Home Levenskunst Genieten van het leven is zo makkelijk nog niet
Levenskunst

Genieten van het leven is zo makkelijk nog niet

Waarom zou niet ieder van zijn leven een kunstwerk maken? Deze vraag van Foucault inspireert Joep Dohmen tot een pleidooi voor een stijlvol leven.

Door Joep Dohmen op 10 juni 2016

Epicurus filosoof hedonisme

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Er wordt vaak gedacht dat ik de lof zing van exquise wijnen, luxegerechten en driesterrenrestaurants. Maar dat is een misverstand. Mijn beste gastronomische herinnering is die aan een aardbei uit de tuin van mijn vader. Een hedonist beleeft veel plezier aan het eten van dingen, maar niet omdat ze duur zijn. Een truffel kan evenveel genot geven als een hamburger met veel ketchup. […] Het gaat mij om het pure plezier van het bestaan. De kunst van het hedonisme zit hem in het drinken van een glas water.
– Michel Onfray

In de verfilming van zijn boek De troost van de filosofie (2000) wandelt Alain de Botton onder de stralende Turkse zon door het voormalige Oinoanda, ongeveer honderd kilometer ten westen van de stad Antalya. Te midden van honderden rotsblokken liggen daar de resten van een bijna tachtig meter lange, ruim drie meter hoge muur. Op deze muur heeft een bemiddelde inwoner, Diogenes van Oinoanda, omstreeks 120 na Christus in vijfentwintigduizend roodgeverfde woorden de complete hedonistische filosofie van Epicurus laten aanbrengen.

Met aanstekelijk enthousiasme verhaalt De Botton over de wijze levenslessen van Epicurus en over de bedoelingen die zijn navolger Diogenes van Oinoanda met deze muur moet hebben gehad. Hij ziet die muur als een belangrijke vorm van tegencultuur. Diogenes heeft reclame gemaakt voor het eenvoudige en ware geluk dat verstandig genieten samen met vrienden je bezorgt. Dat is nog eens wat anders dan wat de hedendaagse billboards laten zien. Wij hebben, aldus De Botton, geen gebrek aan verleidelijke plaatjes van luxegoederen en weelderige landschappen, maar helaas wel aan die van doodgewone omgevingen en mensen. ‘We worden bepaald niet aangemoedigd om het te zoeken in de kleine genoegens – spelend met een kind, een gesprek met een vriend, een middag in de zon, een opgeruimd huis, vers brood met kaas.’ Midden in de Engelse stad Liverpool plaatst De Botton een groot reclamebord waarop een fraai Engels landhuis staat afgebeeld. Het onderschrift luidt: ‘Happiness not included.’

De hedonistische levenskunst zoekt naar een manier om optimaal van het leven te genieten, wat minder eenvoudig is dan het lijkt. Een avondje doorzakken kan betekenen dat je de volgende dag met een kater op bed moet blijven en niet kunt genieten van de stralende zomerdag. Het hedonisme kent verschillende varianten. De klassieke variant is die van Epicurus. Genieten staat centraal, maar doe het wel kalm en verstandig. Een actuele variant is de geluksleer van de sociaal wetenschapper Ruut Veenhoven. Hij opteert niet voor een groots en meeslepend leven, maar voor gewoon geluk, een prettig, aangenaam leven. De hedonistische levenskunst van Onfray is de meest radicale variant. Hij verlangt naar een vitaal, bruisend genot, zelfs al moet je daarbij een hoop ellende op de koop toe nemen.  

Verstandig genieten

Epicurus (341-270 v.Chr.) is de vader van de hedonistische levenskunst. Hèdonè betekent genot of lust – en deze leer werd in de Tuin van Epicurus onderwezen en gepraktiseerd. Samen met vrienden leren genieten en intussen niet bang zijn voor de dood of voor de goden, dat was de gemeenschapsmoraal van deze commune. Epicurus moet een zeer aimabel mens geweest zijn. Hij leed aan een ernstige maagkwaal die hem veel pijn bezorgde en tot grote matigheid dwong.

