Home Filosofie en literatuur De literaire zone: Antigone
Filosofie en literatuur

De literaire zone: Antigone

Door Ger Groot op 21 februari 2005

02-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

‘In de moderne tijd is het menselijke drama verschoven van de wereld naar het hart’, toont Kierkegaard in zijn herschrijving van de meer dan tweeduizend jaar oude tragedie van Antigone.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Totdat de roman de tragedie van haar plaats verdrong, was ze de belangrijkste literaire inspiratiebron van de filosofie. En van alle tragedies was Sofokles’ Antigone de meest geliefde. Misschien omdat de essentie van het tragische daarin zo compact is samengebald. Antigone wordt verscheurd door het door de heerser Kreon uitgevaardigde verbod haar broer Polyneikes te begraven, en het goddelijk gebod van piëteit jegens de familie. Zij kan geen kant meer op. Wat ze ook doet, ze komt in strijd met de wet van de staat óf van de goden. Ze kiest uiteindelijk voor dat laatste en zal door Kreon ter dood worden veroordeeld, waarna ze zelfmoord pleegt.

Kreon komt er in de meeste commentaren dan ook slecht vanaf. Hij is de verblinde tiran die in zijn heerszucht over lijken gaat – zelfs die van zijn eigen nicht Antigone. Kreon had het dan ook niet gemakkelijk. De stad Thebe had zojuist een burgeroorlog achter de rug, waarin de beide zonen van de voormalige koning Oidipous elkaar de macht hadden betwist. Polyneikes was zelfs met behulp van vreemde machten tegen de stad opgetrokken en beiden waren in die strijd gevallen. Kreon moest als kersverse heerser uit een zijtak van de familie nog maar bewijzen dat hij de macht aankon. Testcase werd het lot van Polyneikes, de ‘landverrader’ wiens lijk buiten de stadsmuren aan weer en wind was prijsgegeven.

Waarom Antigone de handschoen opneemt en haar broer provocatief en zelfs tot twee keer toe begraaft wordt nooit helemaal helder. Zelfs het volk van Thebe begrijpt er weinig van en bekritiseert haar even hard als het haar lot beklaagt. Maar dramatiek school er wel in de verbeten overmoed waarmee la belle de strijd aanbond met la bête. Het maakte haar tot het zinnebeeld van de geslachtofferde rechtvaardigheid en onschuld en het was geen wonder dat menige filosoof een beetje verliefd op haar werd.

De Deense denker en schrijver Søren Kierkegaard maakte van die verliefdheid geen geheim, toen hij in zijn dikke essaybundel Of/of uit 1843 Antigone als voorbeeld nam om uit te leggen waarin het menselijk bestaan in de oude tijden verschilde van dat van de modernen. Toch laat hij haar niet ongeschonden. Hij introduceert haar als een mengsel van Sofokles’ personage en zijn eigen verbeeldingskracht. ‘Ze is mijn werk,’ schrijft hij, ‘nochtans zijn haar contouren zo vaag […] dat elk van u verliefd op haar kan worden.’ De antieke Antigone wordt door hem omgevormd tot haar eigen moderne dubbelgangster.

Doem

Tussen de mythische tijd waarover Sofokles schrijft en Kierkegaards negentiende eeuw zijn mensen andere wezens geworden. Verdwenen is de voorrang van de familie boven het individu, die in de Oidipous-sage zo’n grote rol speelt. Het hele geslacht waarvan Antigone de laatste heldin is, staat onder een doem die hen keer op keer tot wandaden drijft – of zij dat nu willen of niet. Oidipous, door zijn eigen vader dood gewenst, doodt hém op zijn beurt en huwt zijn moeder. Zijn zoons slachten elkander af. En ook zijn dochter Antigone is ten ondergang gedoemd, getroffen door de vloek van haar afkomst.

Haar wezen, zo stelt Kierkegaard vast, valt als het ware samen met die van haar geslacht, waarvan ze zich niet kan losmaken. Dat betekent echter wel dat ze voor haar eigen lot nauwelijks nog verantwoordelijk kan worden gehouden. Wat zij is en wat haar overkomt, is immers niet door haar gekozen, ook al moet ze de consequenties ervan ondergaan. De antieke Antigone is schuldig zoals de christelijke traditie mensen geboren zag worden met de schuld van de erfzonde, louter omdat zij behoorden tot het mensengeslacht.

