Home Buren
Psyche

Buren

Door Frans Jacobs op 13 maart 2013

08-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
‘Burenruzies zullen vaak wel hun aanleiding vinden in een reële grief, maar hebben vervolgens de neiging om een eigen leven te gaan leiden en geheel uit de hand te lopen.’ Ethicus Frans Jacobs over zijn én onze buren.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een van de merkwaardigste stadjes van Toscane is San Gimignano. Hoge torens domineren daar het stadsbeeld, overblijfselen van laat-middeleeuwse burenruzies. Oorspronkelijk hadden die ruzies een rationele aanleiding (iets met de Guelfen en de Ghibellijnen, met de paus en de keizer), en diende de hoogte van die torens een strategisch doel: zo kon je de vijand beter bestoken. Op den duur wist niemand meer waarover die ruzies eigenlijk gingen, en wilde je alleen maar dat jouw toren hoger was dan die van je buurman, met wie je geen andere taal sprak dan die der torens. Dat streven werkt zichzelf uiteraard tegen, want zo’n toren wordt ooit zo hoog dat hij in elkaar stort. Dat is in San Gimignano dan ook gebeurd: van de eens tweeënzeventig torens zijn er nog dertien over, in wisselende staten van verval. (In Siena moeten ooit meer dan honderd van die torens hebben gestaan; er is er geen enkele meer van over.)

In Nederland doen we het meestal anders, al heeft zich hier eens een geval voorgedaan dat er in de verte op lijkt, en dat tot driemaal toe de Hoge Raad heeft gehaald. Iemand zette een wanstaltige stellage in zijn tuin, teneinde zijn buren hun fraaie uitzicht te ontnemen. Na veel soebatten oordeelde de HR dat het ding er alleen toe diende om de buren te pesten, en dat mocht niet. Geen nood, buurman zette er een watertoren voor in de plaats. Ook die kon de toets der opperrechterlijke kritiek niet doorstaan: het gedrocht was niet aangesloten op de waterleiding. Toen dat ten slotte toch gebeurde, vond de Hoge Raad het welletjes: het was nu dan wel een echte watertoren geworden, maar blijkbaar had die geen ander doel dan om de buren dwars te zitten. Dat was misbruik van eigendomsrecht. Weg die toren.

 

In de jurisprudentie krijgt alleen boze buurman enig reliëf. Wat we niet te horen krijgen, is waarom hij het zozeer gemunt had op zijn buren dat hij hun die toren in de maag splitste. Misschien hadden die ooit zijn poes vergiftigd, wat je natuurlijk nieuwsgierig maakt naar wat er eerder allemaal was gebeurd. Waarschijnlijk lag de aanleiding tot het geruzie in een of andere trivialiteit die de betrokkenen zich niet eens meer kunnen herinneren. Zoiets zal ook wel het geval zijn geweest bij die arme ‘Zutphense juffrouw’ wier gedrag aankomende juristen te bestuderen krijgen. Het verhaal speelt zich af in 1910. Op een nacht springt bij Nijhuis de waterleiding. Hij kan de hoofdkraan niet afsluiten, aangezien die zich bevindt bij de bovenbuurvrouw, die Nijhuis echter niet van dienst wil zijn. Als de politie haar tot enige medewerking maant, is het al te laat: Nijhuis’ voorraad lederwaren is onherstelbaar beschadigd. In dit geval heeft de Hoge Raad nog geoordeeld dat de waterjuffrouw niet onrechtmatig handelde, aangezien de wet niet stipuleert dat je in zo’n geval een wettelijke rechtsplicht hebt tot hulpverlening. Een paar jaren later heeft de Hoge Raad de criteria wijselijk verruimd: er is al sprake van een onrechtmatige daad wanneer je handelt of nalaat in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt. Maar wat we uit de leerboeken dus niet te weten komen is waarom de waterjuffrouw Nijhuis zo onheus bejegende. Misschien had die haar allerlei oneerbare voorstellen gedaan. Dat verbiedt volgens de heren van de Hoge Raad het ongeschreven recht blijkbaar niet, en dus liggen de grieven van de Zutphense juffrouw begraven in de schoot der geschiedenis.
 
