Home Zes volksdenkers

Zes volksdenkers

Moet het volk ingetoomd worden, zoals Plato vindt? Of moet het in opstand komen, zoals Antonio Negri zegt?

Door Alexandra van Ditmars op 29 januari 2019

Zes volksdenkers
Cover van 02-2019
02-2019 Filosofie magazine Lees het magazine

Plato (427 v.Chr.-347 v.Chr.)
Het volk moet matigheid tonen

De democratie is een systeem dat gedoemd is om te falen, stelt Plato. Het volk laten meebeslissen over wat er in het land gebeurt vindt hij een belachelijk idee. Zou jij als je ziek bent aan een arts advies vragen of aan een groep onwetende mensen, waarbij de meeste stemmen gelden? Aan een arts natuurlijk, zegt Plato. Je wilt advies van iemand die een specifieke opleiding genoten heeft om deze taak uit te voeren. Zo is het ook met het besturen van het land. Dat vereist kwali­teiten die de meeste mensen nu eenmaal niet hebben, en de arbeiders al helemaal niet. Plato’s visie op het volk doet elke gelijkheidsdenker ineenkrimpen. Zijn idee van rechtvaardigheid verschilt radicaal van onze moderne notie ervan: de opvatting dat mensen ongelijk zijn staat erin centraal.

In zijn werk De staat gaat de Griekse filosoof op zoek naar de ideale staatsvorm, waarbij hij ook de aard en de taak van het volk bespreekt. Dat doet hij in de vorm van een dialoog, waarin zijn leermeester Socrates wordt opgevoerd als belangrijk personage. Er zijn volgens hem drie groepen mensen in de maatschappij: arbeiders, militairen en filosofen. Hierbij is sprake van een duidelijke hiërarchie. De arbeiders vormen de laagste en de aanzienlijk grootste groep. Bij hen overheerst de begeerte: verlangen, pleziertjes en genot hebben bij hen de overhand. Ze moeten vooral leren om eens wat matigheid te tonen. Daarna komt de middenklasse van de militairen. En dan zijn er nog de filosofen, die als enige wijsheid bezitten en het land mogen besturen. Het volk moet vooral naar deze filosoof- koningen luisteren, alleen dan komen ‘politieke grootsheid en wijsheid samen’. Plato’s ideale staat is voor velen niet meer van deze tijd. Maar Socrates zegt in de dialoog ook dat het volk in een democratie uiteindelijk neigt naar het verkiezen van demagogen of zelf dictators. En dat is een theorie die sinds Trumps verkiezing weer aanhang heeft gekregen.  

Thomas Hobbes (1588-1679)
Het volk moet de staat gehoorzamen

Zonder politieke organisatie slaat het volk elkaar de hersenen in. Thomas Hobbes had het met eigen ogen gezien tijdens de bloederige Engelse Burgeroorlog in de zeventiende eeuw. De ‘natuurtoestand’ van de mens is een staat van permanente oorlog, schrijft hij in zijn werk Leviathan. Onze levens zijn daarin ‘nasty, brutish and short’. Om dat te voorkomen moet het volk de macht overdragen aan de staat, concludeert hij. Dat moet gebeuren middels een ‘sociaal contract’: een contract dat het volk met elkaar sluit, waarin de mensen vastleggen dat ze de macht overdragen aan de staat en die zullen gehoorzamen.

In ruil voor veiligheid legitimeert het volk dus zelf het staatsgezag. Dat was vernieuwend: in eerdere eeuwen was het God die bepaalde dat het volk moest gehoorzamen. God had de koningen aangewezen, was het idee. En als je die niet gehoorzaamde, ging je naar de hel. Hobbes vond dat als atheïst de grootste onzin. Maar een sociaal contract zonder volledige gehoorzaamheid van het volk vond hij ook een slecht idee. Burgers kunnen dan in opstand komen tegen de heerschappij zodra het ze even niet bevalt. Dat kan leiden tot onthoofding van de machthebber en ander bloederig gedoe. Hobbes was een uiterst vreedzame filosoof, met een sterke afkeer jegens geweld. Het volk moet gewoon gehoorzamen, vond hij. Dan is ons leven zo vreedzaam mogelijk. Alleen als de machthebber dreigt het volk te vermoorden, is opstand geoorloofd. Over andere zaken – hoge belastingen, ­onterechte opsluitingen, het verwoesten van de economie – mogen we niet zeuren. Dat is nog altijd beter dan een oorlog van allen tegen allen. En mensen kunnen zichzelf nu eenmaal niet in toom houden. Niet iedereen is zo pessimistisch over de leidende vermogens van de mens als Hobbes. Maar zijn denken is telkens weer relevant wanneer revoluties die draaien om het bevorderen van de vrijheid uitlopen op geweld en bloedvergieten.