De moderne tijd accepteert zo’n collectieve doem en schuld niet meer. Ze wil het individu alleen verantwoordelijk gesteld zien voor de daden die het zelf bewust heeft verricht, maar daarvoor is het dan ook volledig verantwoordelijk. Hoe zwaar die last kan worden, zou een eeuw later duidelijk worden in de beroemde woorden van Kierkegaards existentialistische erfgenaam Jean-Paul Sartre: ‘Wie kiest, kiest voor alle mensen.’ Dat wil zeggen: op onze schouders rust de verantwoordelijkheid voor de hele wereld, louter vanwege het feit dat wij daarin verkiezen te leven.

Geweten

Het morele gehalte van ons bestaan wordt niet meer afgelezen aan wie wij zijn – qua afkomst, status, natie, etc. -, maar aan wat wij doen, of beter nog: aan wat wij willen. Goed en kwaad zijn eigenschappen van onze intenties geworden, zoals Immanuel Kant aan het einde van de achttiende eeuw al had betoogd. Dat betekent dat ons morele drama elke uitwendigheid verliest. Schuld en onschuld worden louter inwendige aangelegenheden, waarvan het gewicht echter onbarmhartig op ons geweten rust. Over het morele gehalte van de persoon die wij zijn wordt beslist op het innerlijke toneel van ons bewustzijn, dat uitsluitend toegankelijk is voor onszelf en misschien voor het oog van God.

Kierkegaard maakt van Antigone zo’n modern individu en daartoe moet hij haar een inwendigheid meegeven die haar antieke tegenhangster niet bezat. Haar tragedie is geen zichtbaar drama dat uitgevochten wordt in en met de wereld, maar een innerlijke strijd waarvan niemand weet heeft. Het is een geheim, terwille waarvan Kierkegaard de mythe van Antigone’s vader moet herschrijven. Oidipous, doder van de sfinx, blijft bij hem de gevierde redder van zijn vaderstad, wiens wandaad – zijn huwelijk met zijn eigen moeder – niet door de goden met een pestepidemie gewroken wordt. Alleen Antigone weet hoe de vork in de steel zit. En die wetenschap vormt op haar inwendige toneel haar nieuwe tragedie.

Voor dat geheim is Antigone verantwoordelijk, want loslippigheid zou haar vaders reputatie en in het verlengde daarvan de staat zelf vernietigen. Zij leeft met en voor dat geheim, dat ze zelfs niet met haar vader delen kan, want ze weet niet of hij het weet. Maar dan wordt zij op haar beurt verliefd en eist de lotsverbondheid zonder welke de negentiende-eeuwer Kierkegaard zich geen ware huwelijkstrouw kan voorstellen, dat zij haar hart opent voor haar geliefde. En daarmee raakt ook zij, naar goed tragisch recept, bekneld tussen twee plichten, waarvan elk de verloochening van de ander inhoudt.

In de moderne tijd is het menselijke drama verschoven van de wereld naar het hart, zo maakt Kierkegaard met deze nieuwe Antigone-tragedie duidelijk. Het moderne individualisme heeft ons verlost van een erfschuld waaraan wij als individu niets konden doen, maar heeft ons tegelijk opgezadeld met nieuwe, onbarmhartiger dilemma’s. Terug naar oude tijden kunnen we niet, alleen maar vooruit, door en over het moderne schuldbesef heen, waarvoor Kierkegaard als protestant zo’n vlijmscherp zintuig had.

De enige uitweg die de mens nog openstaat is de sprong naar God, zo betoogde Kierkegaard keer op keer. Die geloofsbeslissing was absurd, zo erkende hij, maar onontkoombaar voor wie vermalen dreigde te worden door de tragedie van het moderne geweten. Die redding viel buiten zijn hervertelling van Antigone’s tragedie, misschien omdat ze geen tragedie meer geweest zou zijn, maar een absurdistische komedie, ergens tussen Dante en Beckett in.