In zijn Brief over het geluk benadrukt Epicurus de doorslaggevende rol van genot als richtsnoer voor een goed leven: Lust is het uitgangspunt en doel van het gelukkige leven. Lust hebben we leren kennen als het belangrijkste goed dat van nature bij ons past, […] lust nemen we als we oordelen wat goed is. Het wezenlijkste van de mens is volgens Epicurus het vermogen om pijn te lijden en lust of genot te ervaren. Het gaat hem om geluk en dat wordt bepaald door genot en afwezigheid van pijn. Onze zintuigen zijn de enige betrouwbare bronnen voor ons welzijn en genot. Ons verstand moet dan helpen om die informatie te sorteren. Genieten is eigenlijk heel eenvoudig: het gaat niet om rijkdom, eer of roem, maar enkel om het afwezig zijn van pijn of onlust. Epicurus’ hedonistische moraal is een pleidooi voor gemoedsrust en soberheid: Het gelukkige leven wordt niet tot stand gebracht door drinkgelagen en voortdurende feesten, noch door het genieten van jongens en vrouwen, of het eten van vissen en andere spijzen die de luxueuze tafel ons biedt, maar door een nuchter denken dat enerzijds de gronden onderzoekt van elk kiezen en vermijden en anderzijds de ongefundeerde meningen uitbant op grond waarvan de grootste onrust zich van onze geest meester maakt.  

De hedonistische calculus

In de hedonistische ethiek van Epicurus speelt het verstand een grote rol. Het verstand moet onderscheid zien te maken tussen de verschillende soorten verlangens om te komen tot zo duurzaam mogelijk genot. Geen enkel genot is op zichzelf slecht, aldus Epicurus. Maar in sommige gevallen levert het genot problemen op die vele malen zwaarder wegen dan het genot zelf. Soms kiezen we dan ook pijn boven genot als dat uiteindelijk tot meer genot leidt. Met je verstand kun je afwegen, een soort ‘hedonistische calculus’ maken ten aanzien van je verlangens. Epicurus maakt daartoe onderscheid tussen drie soorten verlangens:

 • De natuurlijke en noodzakelijke verlangens: de elementaire levensbehoeften die over het algemeen gemakkelijk te bevredigen zijn. Om bijvoorbeeld de honger te stillen, is niet meer nodig dan wat brood, om de dorst te lessen niet meer dan wat water.
• De natuurlijke maar niet noodzakelijke verlangens: bijvoorbeeld het verlangen naar een rijk maal of de seksuele begeerte. Ze verschaffen wel genot, maar geen extra genot. Ze kunnen hoogstens voor wat variatie zorgen en bovendien vurige, buitensporige hartstochten met zich meebrengen.
• De niet-natuurlijke en niet-noodzakelijke verlangens: lege verlangens die niets dan kortdurende genietingen verschaffen. Ze leveren uiteindelijk juist pijn op, omdat we er altijd maar meer van willen. Hiertoe rekende Epicurus de verlangens naar eer en roem.

De hedonistische calculus van Epicurus houdt in dat je kiest voor een sober, ascetisch leven waarin alleen de natuurlijke en noodzakelijke verlangens vervuld worden. De natuurlijke maar niet-noodzakelijke verlangens worden zo beperkt mogelijk gehouden. De niet-natuurlijke en niet-noodzakelijke verlangens worden zoveel mogelijk onderdrukt. Duurzaam genot wordt dan verkregen doordat het verstand onderscheid maakt tussen de verschillende verlangens die het lichaam ondervindt en op basis daarvan zijn keuzes maakt. Epicurus is dus helemaal niet de profeet van het zwelgen, maar eerder de filosoof van het verstandige, weloverwogen genieten. Hij pleit voor het onderdrukken van verkeerde verlangens en voor een ascetische levensstijl. De dichteres Ida Gerhardt heeft het hedonistische ideaal van Epicurus prachtig verwoord:

Tuin van Epicurus

Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
De geest beheerst als willig instrument
het lichaam, tot die fiere dienst gewend;
gevoed met zuiver water, zuiver brood.
Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
Besloten schikt zich in der uren kring
naar strikte trant tot rust en ordening
wat ons het denken, vrijuit zwervend bood.
Wij kozen soberheid tot bondgenoot.
Wij arbeiden in zwijgen en geduld;
de dag is als een honingkorf gevuld
en vriendschap is in onze tuin genood.
Wij kozen soberheid tot bondgenoot, –
en uur na uur draagt ons zijn gave aan,
wij rijpen als de vruchten, als het graan
in ’t goede leven tot de goede dood.