Burenruzies: ze zullen vaak wel hun aanleiding vinden in een reële grief, maar hebben vervolgens de neiging om een eigen leven te gaan leiden en geheel uit de hand te lopen. Bezie de film Next Door uit 1994, onder regie van Tony Bill. Een man (Randy Quaid) is zijn gras aan het sproeien, en er komt wat water terecht op de rozen van de buurman. Deze (James Woods) vraagt hem de kraan dicht te draaien, wat Randy weigert te doen. Wanneer James vervolgens over het hekje heen stapt en het water uitzet, zijn de poppen aan het dansen: er wordt gevochten, een hond wordt vergiftigd, pogingen tot verkrachting ondernomen. Als ten slotte politieagenten opdagen, grijpen die niet in, aangezien ze het gedrag van die buren maar kinderachtig vinden. Een zeer herkenbare film, vonden de critici, en daarom volgens de ene criticus niet goed en volgens de andere juist wel.

Of denk aan de televisieserie over buren van Frans Bromet, die met zijn onschuldig aandoende vragen beide partijen uit hun tent wist te lokken, waardoor het hele conflict zich in al zijn absurditeit onthulde aan de kijker, die meestal niet wist wat hij er eigenlijk van moest denken. (Ik herinner me een vrouw uit de Jordaan die haar buurvrouw beneden verwijt dat die haar hond op de stoep laat poepen, terwijl de hondenmevrouw staande houdt dat die daar boven bloempotten omlaag laat vallen, waardoor haar hond de tuin niet meer in durft.) Of ga een tijdje mee met de Rijdende Rechter, die zich steeds weer met een opzichtige vrolijkheid mengt in allerlei ruzies, als een joviale buurman die met iedereen goed kan opschieten. (Een sjieke meneer heeft een grote tuin vol oude bomen die soms omvallen en waarvan er nu een dreigt neer te komen op het huis van een arme sloeber, die niet meer kan slapen van angst. Dat lijkt toch een duidelijk geval: die meneer dient zijn boom in toom te houden. Waarom moet de Rijdende Rechter daaraan te pas komen? Dacht die sjieke meneer nu echt dat zijn argument dat hij dat huis had gekocht vanwege die mooie oude bomen en dat de natuur soms de voorrang heeft op de mens, mr. Frank Visser zou kunnen overtuigen?)

Burenruzies: soms woon je naast echte rotzakken, die lawaai produceren, vuilnis uit hun raam smijten, gevaarlijke honden los laten lopen. Of misschien nog erger: een buurvrouw die steeds wanneer jij je buitenshuis vertoont, haar gordijn een beetje opzij schuift om je te begluren, of die jouw vuilniszakken doorzoekt om te zien of er zich geen belastend materiaal in bevindt. Zoiets kan haast alleen maar leiden tot moord en doodslag, en het is een wonder dat buren elkaar meestal in leven laten. Maar de frequentie van die ruzies en het irrationele verloop ervan doet vermoeden dat er meer aan de hand is. Wat dan wel? Weten filosofen hier iets van?
 

Narcisme van kleine verschillen

In een recent artikel (‘Nationalism and toleration’, 2000) probeert Michael Ignatieff de onverdraagzaamheid van nationalisten te verklaren vanuit Freud, die zich afvraagt hoe het toch komt dat juist groepen die elkaar nabij zijn en die sterk op elkaar lijken, hopeloos met elkaar in de clinch kunnen raken. Valt er van hieruit enig licht te werpen op ordinaire burenruzies?