Karl Marx (1818-1883)
Het volk moet in opstand komen

Arbeiders aller landen verenigt u! Met die zin spoorde Karl Marx in zijn Communistisch manifest het volk aan om in opstand te komen. De uitspraak is zo typerend voor zijn denken dat die ook op zijn grafsteen prijkt. Met ‘het volk’ bedoelt Marx de fabrieksarbeiders. Die moeten hun pijlen richten op de rijke middenklasse, vond hij, die de arbeiders uitbuiten. Tijdens de Industriële Revolutie was de productiviteit dankzij machines omhooggeschoten. Heerlijk voor de fabriekseigenaren, in wiens zakken de winst verdwijnt. Maar de arbeiders? Die maken lange werkdagen tegen een laag loon. Marx beschrijft hoe de arbeider daardoor zelf meewerkt aan zijn eigen ondergang. Door technische ontwikkelingen levert zijn arbeid steeds meer op voor de eigenaar. Hierdoor wordt het verschil tussen eigenaar en arbeider steeds groter. Ofwel: de arbeider wordt relatief steeds armer. Daarnaast raakt de arbeider ook vervreemd. Werk hoort een wezenlijk aspect te zijn van het menselijk bestaan, stelt Marx, waarin de mens zich ontplooit. Maar in de fabrieken is de mens maar een radartje in de grote machine. De arbeider vervreemdt daardoor van zijn werk en van zijn collega’s. Het kapitalisme reduceert de mens tot een ‘productie-eenheid’.

Marx voorspelde dat revolutie onvermijdelijk is. Het volk zal in opstand komen tegen de op winst beluste ondernemers. En dan zal het kapitalisme plaatsmaken voor een klasseloze maatschappij. Die opstand heeft gedeeltelijk plaatsgevonden, maar Marx’ beoogde communisme liep uit op tirannie en massamoord. Toch is zijn werk nu weer populair. Veel mensen zijn klaar met het kapitalisme. Ze willen geen biefstuk van een mishandelde koe op hun bord. Geen T-shirts gemaakt door kinderhanden in Bangladesh. Geen tachtig-urige werkweek, en ook geen almaar stijgende zeespiegel. Mensen hebben behoefte aan alternatieven, waarin het niet draait om winst en consumptie, maar om gelijkheid en om zorg voor mens en milieu. En dan blijkt Marx’ op­roep tot verzet en verandering verrassend actueel.

Johann Gottlieb von Herder (1744-1803)
Het volk moet trots zijn op zijn eigen wereldbeeld

Herder verzamelde Duitse volksliedjes. Hij publiceerde ze in een bundel, die tegenwoordig nog steeds in de winkels ligt. Dergelijke liederen zijn volgens Herder van grote betekenis: ze tonen de unieke scheppingskracht van een volk, die nauw samenhangt met de cultuur en het verleden van het land. ‘Het volk’ betekent bij Herder eens niet de arbeidersklasse of het plebs. Het volk bestaat simpelweg uit alle mensen in een land. Zowel de koning als de onderdanen behoren ertoe. Herder was een van de denkers die de Romantiek inluidde, het tijdperk waarin voelen boven denken werd gesteld, een narcis boven een stoomtrein en het subjectieve boven het objectieve. De eerdere Verlichtingsdenkers gingen ervan uit dat de verschillen tussen individuen en volken zouden verdwijnen. De rede zou ervoor zorgen dat iedereen uiteindelijk tot dezelfde inzichten zou komen. Romantici zoals Herder benadrukken juist het eigene, het onderscheidende, van mensen en groepen. Elk volk is op zijn eigen manier bijzonder en deze Volksgeist (volksgeest) moeten we waarderen. Taal speelt hierin een grote rol: taal beïnvloedt ons denken, stelt Herder, waardoor elke taalgemeenschap een eigen wereldbeeld met eigen werkelijk­heden verwerft. En daar moet je trots op zijn: patriotisme staat bij hem hoog in het vaandel. Maar zoals een romanticus betaamt, streeft hij ook naar harmonie. Alle volken zijn in Herders ogen gelijkwaardig en vormen tezamen de ‘mondiale humaniteit’.

De nationaal­socialisten vonden Herders werk gedeeltelijk interessant en plukten eruit wat ze beviel: de vaderlandstrots behielden ze, het gelijkheidsdenken gooiden ze eruit. De hedendaagse filosoof Alain Finkielkraut ziet Herder niet als basis voor nationale trots maar juist als inspiratiebron voor de multi­-culturele samenleving. Beide elementen van Herders denken komen daarin terug: het recht om onderlinge verschillen te tonen en het idee dat ondanks deze verschillen iedereen gelijk is.

