooie jongens een kans. Wat heeft hij nu weer een overtuigend smoesje bedacht om die Agathon naast hem te krijgen?’

Plato en de liefde

1 – Symposion, deel 6
2 – Faidros, deel 8 (de toespraken vanaf blz. 13 en blz. 20)
3 – Wetten, deel 17 (blz. 252)
4 – Charmides, deel 15 (het begin, over jongensliefde)

De 17 delen van het verzamelde werk van Plato worden uitgegeven door Bert Bakker (Amsterdam), vertaald door Hans Warren en Mario Molegraaf.