 

Freud wijst erop dat de Spanjaarden en de Portugezen, de Engelsen en de Schotten elkaar niet kunnen velen. Hij had ook kunnen wijzen op het merkwaardige fenomeen dat mensen die tot een zelfde politieke richting behoren, elkaar vaak heftiger bestrijden dan hun eigenlijke politieke tegenstanders. Ignatieff gebruikt als een van zijn voorbeelden de clash tussen Serviërs en Kroaten. Er zijn natuurlijk verschillen tussen hen; zo hangen de Serviërs het oosters-orthodoxe geloof aan, terwijl de Kroaten rooms-katholiek zijn. Maar die verschillen waren vroeger veel pregnanter dan ten tijde van de Joegoslavische burgeroorlog. Voor de meeste Serviërs en Kroaten heeft het moderniseringsproces ertoe geleid dat de greep van het geloof op hun leven aanzienlijk is verminderd—evenals voor ons. Maar juist het verdwijnen van reële verschillen leidt ertoe dat marginale verschillen worden opgeblazen en een van de fronten gaan vormen waarop de strijd wordt gestreden. Freud gebruikt bij zijn poging tot verklaring de term ‘narcisme van de kleine verschillen’, waarvan hij later in Das Unbehagen in der Kultur (1930) overigens opmerkt dat hij meer suggereert dan verklaart.

Volgens Ignatieff is de suggestie deze. Mensen wier individuele identiteit zwak is, zoeken hun heil in een collectieve identiteit, die zichzelf tracht te versterken door zich af te zetten tegen andere collectieven. Aangezien de reële verschillen tussen die groepen welbeschouwd gering zijn, moeten ze de nadruk leggen op het weinige dat hen onderscheidt: hun geloof bijvoorbeeld, of hun huidskleur, of hun glorieuze geschiedenis. Ignatieffs remedie sluit zich aan bij zijn verklaring: versterk het individuele zelfvertrouwen van mensen; dan hebben ze er geen behoefte aan om zich een collectieve identiteit aan te meten, en verdwijnt nationalistische intolerantie vanzelf.
 
Volgens mij is Freuds verklaring een stuk somberder, althans in Das Unbehagen in der Kultur. Mensen worden constitutioneel niet alleen geleid door erotische driften, die hen in elkaars armen drijven, maar ook door agressieve driften, die hen tegen elkaar opjagen. Individuen kunnen hun agressieve neigingen alleen de baas worden door ze te ‘sublimeren’ in meer vreedzame vormen van competitie, zoals het bedrijven van wetenschap of van sport. Maar dan moeten ze af en toe wel winnen; van losers kun je niet verwachten dat ze zich koest houden. Collectieven kunnen alleen een veilig groepsgevoel ontwikkelen wanneer de agressieve neigingen die de groepsleden jegens elkaar koesteren, geprojecteerd worden op een andere groep. Freud wijst er sardonisch op dat de joden de christenen een grote dienst hebben bewezen door hun de gelegenheid te bieden hen te verketteren en te vermoorden. Hoe lossen we volgens Freud deze conflicten op? Echt op te lossen vallen ze niet, ze kunnen door ‘cultuur’ alleen worden ingeperkt. Maar dan is cultuur ambivalent en roept zij uiteraard ‘onbehagen’ op.

Werpt dit enig licht op burenruzies? Het voordeel van Freuds verklaring is dat de irrationaliteit van veel van die ruzies erdoor wordt belicht. De grieven die de buren in concreto jegens elkaar koesteren, doen er veelal weinig toe. (Soms natuurlijk wel, maar daarover heb ik het nu niet.) Als het er alleen maar om ging dat jouw water mijn rozen niet besprenkelt, dan kan een verzoek mijnerzijds door jou worden ingewilligd. Maar als dat verzoek van mij door jou wordt uitgelegd als een ontoelaatbare vorm van inmenging in jouw aangelegenheden, en als ik, daarop anticiperend, mijn verzoek maar meteen op hoge toon uitbreng, is het hek van de dam. Ruziën met de buren kan ook best de cohesie tussen huisgenoten bevorderen. Als we de buren niet hadden om hen samen te bestrijden, zou ik jou moeten verwijten dat jij je tandenborstel niet netjes opbergt.

