Home IJzeren Lijst IJzeren Lijst 8. Das Kapital van Karl Marx
Economie IJzeren Lijst

IJzeren Lijst 8. Das Kapital van Karl Marx

Hoe is het mogelijk dat geld meer geld produceert? Die vraag onderzoekt filosoof Karl Marx (1818-1883) in zijn hoofdwerk Das Kapital.

Door Alexandra van Ditmars op 15 januari 2015

Karl Marx Friedrich Engels das kapital communisme het kapitaal berlijn

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

In zijn hoofdwerk Das Kapital onderzoekt Marx het mysterie van onze westerse, kapitalistische maatschappij. Hoe is het mogelijk dat geld meer geld produceert? Waar komt die meerwaarde vandaan? Al snel stuit hij op de kwalijke kanten van onze maatschappij: tegenwoordig is werk slechts een middel geworden om te overleven, terwijl werk juist ter ontplooiing moet dienen. De schuld hiervan ligt bij de rijke middenklasse, die winst maakt door uitbuiting van de arbeiders. Marx uit felle kritiek op dit kapitalisme en voorspelt dat het kapitalisme uiteindelijk plaats zal maken voor een klasseloze maatschappij.

Das Kapital – in het Nederlands vertaald als Het Kapitaal –bestaat uit drie delen, waarvan in 1867 het eerste uitkwam. De overige twee delen kwamen postuum uit in respectievelijk 1885 en 1894 en zijn bewerkt door filosoof en wetenschapper Friedrich Engels, die zijn hele leven goed bevriend was met Marx en waarmee hij eerder Het Communistisch Manifest (1848) publiceerde. Das Kapital is een waar levenswerk voor Marx: hij is er ruim twintig jaar mee bezig geweest.

Vervreemding

‘Ik wilde de bourgeoisie een theoretische slag toebrengen die ze nooit meer te boven zou komen’, zei Marx ooit over Das Kapital. De rijke middenklasse is volgens hem schuldig aan het reduceren van de mens tot productie-eenheid. Door de Industriële Revolutie was er een nieuwe klasse ontstaan: de klasse van de fabrieksarbeider. Deze arbeider produceert tegen een laag loon meer goederen dan ooit tevoren, door technische innovaties en efficiënte arbeidsdeling. Hij werkt hierdoor onontkoombaar mee aan zijn eigen ondergang, want zijn werk levert steeds meer winst op voor de eigenaren van de fabrieken. Marx noemt deze winst meerwaarde. Door de toenemende meerwaarde wordt het verschil in kapitaal tussen arbeider en eigenaar steeds groter, waardoor de arbeider relatief steeds armer wordt.

Maar dat is nog niet alles. Naast armer, raakt de arbeider ook vervreemd, een term die Marx ontleent aan Hegel. De mens is voor Marx een sociaal wezen en arbeid speelt in sociale relaties een cruciale rol. Alleen door te werken kan de mens zich ontplooien, want door te werken transformeert de mens de natuur in een eigen, menselijke wereld. In dit proces ontwikkelt en cultiveert de mens zich, en produceert daarmee in zekere zin ook zichzelf: ‘Alles wat men de universele geschiedenis noemt, is niets anders dan de geschiedenis van het voortbrengen van de mens door de menselijke arbeid’. Arbeid is dus essentieel voor het menselijk bestaan. In het kapitalisme is arbeid echter ondergeschikt aan winst. De arbeider wordt slechts een klein radartje in de grote machine van de productie en wordt hierdoor vervreemd van zijn werk.

Neem bijvoorbeeld het beroep fietsenmaker. Waar vroeger een fietsenmaker zijn fietsen van begin tot eind zelf bouwde om deze vervolgens zelf te verkopen, plaatst tegenwoordig een arbeider in een fabriek de hele dag bijvoorbeeld alleen maar het voorwiel op fietsen. De arbeid wordt gereduceerd tot slechts één afgebakende taak die zich eindeloos herhaalt, waardoor de arbeider van zijn werk vervreemd. Hij beschikt niet over de andere productiemiddelen en ook niet over het eindproduct:  hij heeft niets te maken met de andere handelingen die verricht moeten worden aan de fiets, noch met de uiteindelijke fiets zelf. Ook heeft hij geen idee bij wie de fiets waar hij aan mee heeft gewerkt belandt. Werk is op deze manier niet langer iets waardoor de mens zijn bestaan bevestigt, maar een simpel middel om te overleven.

