Home Niet-westerse filosofie De man die alles wilde weten
Niet-westerse filosofie

De man die alles wilde weten

Door Geertje Dekkers op 06 januari 2020

De man die alles wilde weten
Cover van 01-2020
01-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

Hij schreef over filosofie, recht, geneeskunde en heel veel meer. Middeleeuwer Avicenna had een ongekende intellectuele honger en beïnvloedde eeuwenlang het denken in het Midden-Oosten en Europa. 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Nooit sliep de jonge Aboe Ali al-Hoessein ibn-Abdoellah ibn- Sina Buchari een nacht door. De tiener was zo druk met lezen en nadenken, met het verwerken van ideeën, dat een gewone nachtrust er niet in zat. Er was gewoon te veel te leren en er waren te veel vragen te beantwoorden. Als de boeken van oude filosofen de jongen niet verder hielpen, verlichtte hij zijn geest met wijn en gebeden, totdat hij een inzicht kreeg.

Zo legde Ibn Sina, in het Westen beter bekend als Avicenna, de basis van zijn rijke filosofische leven – volgens zijn eigen vertelling tenminste. Vanaf zijn jonge jaren hield hij zich bezig met geneeskunde, recht, logica, wiskunde en vrijwel alle andere disciplines die de denkers van zijn tijd belangrijk vonden. Aan elk van die domeinen voegde hij eigen ideeën toe, en dat maakte hem tot een van de belangrijkste middeleeuwse denkers.
 

Turbulent bestaan

Avicenna werd rond 980 geboren in het plaatsje Afshana en groeide grotendeels op in het nabijgelegen Bukhara, in hedendaagse Oezbekistan. Het gebied waar hij woonde viel onder de Perzische Samaniden-dynastie, die indertijd op haar laatste benen liep. Avicenna’s hele leven lang zou het politiek onrustig zijn in de regio, en omdat zijn leven nauw verweven was met dat van de leiders, was ook Avicenna’s eigen bestaan turbulent. De ene verhuizing volgde op de andere, gestuurd door de machtswisselingen. Steeds ging Avicenna op zoek naar een veilige plek.

Zijn vader, een hoge ambtenaar van de Samaniden, was mogelijk een aanhanger van het ismaïlisme, een sjiitische stroming. Dat was riskant onder de soennitische Samaniden, maar voor de jonge Avicenna had de religieuze richting van zijn vader ook een voordeel. Ismaïlieten hielden zich bovengemiddeld veel bezig met filosofie, wiskunde en aanverwante zaken. Het pientere kind werd dus waarschijnlijk al van jongs af aan intellectueel gestimuleerd. In elk geval werd hij al vroeg naar een plaatselijke groenteboer gestuurd, die hem de Indiase cijfers onderwees, het cijfersysteem dat wij kennen als Arabisch omdat het via de Arabische wereld naar Europa kwam. Het systeem werd geliefd onder rekenaars en wiskundigen, onder andere omdat het de nul had, een bijzonder praktische innovatie.

Avicenna vond zijn filosofische leermeester minder snugger dan zichzelf, dus leerde hij vooral zelfstandig

Behalve rekenles kreeg Avicenna ook onderwijs in de Koran, en volgens zijn eigen levensbeschrijving had hij die op zijn tiende helemaal onder de knie. Er volgden lessen van een filosoof, maar die was volgens Avicenna minder snugger dan hijzelf, dus las en leerde hij in zijn tienerjaren vooral zelfstandig. 

Zijn leraar vertrok en Avicenna studeerde verder, vooral in de geneeskunde. Hij las werken van de Grieks-Romeinse arts Galenus, want klassieke teksten waren een belangrijke basis onder de Arabische geleerdheid van zijn tijd. Razendsnel verzamelde hij op dat terrein wijsheid en rond zijn zestiende behandelde hij patiënten – met succes. Al snel kwamen andere artsen bij hem om raad – opnieuw volgens zijn eigen verhaal.
 

Aristoteles en de Koran

Daarmee was Avicenna nog niet tevreden, want toen volgde de bezeten studeerperiode waarmee dit verhaal begon en waarin hij zich vooral bezighield met logica en filosofie. Hij zette snel grote stappen vooruit, maar op één terrein kwam hij niet verder. Avicenna kon niets met metafysica, de tak van filosofie die zich bezighoudt met fundamentele vragen zoals de kwestie wat ‘zijn’ eigenlijk inhoudt, of wat eenheid is. Hij bestudeerde deze filosofie via het werk van Aristoteles, die hij maar niet begreep. Veertig keer las hij diens Metafysica, vertelde hij later; hij kende het boek vrijwel uit zijn hoofd, maar hij doorgrondde het niet – waarschijnlijk omdat hij de theorie niet op één lijn kreeg met de islam waarmee hij was opgevoed, maar die ver van Aristoteles’ leefwereld af stond.
Alles werd duidelijk toen hij een verhandeling in handen kreeg van al-Farabi, een twintig jaar oudere geleerde, die hem duidelijk maakte dat Aristoteles’ ideeën en de Koran goed samen konden gaan. Avicenna werkte al-Farabi’s ideeën verder uit en paste klassieke denkers als Aristoteles, maar vooral ook Plato in in een islamitisch wereldbeeld. Daar lag een belangrijk deel van zijn intellectuele erfenis, die zich ook buiten de islamitische wereld verspreidde. Zo zou de grote christelijke theoloog Thomas van Aquino in de dertiende eeuw veel van zijn denkwerk gebruiken, om de oude filosofen te verzoenen met het christendom, dat immers veel overeenkomsten had met de islam.