 

Daar komt nog iets bij. We verwachten erg veel van onze partners en vrienden; zo willen we samen met onze levensgezel gelukkig worden. Maar volgens Freud (achter wie ik me graag verschuil) is het niet de bedoeling van het plan der schepping dat de mens gelukkig wordt. Juist de betrekkingen tot degenen van wie we het meeste verwachten, staan dan voortdurend onder druk: ze worden verziekt door onvervulbare dromen. Daarvan kun je elkaar voortdurend verwijten maken, hetgeen ook vaak gebeurt, met als gevolg dat mensen de ene onbevredigende relatie inruilen voor een andere. Je kunt ook bij je oude vertrouwde partner blijven, waarbij zich twee nadere mogelijkheden voordoen. Ofwel jullie blijven van hartelust met elkaar ruziemaken, hetgeen prachtig is verbeeld in Albee’s Who is afraid of Virginia Woolf?, waaruit ik een passage licht; Martha is aan het woord:
‘… George die goed voor me is, en die ik beschimp; die me begrijpt, en die ik van me afstoot; die me aan het lachen kan maken, en ik slik het in; die me vasthoudt, in de nacht, zo dat het warm is, en die ik bijt totdat het bloedt; die het spel dat we spelen even snel leert als dat ik de regels kan veranderen; die me gelukkig kan maken en ik verlang er niet naar gelukkig te zijn, en toch verlang ik ernaar gelukkig te zijn. George en Martha: sad, sad, sad.’

Hier valt niet te achterhalen of George en Martha nu met elkaar oorlog voeren, of dat ze op een verkapte manier de liefde aan het bedrijven zijn. De andere mogelijkheid bestaat erin dat jullie je ambivalente gevoelens projecteren op je buren. ‘Buurt’ suggereert nabijheid en warmte, maar juist je buren bieden die niet: rotzakken zijn het dus, die jullie alleen maar het leven zuur willen maken. De buren worden dan welbeschouwd tot zondebok gemaakt van jullie eigen problemen.
 

Mimetische begeerte

Een andere denker die accentueert dat juist nabijheid afstand schept en dat dat kan leiden tot het aanwijzen van zondebokken (wat de vorm kan aannemen van een kongsie tussen buurtgenoten die een hunner uit de buurt proberen te verdrijven), is de Franse cultuurfilosoof René Girard. Men vindt die gedachten het meest uitvoerig in Le bouc émissaire (1982). In Girards denken gaan antropologische elementen hand in hand met cultuurhistorische. Zijn basale antropologische stelling houdt in dat menselijke begeerten altijd ‘bemiddeld’ zijn.

Wanneer mensen eten, doen ze dat op manieren die hun zijn voorgedaan door anderen en consumeren ze spullen die door anderen als etenswaar zijn aangewezen. Die ‘anderen’ vormen zo het model dat wordt nagebootst, en de aanwezigheid van dat model maakt de relatie tot het voedsel bemiddeld; dit model vormt zo een ‘externe bemiddelaar’, hij bevindt zich op een ander, een hoger plan dan degene die hem nabootst. In bepaalde omstandigheden—die ‘bepaalde omstandigheden’ verwijzen vagelijk naar de cultuurhistorie—kan het model tevens tot ‘obstakel’ worden, zoals in tijden van voedselschaarste. Die schaarste kan voortkomen uit externe omstandigheden, maar Girard geeft blijk van een grote inventiviteit door steeds weer gevallen op te voeren waarin de begeerten een eigen dynamiek vertonen. Vele begeerten van mensen zijn niet op objecten gericht, maar bootsen alleen maar de begeerten van anderen na: ik wil iets omdat jij het ook wilt en zolang jij het wilt—waardoor de mensen bovenop de wereld der natuurlijke schaarste een nieuwe wereld van schaarste creëren, die het strijdtoneel wordt van een uitzichtloze concurrentie. Hier komt jaloezie niet slechts voort uit het feit dat men iets dat men zelf wil in de handen ziet van een ander, men wil iets uitsluitend omdat een ander het wil. Mensen worden hier elkaars bemiddelaars; door het verdwijnen van de afstand tussen hen doet zich hier ‘interne bemiddeling’ voor. Voor deze door interne bemiddeling aangezette begeerten gebruikt Girard de term ‘mimetische begeerte’. Het cultuurhistorische element in Girards theorie neemt dramatische vormen aan wanneer hij de stelling poneert dat in alle culturen ooit een strijd op leven en dood is losgebarsten tussen rivalen, die bij ontstentenis van een externe bemiddelaar elkaars concurrenten zijn geworden. Hoe zijn ze daaruit geraakt? Door een hunner als zondebok aan te wijzen voor het onderlinge geweld. De zondebok krijgt de schuld van alle ellende en wordt de woestijn ingestuurd, waarna de vrede terugkeert. Doordat de zondebok vrede weet te bewerkstelligen, is hij niet alleen een duivelse figuur, maar kan hij achteraf de trekken aannemen van een god, tot wie wordt gebeden en aan wie offers worden gebracht. In de aanbeden godheid heeft een cultuur de voor de onderlinge vrede zo noodzakelijke externe bemiddelaar gevonden.