Prettig leven

Het actuele hedonisme wordt het meest expliciet aangetroffen in geluksstudies van utilistische huize. Een bekende variant is het ‘prettig leven’ van de sociaal wetenschapper Ruut Veenhoven, tevens hoofdredacteur van het tijdschrift Journal of Happiness Studies. Veenhoven is een verre nazaat van Epicurus, maar veel minder zuinig. Hij hanteert de volgende definitie: ‘Levenskunst is het vermogen om een vorm aan het bestaan te geven waarbij men zich prettig voelt.’ Je streeft naar een leven waarin je je duurzaam prettig voelt en laat je niet gek maken door bijvoorbeeld reclameboodschappen die zeggen dat er meer is.

Wat is voor Veenhoven de ‘kunst’ van een goed leven, als we eigenlijk alleen maar de eigen behoeften hoeven te volgen? Onze moderne verlangens en behoeften zijn complexer en diffuser dan vroeger. Dat komt door een heleboel factoren: de consumptiemaatschappij, de moderne keuzebiografie, de veelheid aan levensstijlen en het feit dat mensen langer leven. De kunst is tegenwoordig om een passende levensstijl te vinden waarbij je redelijk aan je trekken komt. Je kunt kiezen uit het culturele aanbod en daar je eigen variant uit samenstellen. Heb je eenmaal gekozen, dan ga je vervolgens na of het gekozen patroon ook echt de behoeften bevredigt en tot aangename gevolgen leidt.

Hoe kunnen we zo’n passende levensstijl kiezen? Veenhoven ontwikkelt in zijn essay ‘Leuk levenskunst’, opgenomen in de bundel Over levenskunst (Dohmen 2002), de volgende geluksfilosofie in vijf stappen:

• Weten wat er mogelijk is in het leven.
• Bepalen welke levenswijzen zouden kunnen passen bij de eigen aard.
• Weerstand kunnen bieden aan opgelegde (reclame)beelden en adviezen.
• Coaching, training en vorming ondergaan ter versterking van het keuzevermogen.
• Mensen ondersteunen bij de realisering van hun keuzes.

Veenhoven is weliswaar geen ‘traditioneel’ epicurist, maar daar staat tegenover dat hij geluk definieert als een duurzaam aangenaam leven. Het criterium daartoe is een soort gut feeling: je moet je wel prettig voelen. Dat komt toch weer erg dicht bij de epicureïsche gemoedsrust. Om die te bereiken hoef je geen supermens te zijn, maar je moet wel oppassen want bijvoorbeeld reclame wekt zomaar verkeerde verlangens. De muur van Diogenes van Oinoanda waarop de hele epicurische filosofie geschilderd stond, was zo gek nog niet. Verstandig kiezen blijft het parool.

Een beslissend verschil is wel Veenhovens begrip ‘pasvorm’: dat wijst erop dat een modern hedonist geen klassiek hedonist meer kan zijn. Het moderne individu is een subject geworden dat zelf beschikt, maar dat bovendien een eigen morele identiteit nastreeft. Die blijkt niet meer van nature gegeven. Verlangens worden voortaan mede naar subjectieve maatstaven kwalitatief gewogen en getoetst, ze moeten bij iemand passen.

Vitaal genot

Wellicht is het geen toeval dat het bourgondische Frankrijk een andere hedonistische filosoof heeft voortgebracht dan het calvinistische Nederland. De eerdergenoemde Franse filosoof Michel Onfray (1959) heeft niets op met het epicurisch hedonisme. Zijn hedonisme draait om een bruisend, intens genot. Onfray is een duizendpoot. Hij is schrijver, filosoof, lekkerbek, kok, expatiënt, onderwijzer, stichter van een Volksuniversiteit, reiziger, eclecticus en bovenal: de moralist van het genot. Op de beroemde vraag: wat is het goede leven? is volgens Onfray maar één juist antwoord: je moet genieten, echt genieten.

In 1987 kreeg hij op achtentwintigjarige leeftijd een hartaanval – maar dat feit was voor hemzelf de miraculeuze start van zijn filosofische carrière. Waar een maagkwaal Epicurus tot matigheid dwong, daar was de confrontatie met zijn eigen kwetsbaarheid voor Onfray het startsein voor een moraal van intens genot.

Onfray is een veelschrijver. Hij schreef onder andere De buik van de filosoof (1989), een culinaire biografie van enkele grote filosofen. De eigenlijke trend van Onfrays hedonistische filosofie zet in met de boeken De kunst van het genieten (1991) en Levenskunst. Naar een esthetische moraal (1996). Zijn meest literaire en beste boek is Vulkanisch verlangen (2002). Het lichaam, het leven en het lijden (2004) opent met een dramatisch essay over de borstkanker van zijn levenspartner Marie Claude. In 2001 publiceerde Onfray zijn Antihandboek voor de filosofie, en momenteel werkt hij aan een veelomvattende Antigeschiedenis van de filosofie. Filosofie is meestal het resultaat van een ascetisch ideaal, maar niet bij Onfray: de filosofen zouden eindelijk eens moeten leren om ‘ja’ te zeggen tegen het leven.

