Home Bernard Stiegler: ‘We zijn onszelf kwijtgeraakt’

Bernard Stiegler: ‘We zijn onszelf kwijtgeraakt’

Door Florentijn van Rootselaar op 01 maart 2016

Bernard Stiegler: ‘We zijn onszelf kwijtgeraakt’
Cover van 03-2016
03-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Op 26-jarige leeftijd werd Bernard Stiegler veroordeeld voor meerdere gewapende bankovervallen. Zijn motief: hij had het gevoel te bestaan, verloren. ‘Dat gevoel van leegte is tekenend voor onze samenleving van consumptie en marketing.’ 

Een helverlichte shoarmatent met slechte rap. Het is 11.00 uur ‘s avonds. We zijn er beland na een tevergeefse zoektocht naar een restaurant. Bernard Stiegler was met vertraging uit Parijs in Nijmegen gearriveerd, had de maaltijd overgeslagen, een abstracte lezing gegeven, gediscussieerd. En dan een maaltijd, ‘want denken zonder eten gaat niet’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Eten in deze tent, analyseert Stiegler achter een bord met shoarma met currysaus, friet en sla, is louter een vorm van levensonderhoud. Als dat alles is wat er is, zegt Stiegler, directeur van het onderzoeks- en innovatie-instituut van het Centre Pompidou, leidt dat uiteindelijk tot le sentiment de ne pas exister, het gevoel niet te bestaan. In een inktzwarte diagnose van deze tijd concludeert hij dat het gevoel – dat bezit van ons nam bij de opkomst van de industriële revolutie – alomtegenwoordig is geworden met de opkomst van consumentenkapitalisme en marketing. Ondanks zijn sombere verhaal blijft Stiegler vasthouden aan de mogelijkheid van een oplossing. Daar doet hij onderzoek naar met Ars Industrialis, de ‘internationale associatie voor een politieke industrie van technologieën voor de geest’.

Wat is volgens Stiegler nu het probleem van deze maaltijd? ‘Ik eet dit omdat ik behoefte heb aan eiwitten, aan voedingsstoffen. Maar eten kun je ook op een andere manier doen, als je vrienden ontvangt, bij een gemeenschappelijke maaltijd. Je ziet al bij Homerus dat eten bij uitstek de gelegenheid is om meer van het leven te maken. Alles wat belangrijk is gebeurt bij hem aan tafel. Dat blijkt ook uit het belang van offers tijdens die maaltijden bij Homerus. Zo’n offer verheft het alledaagse tot iets groters, dat noem ik consistance.’

Proletarisering

Volgens Stiegler is het gevoel niet te bestaan sterk toegenomen tijdens de industriële revolutie, waarna het in de twintigste eeuw alleen nog maar groter is geworden. ‘Dat zie je ook in deze zaak. De jongen hier is geen kok, hij voert slechts uit. Hij beschikt niet over bepaalde kennis of vaardigheden, die zijn overgenomen door de industrie waaruit geprefabriceerd eten komt. Dat is het begin van de proletarisering, die begint met een verlies van knowhow.’

Een gevolg van dat verlies aan vaardigheden is het onvermogen om de wereld door je werk te veranderen – en dat is cruciaal voor het gevoel dat je bestaat. ‘Er zijn verschillende manieren waarop je het woord bestaan kunt gebruiken. Dat opnameapparaatje waar u dit gesprek mee opneemt bestaat ook, maar het is niet in die zin dat ik het gebruik. Bestaan, exister, wil zeggen zich veruitwendigen, zijn sporen nalaten in de wereld, of dat nu in het werk is, in de familie waarvan je houdt, als artiest, wetenschapper of voetballer, maar ook als burger.’