Zo samengevat, lijkt Girards theorie een merkwaardig mengelmoes te vormen van toetsbare hypothesen en wilde speculaties. Girard heeft de neiging om in alle hoeken en gaten de mimetische begeerte en het zondebokmechanisme te ontwaren, hetgeen ten koste gaat van de overtuigingskracht van zijn betoog. Dat de mimetische begeerte ons vaak parten speelt, en dat zij bij uitstek woedt bij mensen die elkaar nabij zijn, neem ik intussen graag aan. (Wanneer ik ooit aan de Postcodeloterij zou meedoen, doe ik dat niet in de hoop een grote prijs te winnen, maar omdat ik de gedachte niet kan verdragen dat al mijn buren tegelijk rijk geworden zijn, terwijl ik zelf vol zelfverwijt op een houtje zit te bijten.) Ik ontfutsel Girard op grond daarvan de bescheiden stelling dat mensen hun onderlinge problemen vaak trachten op te lossen door de schuld af te schuiven op een buitenstaander: de buren bijvoorbeeld. En dat schraagt weer de stellingen van Freud.
 

Eerzucht, heerszucht en hebzucht

Zijn er nog meer filosofen wier hulp ik kan inroepen bij mijn pogingen om burenruzies te doorgronden? Kant natuurlijk! In zijn Idee zu einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht (1784) poneert hij een aantal boude stellingen. Een daarvan luidt dat de mens ertoe is voorbestemd om al zijn vermogens tot ontwikkeling te brengen. Dat doet hij natuurlijk niet individueel, maar collectief: de mensheid is daartoe voorbestemd.

Daarvan zou weinig terecht komen wanneer de mensen schapen waren, vegeterend in eendracht, tevredenheid en wederzijdse liefde. Maar de natuur, zo luidt een andere boude stelling van Kant, wil geen eendracht, maar tweedracht: eerzucht, heerszucht en hebzucht drijven de mens voort. Het menselijk samenleven wordt aldus bepaald door het antagonisme van een ungesellige Geselligkeit: mensen willen met anderen in gemeenschap treden, maar juist de vervulling van die wens roept de wens op om zich tegen die anderen af te zetten. Volgens Kant kunnen deze conflicten alleen vreedzaam worden opgelost door op nationaal niveau een republikeinse staatsinrichting na te streven, en door op internationaal niveau tot iets dergelijks te komen als een volkerenbond, waarin telkens de wet de wilde vrijheid ordent. Dat dat niet tot morele vooruitgang hoeft te leiden, verheelt Kant niet. Aan het eind van het lange eerste deel van zijn Metaphysik der Sitten (1797) erkent Kant dat de liefde en de achting die mensen elkaar volgens de moraal moeten bewijzen, veelal niet strookt met de echte gevoelens die ze jegens elkaar koesteren. Wanneer ze elkaar dan vriendelijk bejegenen en aldus de deugd vergezeld doen gaan van de gratiën, weten ze allemaal wat daar eigenlijk achter zit: een onuitroeibaar antagonisme. Omdat allen dat bedrog doorzien, is het moreel aanvaardbaar.