Carl Schmitt (1888-1985)
Het volk moet schreeuwen in plaats van stemmen

Carl Schmitt steunde Hitler en vond het volk oliedom. Filosoof René ten Bos schrijft in Het volk in de grot: ‘Voor hem is het volk het lage en het minderwaardige bij uitstek. Het volk is het substantieloze. Je krijgt, als je Schmitt leest, bijna de indruk dat het volgens hem slijmerig en walgelijk is. Omdat het volk is wat het is, kan het in al zijn laagheid ook niet gerepresenteerd worden in bijvoorbeeld een volksvertegenwoordiging.’ En onze parlementaire democratie dan? Een illusie, volgens Schmitt, waarin het volk denkt iets te zeggen te hebben, terwijl dat helemaal niet zo is. ‘Schmitt is ervan overtuigd dat acclamatie – letterlijk: schreeuwen of luidkeels duidelijk maken dat je het ergens mee eens of oneens bent – een veel gezondere praktijk is om dat vormloze volk bij de politiek te betrekken dan representatie, iets wat volgens hem wel op corruptie moet uitlopen’, schrijft Ten Bos. Een visie die gevaarlijk kan zijn: Ten Bos geeft als voorbeeld het moment waarop Geert Wilders zijn aanhangers vroeg of zij meer of minder Marokkanen wilden en zij daarop ‘Minder! Minder!’ scandeerden. En wat dat ‘vormloze’ betreft: Schmitt benadrukt dat in elke staat de gemeenschap per definitie niet universeel is. Ofwel, er is altijd sprake van een ‘wij’ tegenover een ‘zij’.

Schmitt was te spreken over Hobbes’ idee dat het volk de machthebber moest gehoorzamen – wat volgens sommigen zijn steun aan het naziregime en Hitler verklaart. Maar wie denkt dat Schmitts denken enkel aansluiting vindt bij dictators heeft het mis. Wonderlijk genoeg inspireert de extreemrechtse Schmitt tegenwoordig linkse filosofen. Zo gebruikt Bruno Latour – de grote klimaatdenker – Schmitts werk om te beargumenteren dat we in dit tijdperk van smeltende ijskappen moeten inzien dat we in oorlog zijn. Een voorbeeld? Een klimaatontkenner en een Greenpeace-activist streven een fundamenteel andere agenda na, wat betekent dat ze moeten inzien dat ze elkaars vijanden zijn. Wat volgens Latour overigens niet betekent dat ze moeten overgaan op haat of geweld.

Antonio Negri (1933)
Het volk moet nog steeds in opstand komen

Schandalen, intrige, gevangenschap, ontsnapping – de biografie van de Italiaanse acti­vistische filosoof Antonio Negri heeft wel iets weg van een Hollywood-kaskraker. ‘Toni’ is overtuigd marxist en co-auteur van Empire, door sommigen omschreven als een herschrijving van Marx’ Communistisch manifest voor de eenentwintigste eeuw. Zijn boodschap is dan ook hetzelfde als die van zijn grote voorbeeld: het volk moet in opstand komen! Daar doet hij zelf graag aan mee, wat hem de bijnaam ‘filosoof-terrorist’ opleverde.

Negri is sterk tegen globalisering. Wij leven in een conditie die hij empire, imperium, noemt. Hiermee bedoelt hij een netwerk van kapitalistische kracht, dat uitstijgt boven elke natiestaat. Dit imperium manipuleert het volk op subtiele wijze, waardoor we ongemerkt de waarden van het kapitalisme – consumeren! winst! – in ons opnemen. We leven in een wereld waarin alles nep is, vindt Negri, en wij rondlopen als hersenloze drones. Burgers denken dat ze vrij leven in een democratie, maar ze leven in een totalitaire, controlerende maatschappij. Toch staat Negri positief tegenover dit imperium: de globalisering heeft ervoor gezorgd dat de macht van de natiestaten verbroken is. En dat zorgt ervoor dat er ruimte ontstaat om het kapitalisme op mondiaal niveau omver te werpen.

Negri schreef Empire in de gevangenis. Hij werd gevangengezet wegens ‘het leiden van een staats­gevaarlijke organisatie’. Zijn group Autonomia Operaia (Arbeiders’ autonomie) pleegde ruim 150 aanvallen tegen burgers en meer dan 200 overvallen. Hij is ervan beschuldigd ook de leider te zijn geweest van de Rode Brigades, de Italiaanse communistische terreurbeweging, en de Italiaanse minister-president Moro vermoord te hebben. Amnesty International liet zich kritisch uit over zijn proces. Filosoof Michel Foucault zei dat Negri simpelweg in de Italiaanse cel belandde omdat hij een intellectueel is. Na vier jaar gevangenschap vluchtte Negri per zeilboot naar Frankrijk. Daar bracht hij veertien jaar in ballingschap door, om vervolgens terug te keren naar Italië om de rest van zijn straf uit te zitten. Hij is nu weer op vrije voeten, en roept als overtuigd communist nog steeds op tot revolutie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.