Waar de industriële revolutie alleen nog zorgde voor een proletarisering van het werkende leven is in de twintigste eeuw een tweede stap gezet. Met de opkomst van het consumentenkapitalisme en de marketing verloor ook het dagelijks leven zijn betekenis. ‘Rond 1930 bedacht Edward Bernays de marketing, waarvoor hij inzichten ontleende aan de ideeën van zijn oom Sigmund Freud. Het consumentenkapitalisme tracht systematisch de aandacht van mensen in een bepaalde richting te sturen, door allerlei apparaten zoals tv en radio. Met de toenemende invloed van internet en sociale media is dat alleen nog maar erger geworden. De behoeften van individuen worden ermee klaargemaakt voor de markt, voor andere verlangens is geen ruimte meer. Als de mens alleen nog maar wil wat de markt hem laat willen, leidt dat tot een uitputting van zijn verlangen, zijn libidinale energie, het vernietigt de productie van het libido – om een term van Freud te gebruiken. En zonder verlangen verdwijnt het gevoel te bestaan.’

Bankoverval

‘Het gevoel niet te bestaan’. Het zijn dezelfde woorden waarmee Stiegler nu zijn eigen gemoedstoestand beschrijft die voorafging aan zijn ‘daad’. In 1978, Stiegler was 26, werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf – hij had meerdere gewapende bankovervallen gepleegd. In de gevangenis begon hij te lezen, de grote werken van de filosofie, Kant, Marx en Plato. En hij ging filosofie studeren, een studie die hij heeft afgerond als hij vijf jaar later de gevangenis verlaat. Snel daarna gaat hij nauw samenwerken met Jacques Derrida, een van Frankrijks grootste naoorlogse denkers, en begint een snelle academische carrière.

Stiegler werd op het spoor van een verklaring voor zijn daden gezet toen een Franse krant een deel uit het dagboek publiceerde van Richard Durn. Die woonde in 2002 een gemeenteraadsvergadering bij in Nanterre, met een pistoolmitrailleur en andere wapens verborgen onder zijn jas. Na afloop doodde hij acht gemeenteraadsleden, en verwondde negentien anderen.

‘Durn, een man met een goede opleiding – hij had de universiteit bezocht – hield een dagboek bij. Voor hij zijn daad pleegde noteerde hij dat hij het gevoel verloren had te bestaan. Hij zag zichzelf niet meer als een persoon. Hij had niet meer het vermogen om zichzelf lief te hebben. Bij hem ontbrak het primaire narcisme, een gevoel van self esteem, wat iedereen moet hebben om te bestaan. Dat is wat Freud ook zegt, als mensen niet narcistisch zijn, kunnen ze psychotisch worden, op een gevaarlijke manier. Dat verlies aan primair narcisme ontstaat in een samenleving waarin we louter consument zijn. Al onze verlangens, alles wat we voelen is het product van marketing. We zijn ons zelf kwijtgeraakt.

Omdat Durn die eigenliefde was verloren, was hij ook niet in staat om een ander te erkennen, hij voerde zelfs een oorlog met anderen. Ongelukkig genoeg heeft hij de dag na zijn daad zelfmoord gepleegd, door tijdens zijn verhoor uit het raam van het politiebureau te springen, waardoor niemand meer verder met hem kon spreken over zijn motieven.

Miljoenen mensen, schreef ik al in mijn boek over Durn, zullen overgaan tot de daad als er niets verandert.’

En dat geldt dus ook voor Salah Abdeslam en zijn groep, de plegers van de aanslag in Parijs? 
‘Ook bij jihadstrijders speelt sterk dat gevoel van leegte. Plotseling worden ze mensen die doden uit naam van de islam. Waarom? Dat is duidelijk voor Fethi Benslama – de van oorsprong Tunesische psychoanalyticus die zich in Frankrijk als hoogleraar psychopathologie bezighoudt met onder meer globalisering en islam: ze vinden geen ruimte meer voor idealisering, terwijl we niet zonder kunnen, anders verlies je het gevoel te bestaan. De jihadist, de IS-strijder, heeft goed begrepen wat Benslama het jihadistische aanbod noemt, het ridicule idee van idealisering door een strijd, door je te transformeren in een machine om te doden die de samenleving waarin je leeft zal vernietigen.’