Bieden deze welbeschouwd nogal sweeping statements me hulp bij mijn poging om tot begrip te komen van burenruzies? Een beetje wel, in zoverre Kant in fraaie volzinnen het inzicht verwoordt dat we ook al bij Freud en Girard zijn tegengekomen: dat nabijheid afstand schept. En wat hij zegt over de schijn van vriendelijkheid die mensen elkaar soms voortoveren, komt bij uitstek voor in de relatie tussen buren: je informeert vriendelijk naar het welbevinden van hun hondje, al zou je dat beest bij voorkeur de nek omdraaien. Voor het overige verdonkeremaant Kant de verschillen tussen diverse samenlevingsvormen: doet die ungesellige Geselligkeit zich op dezelfde manier voor in de relaties tussen ouders en kinderen, geliefden, buren, collega’s, landgenoten, mensen van verschillende nationaliteiten? Het aardige van Freuds gedachten is nu juist dat hier de vrede wordt bevorderd door elders een beetje oorlog te voeren. Dat verklaart meer van burenruzies dan de globale stelling dat mensen antagonistische gevoelens koesteren jegens elkaar.
 

Over een typisch Nederlandse kant van de burenruzie hebben de drie filosofen niets gezegd: ruimtegebrek. Van ratten is bekend dat ze vreedzaam met elkaar samenleven, behalve wanneer ze zich met te velen op een te beperkte ruimte bevinden. Dan wordt de ruimte die ze eerder met elkaar deelden, een bron van conflict. Dan worden ook de onderlinge verschillen niet meer voor lief genomen, maar geven die aanleiding tot irritaties. Bij mensen treffen we dit ook aan, en zelfs in sterkere mate, aangezien ze ook elkaars psychische ruimte kunnen betwisten. Zo kunnen mensen de onderlinge verschillen zelfs accentueren teneinde een eigen kleur te verlenen aan het kleine plekje dat hun nog rest, tot grote ergernis van de buren. Wanneer het dan ook nog de bedoeling is dat de buren zich daaraan ergeren, heb je de poppen helemaal aan het dansen. Burenruzies komen voort uit een opgedrongen fysieke en psychische nabijheid. Dat kan leiden tot het tegendeel van Girards mimetische begeerte: ik wil wat jij niet wilt.
 

Remedies

Als die burenruzies uit de hand dreigen te lopen, wat valt daar dan tegen te doen? De oplossing die Kant aanreikt op nationaal niveau (de sterke arm van de politie, die over een geweldsmonopolie beschikt) voorkomt hier misschien wel enige moord en doodslag, maar haalt weinig uit tegen meer geniepige vormen van pesterij. Op grond waarvan zou de politie die buurvrouw moeten verbieden om jou te begluren en af te luisteren? De kans is groot dat je een te grote sensibiliteit wordt aangewreven. De analyses van Freud en Girard kunnen ons misschien aan enige hints helpen.

Een gemeenschappelijke vijand is uiteraard welkom. Die hoeft niet de vorm aan te nemen van andere mensen; een ramp die de buurt van buiten treft, volstaat al. Naar het schijnt is het saamhorigheidsgevoel van de inwoners van New York sinds 9/11 aanzienlijk toegenomen. Dat uit zich niet alleen in een verlaging van de misdaadcijfers, maar ook in een toename van de hulpvaardigheid van de New Yorkers onderling. Toen de elektriciteit er onlangs uitviel, zag je goedgeklede kantoorklerken achterop de bromfiets zitten van lieden die ze vroeger geen blik waardig keurden. Ook een flinke overstroming kan de verhitte gemoederen doen bekoelen. Helaas dient zich meestal niet zo’n natuurlijke vijand aan, en dat is trouwens maar goed ook, want het middel kan gemakkelijk erger zijn dan de kwaal.