Zes eeuwen later presenteerde Descartes een godsbewijs dat in de kern vergelijkbaar is met dat van Avicenna

Avicenna bedacht ook een godsbewijs, dat begon met een redenering die sterk deed denken aan Aristoteles. In iets versimpelde versie verliep die redenering als volgt: onze waarnemingen maken ons duidelijk dat er dingen zijn. Die dingen moeten een oorzaak hebben. En ook van die oorzaken moet weer een oorzaak bestaan enzovoort. Maar die keten van oorzaken kan niet oneindig doorgaan, vond Avicenna, en ooit eindigt hij bij de eerste oorzaak van alles, die zelf geen oorzaak heeft. 

Tot zover klonk de redenering aristotelisch; daarna nam de filosoof een islamitische afslag. Want die laatste, niet-veroorzaakte oorzaak van alles was volgens Avicenna zijn God, de Schepper. Die werd de basis van zijn metafysica. Later zouden christelijke denkers hem daarin volgen en het bestaan van God op vergelijkbare manier bewijzen. 

Ook andere ingevingen van Avicenna doen denken aan redeneringen die eeuwen later in Europa zouden klinken. Het zwevende-man-gedachte-experiment bijvoorbeeld, dat begon met een mens die zomaar ineens ontstond, zwevend in de lucht, zonder zijn lichaam te voelen of iets anders waar te nemen. Zelfs die persoon, zo redeneerde Avicenna, zou zich realiseren dat hij bestond. Of exacter geformuleerd: dat zijn ziel er was.

Zo’n zes eeuwen later zou René Descartes een redenering opzetten die er in eerste instantie anders uitzag, maar in de kern vergelijkbaar was. Die (beroemde) redenering begon met twijfel aan alles – ook aan het bestaan van Descartes’ eigen lichaam. Misschien was het lijf dat hij voelde wel het resultaat van zinsbegoocheling. 

Hoe hij ook twijfelde, hij kon niet ontkennen dat er iets was dat twijfelde: een ik, of een ziel. Zijn conclusie was dus dezelfde als die van de zwevende man die niets voelde of zag, en zich toch bewust was van zichzelf. Dat zelf, dat ik, of die ziel was voor allebei de filosofen fundamenteel anders dan het lichaam.
 

Medisch standaardwerk

Naast dit soort abstracte beschouwingen bleef Avicenna zich bezighouden met veel concreter zaken, zoals de behandeling van zieken. Een van hen was de Samanidische emir Nuh ibn-Mansur, die hem op zijn achttiende aanstelde als hofarts. Dankzij die baan kreeg Avicenna toegang tot de koninklijke bibliotheek, met een weelde aan poëzie en vakliteratuur in allerlei disciplines. Bijna elk bekend boek stond daar en Avicenna maakte er dankbaar gebruik van om zijn kennis nog verder te verdiepen.
Intellectueel was het een mooie tijd daar aan het hof, maar er kwam een einde aan toen de Samaniden begin elfde eeuw het laatste restje van hun macht kwijtraakten. Voor Avicenna begon de hierboven aangekondigde reeks verhuizingen van het ene hof naar de andere stad, waar hij afwisselend diende als jurist, hoge ambtenaar en arts. 

Tussendoor las, dacht en schreef hij door, onder andere aan zijn Canon van de geneeskunde. Dat was een vijfdelig naslagwerk vol medische inzichten, gebaseerd op ideeën van Plato, Aristoteles, de antieke artsen Hippocrates en Galenus en vroege islamitische artsen. Hun theorieën vulde Avicenna aan met zijn eigene ervaringskennis en hij combineerde alles tot een samenhangend en bruikbaar geheel. 

Zijn Canon legde de menselijke anatomie uit, en de werking van het menselijk lichaam – voor zover Avicenna die begreep. Er stonden overzichten in van afwijkingen en instructies om systematisch de oorzaak van klachten te achterhalen. Daarnaast bevatten de boeken suggesties voor medicijnen en overige behandelmethoden. Eeuwenlang zouden zowel islamitische als christelijke en joodse artsen vertrouwen op (vertalingen van) dit standaardwerk.

Avicenna behandelde ook zichzelf, deels met succes. Zo bestreed hij ernstige hoofdpijn met koude kompressen. Maar toen hij in 1034 last kreeg van kolieken, greep hij al te drastisch in. Het was (weer eens) oorlog en in de haast om beter te worden en zichzelf in veiligheid te kunnen brengen, gaf Avicenna zichzelf acht klysma’s op één dag. Daar werden zijn ingewanden niet gezonder van en in zijn laatste jaren, die hij doorbracht in Isfahan in huidig Iran, had hij ernstige last van zijn buik. Een zoveelste koliek werd hem in 1037 fataal.