Dit zijn extreme gevallen. Zie je dat gevoel niet te bestaan ook terug in het alledaagse leven?
‘Ja, ik heb een tijd in een klein dorp gewoond ten noorden van Parijs, in Picardië. Mijn buren links, rechts en tegenover mij, allemaal stemden ze op het Front National, de partij die de laatste tien jaar zo groot is geworden. Die mensen voelden een leegte die vergelijkbaar was met die van Durn en de jihadstrijders. Mijn hypothese was dat al hun herinneringen steeds meer werden geformatteerd door de cultuurindustrie: elke avond keken ze naar dezelfde tv-programma’s, ze werkten in dezelfde fabriek, ze gingen naar dezelfde supermarkt, ze kochten hetzelfde, ze kookten hetzelfde. Als je jaren hetzelfde doet, word je hetzelfde.

We leven in een tijd van een industrie die alle gedragingen standaardiseert. Mensen verliezen daardoor het gevoel te bestaan, en uiteindelijk het gevoel dat er überhaupt een bestaan mogelijk is. Niet alleen hun gedrag is gelijkgeschakeld, ook hun verhouding tot de wereld is veranderd. Als alle energie wordt gestuurd en gebruikt door de cultuurindustrie, verlies je ook de mogelijkheid om echte ervaringen op te doen.’

Dat is een boude stelling over de aantrekkingskracht van het Front National. Hoe komt u daarbij?
‘Ik discussieer met de mensen, ik luister naar ze – ook al probeer ik ze te bestrijden. En allemaal zeggen ze het gevoel te hebben dat ze hun waardigheid verloren hebben, ze zien geen leven meer voor zich, geen toekomst.’

U heeft het over mensen die niet meer van elkaar verschillen, geen individualiteit meer hebben. Maar geldt dat gebrek aan individualiteit niet net zo goed voor de groep Big Brother-kijkers als voor de culturele elite die het nieuwste toneelstuk wil zien?
‘Maar u en ik zijn toch heel verschillend? Het verschil is dat het theater zich richt tot een publiek, tot mensen in hun singulariteit die in het theater een middel vinden om die te verdiepen. De cultuurindustrie doet het tegendeel, ook al doet ze schijnbaar hetzelfde: ze lijkt zich te richten tot individuen. Alleen zijn de verlangens van die individuen kwantificeerbaar. De cultuurindustrie probeert daarmee de singulariteit calculeerbaar te maken, waarmee de singulariteit verdwijnt.’

Wat is singularisering, kunt u een voorbeeld geven? 
‘Ik gebruik een voorbeeld dat iedereen zal herkennen, dat is moederliefde. Een moeder kan geen gebruik maken van een model of handboek dat haar precies vertelt wat ze moet doen. Volgens de Engelse psychoanalyticus Winnicott weet de moeder de absolute singulariteit van haar kind aan te spreken en te ontwikkelen op een absoluut singuliere manier. Dankzij haar ontwikkelt een kind zich tot een individu.’

Ziet u ook buiten Frankrijk vergelijkbare ontwikkelingen?
‘Neem de Donald Trump-stemmers. Wie zijn dat? Mensen die alle hoop verloren hebben, voor wie het leven geen zin meer heeft. Paul Krugman schreef kort geleden een goed artikel in de New York Times over de nieuwe wanhoop in Amerika. Sinds 1999 neemt het sterftecijfer van blanke middelbare mannen in de VS toe. Steeds meer mensen uit die groep sterven door zelfmoord, door leverkwalen als gevolg van alcoholisme en door heroïne – eens was dat de drug van zwarten, tegenwoordig van de witte middenklasse. We leven in een verslaafde samenleving.

Krugman schreef dat de levensverwachting afneemt omdat mensen geen zin meer hebben om te leven, ze zijn uit op zelfdestructie. Armoede is niet noodzakelijk het probleem. Juist ook in Palo Alto, in Silicon Valley, waar de superrijken wonen, heerst sinds tien jaar een zelfmoordepidemie. De jongeren – kinderen van gefortuneerde ouders, met goede vooruitzichten – werpen zich voor de trein; hun ouders leven in angst.’

Café
De maaltijd is op. We besluiten naar het aanpalende bruine café te gaan, misschien een omgeving die wat meer in het teken staat van… het leven, het gevoel te bestaan. Hoe doe je dat volgens Stiegler, van een leven in het teken van levensonderhoud, gaan naar zinvol leven, naar wat hij noemt consistance? Eerst iets bestellen: bier en rode wijn. ‘Samen iets drinken, iets eten, een partijtje jeu de boule spelen – dat zijn voorbeelden van consistance.’