Naast vervreemding van zijn werk vervreemdt de arbeider ook van zijn medemensen, die niets meer zijn dan andere radartjes. Uiteindelijk zal deze moderne vorm van arbeid teweegbrengen dat de mens zelfs zichzelf niet meer herkent. ‘Werk staat buiten de arbeider, dat wil zeggen dat hij niet langer toebehoort aan zijn essentie […], de arbeider ontplooit geen fysieke en intellectuele activiteit meer, maar maakt zijn lichaam dood en vernietigt zijn geest.’ De arbeider vervreemdt hierdoor ook van zichzelf, hij raakt volledig ‘ontmenselijkt’.

Revolutie

Marx bepleit een menselijke emancipatie: een hernieuwde toe-eigening van zichzelf. Zijn oplossing om een einde te maken aan de vervreemding is het communisme: ‘de positieve afschaffing van het privébezit en de reële toe-eigening van de menselijke essentie door de mens en voor de mens’. Mensen moeten weer terug naar hun essentie van betrokken arbeid en contact met de medemens. Het privébezit ziet Marx ook als een vorm van menselijke zelfvervreemding en moet daarom verdwijnen.

Over hoe dit communisme precies in zijn werk moet gaan, laat Marx zich nauwelijks uit. Het lijkt hem geen goed idee een ideaal te verwoorden waarnaar de arbeidersbeweging zich moet richten. Uiteindelijk zullen de materiële productiekrachten namelijk vanzelf botsen met de bestaande productieverhoudingen, de arbeiders zullen onvermijdelijk in opstand komen tegen de uitbuiting. ‘Het laatste uur van het kapitalistische eigendom heeft dan geslagen. Van degenen die bezit hebben afgenomen, wordt dan het bezit afgenomen.’

Het aantal kapitalisten zal volgens Marx in de toekomst afnemen doordat enkele kapitalisten alle productie zullen monopoliseren.  De ‘ellende, de onderdrukking, de slavernij, de degradatie en de exploitatie’ zal hierdoor toenemen, maar het verzet van de arbeiders hiertegen zal ook steeds groter worden. De kapitalistische productie verenigt zo uiteindelijk zelf de arbeidersklasse, waarop de sociale revolutie volgt.

Deze revolutie onderscheidt zich van alle andere revoluties die ooit hebben plaatsgevonden, omdat er dit keer na de revolutie geen enkele klasse gedomineerd zal worden. Er komt een einde aan de oude wereld met verschillende klassen en klassenstrijd, deze zal plaats maken voor ‘een associatie waarin de vrije ontplooiing van eenieder de voorwaarde is voor de vrije ontplooiing van iedereen’.

Van jager tot criticus

Hoewel Marx niet in details treedt over deze toekomstige, klasseloze samenleving die volgt, zal iedereen hierin in elk geval vrijwillig samenwerken met elkaar en zijn activiteiten afstemmen op een gezamenlijk plan voor de gehele samenleving. De onvrijwillige arbeidsdeling en specialisatie van vroeger verdwijnt, iedereen verricht allerlei verschillende activiteiten. Dit betekent dat de maatschappij als geheel de productie regelt. Hierover sprak Marx de beroemde woorden: ‘Dat geeft mij de mogelijkheid vandaag dit en morgen dat te doen, ’s ochtends te jagen, ’s middags te vissen, ’s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naar gelang ik verkies, maar zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden.’ Het versplinterde individu heeft plaatsgemaakt voor ‘de totale mens’, die onafhankelijk is van de materiële noodzaak en zich volop als mens kan ontplooien.

Marx sterft op 64-jarige leeftijd in Londen, nadat zijn vrouw en dochter hem zijn voorgegaan. Op zijn grafsteen staat de slotzin van het Communistisch Manifest: ‘Arbeiders aller landen verenigt U’.

Zijn verwachte revolutie heeft uiteindelijk ook ten dele plaatsgevonden, maar zijn beoogde communisme liep helaas uit op wrede onderdrukking.