Een gemeenschappelijke taak kan ook goede diensten bewijzen. Die Marokkaanse vaders die er gezamenlijk op toezien dat hun kroost enigszins in het gareel blijft, zorgen er en passant ook voor dat hun onderlinge saamhorigheid toeneemt. (Er kan iets dergelijks ontstaan als het buurtgevoel in het dorp van mijn jeugd, waar bruiloften en sterfgevallen in gezamenlijke rituelen werden opgenomen.) Jammer genoeg worden de buurten van welgestelde, voldane en dus zelfgenoegzame lieden door te weinig problemen geteisterd die een gemeenschappelijke aanpak vereisen. Juist in zulke buurten kunnen de burenruzies dan ongeremd voortwoekeren.

Valt er een vreedzame competitie te organiseren die de fixatie op elkaars hatelijkheden vermindert? In Siena zijn al die middeleeuwse torens dan wel verdwenen, maar ieder jaar hebben ze er nog wel hun palio: de zeventien districten van Siena vaardigen allemaal een paard-met-ruiter af die met elkaar gaan uitmaken wie er dit jaar het snelst om de Campo heen rent. De voorbereidingen kosten maanden, en de nabesprekingen vullen de rest van het jaar: hebben de inwoners van Siena minder burenruzies dan die van Amstelveen, waar ze het moeten stellen met het jaarlijks bloemencorso? Dat zou ik wel eens uitgezocht willen zien. Tot zo’n gemeenschappelijke competitie zijn de eerder genoemde zelfgenoegzame burgers vermoedelijk niet te porren, aangezien er vermoedelijk niets is waaraan ze allen belang hechten.



Als burenruzies voortkomen uit een opgedrongen nabijheid, zouden we ze wellicht kunnen voorkomen door ruimer te bouwen: allemaal een groot grasveld om ons huis heen. Dat lukt natuurlijk niet in een land als Nederland.

Wat dan? Filosofisch inzicht misschien, dat de geest verruimt? Bij iemand als Spinoza heeft dat geholpen, zozeer zelfs dat hij aan het begin van het derde deel van de Ethica, waarin hij de passies onderzoekt, stelt dat het beschouwen van de werking van passies als haat, toorn en nijd op zichzelf al genot schenkt. Wie zich dat genoegen niet meteen weet aan te praten, kan troost vinden bij een andere gedachte. Sommige burenruzies woeden vooral in achterstandswijken, en hebben dan meestal een zeer reële grond: afgedankte bankstellen die uit het raam worden gegooid, hels kabaal dat door dunne muren heen dringt en zo. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt (zo hoop ik althans) dat dat type burenruzies veel minder voorkomt in de betere wijken. Maar die worden (zo weet ik uit eigen ervaring) dan weer geteisterd door ruzies van het irrationele soort, die bij gebrek aan beter over niets gaan. Ze verdwijnen als sneeuw voor de zon als er in de buurt eens iets ergs gebeurt. Maar dan zijn die dwaze burenruzies de prijs die we moeten betalen voor de vooruitgang. Laten we derhalve doorgaan met het opknappen van de achterstandswijken, zodat heel Nederland gaat bestaan uit saaie Amstelveense buurten waar nooit iets gebeurt en waar de niet-filosofen dus elkaar het leven zuur gaan maken, tot groot plezier van de filosofen.

Deze troostrijke gedachten stellen me in de gelegenheid om tot besluit een uitspraak van Freud om te keren. Freud heeft eens gezegd dat het de bedoeling is van een psychoanalytische kuur om reële ellende in de plaats te stellen van imaginaire ellende. De vooruitgang leidt ertoe dat imaginaire burenruzies in de plaats treden van reële burenruzies.
 
Frans Jacobs is hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Faculteit der Geesteswetenschappen (Universiteit van Amsterdam). Hij schrijft de laatste tijd over ethiek en emoties.