‘Je moet het geluk hebben van iets of iemand te houden. Als je van iemand houdt… ik weet niet of u getrouwd bent … Als je het geluk hebt de persoon lief te hebben met wie je bent, dan is de manier waarop je haar bekijkt absoluut anders dan de manier waarop anderen haar bekijken. Dat is wat we liefde noemen. Dat soort relaties zijn niet alleen seksueel, je hebt ze ook met je kinderen, je werk, schilderkunst, wiskunde, politiek. Mijn kinderen zijn niet zoals die van anderen – uiteraard. Ze zijn veel beter. Ik zeg het niet tegen anderen, want ik weet goed dat het niet rationeel is.’ Lachend: ‘Ik weet dat ze oneindig veel beter zijn dan welk kind dan ook.’
‘Wat zien we? Dat is onvergelijkbaar, niet calculeerbaar. Je idealiseert haar, vergoddelijkt haar. Wat je ziet bestaat niet, het is niet aanwezig in tijd en ruimte, het consisteert. Hetzelfde zie je in de wetenschap en de wiskunde: wiskundige concepten bestaan niet, ze beschrijven dingen die niet bestaan, niet in de ruimte, niet in de tijd. Ze zijn een conditie om ruimte en tijd te denken. Kant noemt dat het transcendentale, ik consistance.’

Bedreiging

‘Juist ook in het werk van tegenwoordig ziet Stiegler een mogelijkheid voor nieuwe bezieling. ‘Allereerst is er een grote bedreiging: volgens verschillende gezaghebbende onderzoeken zal de komende twintig jaar vijftig procent van de beroepen verdwijnen als gevolg van de automatisering. En uit een studie van de Franse regering blijkt dat de komende tien jaar de werkloosheid in Frankrijk al zal verdubbelen. Juist deze dreigende situatie kunnen we aanwenden om de steeds verdergaande proletarisering te stoppen.’

‘Mijn voorstel is om van een consumentensamenleving over te stappen op een contributieve economie, een economie van de bijdrage. Nu al, zo blijkt uit onderzoeken, wordt steeds meer waarde gecreëerd door een contributie, een bijdrage van consumenten. Neem Wikipedia, of de opensource-software – die worden door consumenten gecreëerd.’
‘Mensen willen graag dingen doen, en goed doen. Ten tijde van de oude Grieken waren er slaven nodig om taken uit te voeren, het nobele werk werd verricht door een kleine elite. Juist de toenemende robotisering geeft ons de gelegenheid – dwingt ons zelfs – te stoppen met het werk dat heeft geleid tot een toenemende proletarisering. Die moet plaatsmaken voor een wereld waarin mensen werkelijk in staat zijn een bijdrage te leveren, om te doen wat de Grieken beschouwden als het nobele werk. Voor dat soort projecten kan het budget worden ingezet dat nu wordt gebruikt om bijvoorbeeld werkloosheid te bestrijden.’

‘In Saint Denis, op de rand van Parijs, doen we daar nu onderzoek naar. We transformeren het hele gebied – met instemming van de bewoners – in een smart city, en onderzoeken hoe je daar een zinvol leven kunt leiden. En waar internet werd gebruikt om data van mensen te verzamelen, om mensen steeds meer tot consument te maken, onderzoek ik hoe we het web juist kunnen gebruiken om de samenwerking tussen mensen te vergroten. Onderwijs en onderzoek spelen er een belangrijke rol, het wordt een groot onderzoekslaboratorium, waarin onderzoekers verplicht zijn samen te werken met bewoners – ook het onderzoek is geënt op het model van de contributieve economie. Grote multinationals zoals Orange ondersteunen het project, overtuigd als ze zijn van de noodzaak om nu te veranderen. Ook steeds meer politici hebben grote belangstelling voor dit soort projecten, tot ministers aan toe is men geïnteresseerd in ons werk, in de poging om het leven te reanimeren. Dat moet ook wel want de situatie is heel ernstig. Gelukkig schuilt er juist in het medium – de industrie, internet – dat heeft gezorgd voor het verlies van het gevoel te bestaan ook een remedie, een mogelijkheid om het leven terug te vinden.’