Epicurus was de filosoof van het verstandige genieten. Er zijn twee soorten kritiek op dit hedonisme geweest: critici van het genot en critici van het gebrek aan genot. Tot die laatsten behoren onder meer Aristippos, de Cyrenaeïci en, vele eeuwen later, de achttiende-eeuwse aanhangers van Markies de Sade. Michel Onfray was een fel criticus van Epicurus en koos partij voor Aristippos: Het epicurische genot bestaat eenvoudig uit het vermijden van het lijden: het is iets negatiefs en reactiefs – genieten, dat is niet-lijden – terwijl dat van de Cyrenaeïci positief en actief is. De eersten mikken op de onverstoorbaarheid van het lijk, de anderen op de uitbundigheid van het leven.

In De kunst van het genieten omschrijft Onfray het programma van het ‘ware’ hedonisme: In het centrum van de hedonistische preoccupaties vindt men het lichaam terug. Het lichaam wordt de zorg van de moraal: hoe moet je ermee omgaan? Welke vrijheden toestaan aan het verlangen dat erin huist? Welke uitwegen voor het genot dat opwelt? Welke gelukzaligheden, extases, jubelstemmingen voor de ziel die in de materie woont, in het hart ervan?

De hedonistische filosofen vieren het feest van de zintuigen, zij verwaarlozen er niet één, scherpen de door de lichaamsverachters meest veronachtzaamde en meest geminachte. Zij weten hoe ze moeten ruiken, proeven, voelen, ademen, horen, kijken, en beleven vreugde aan het laten functioneren van die subtiele mechanismen waardoor de wereld zich kan manifesteren in vormen, dampen, volumes, kleuren, geuren, geluiden, temperaturen. Het zintuiglijke is sensueel, de buitenkant van de werkelijkheid verdient aandacht. Onfray is de voorvechter van het vitale genot, de verdediger van het gelukkige lichaam. Zijn hedonisme is een kruising van zinnelijkheid en nietzscheaans vitalisme: profiteren van het moment dat zich aanbiedt, zonder je zorgen te maken om het verleden; je levenslust bewaren, je beweging en je energie. Het gaat Onfray niet om het genieten van de consumptiemaatschappij, maar om de aanvaarding en omarming van het bestaan tot in het allerkleinste detail. Zijn levensmotto is een citaat van de achttiende-eeuwse schrijver Nicolas Chamfort: ‘Geniet en laat genieten.’  

Hedonistisch leven als kunstwerk

Wat is nu ‘het leven als kunstwerk’ naar hedonistische maat: een verstandig leven, een prettig leven of een vitaal leven? Wie gemoedsrust zoekt, kan het beste voor Epicurus kiezen. Wie voor de balans gaat, kiest voor Veenhoven. En wie intensiteit zoekt, gaat bij Onfray te rade.

Epicurus zet nogal laag in, althans naar moderne maatstaven. Men noemt zijn genotsleer niet voor niets ‘de ethiek van de spaarbrander’. Onfray zet juist erg hoog in: wat hem niet doodt, maakt hem sterker. Veenhoven veronderstelt in zijn geluksleer een niet hedonistisch criterium voor wat passend is.

De utilist Jeremy Bentham (1748-1832) voorzag al zulke problemen en heeft daarom een hedonistische calculus ontwikkeld. De Schaal van Bentham is een poging om het grootst mogelijke overwicht van de goede over de kwade gevolgen van ons handelen objectief vast te stellen, en daarmee de verschillende maten van vreugde objectief te kunnen wegen. Bentham weegt de volgende factoren mee: de sterkte van het genot, de duur, de zekerheid dat genotvolle vreugde echt ervaren wordt, de effectiviteit of productiviteit, de onvermengdheid van de vreugde, en de omvang ervan: hoeveel mensen hebben er deel aan?

Genieten als levensstijl blijkt helemaal niet zo gemakkelijk te zijn. Het dichtst in de buurt van het hedonistische leven als kunstwerk, komt diegene die zijn verlangens goed onderzoekt en er de Schaal van Bentham het beste op toepast.