Home Zeker weten? De experimentele twijfel van René Descartes

Zeker weten? De experimentele twijfel van René Descartes

Door Han van Ruler op 05 maart 2013

05-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Er zijn al zoveel theorieën! En bij elke nieuwe wetenschappelijke vondst ontstaat direct een algehele sfeer van discussie en onenigheid. Hoe kunnen we met ons gezonde verstand zo goed mogelijk de ware en de onware theorieën van elkaar onderscheiden? Regel 1 van Descartes: Nooit zomaar iets aannemen van een ander. Neem alleen in overweging wat je zelf helder inziet.
 
Descartes’ beroemde twijfelexperiment was een vorm van zelfonderzoek. Hoe kan het dat wij ons regelmatig vergissen, vroeg hij zich af. En: wat is nou eigenlijk een mens? Descartes (1596-1650) wilde vaststellen hoe onze ideeën tot stand komen en waarom niet elk onderzoek tot waarheid leidt. We worden geboren met een gezond verstand, met ogen en oren en een vermogen om waar en onwaar van elkaar te onderscheiden. Waarom vergissen we ons dan? Het zou toch veel logischer zijn dat we om ons heen kijkend direct alles zeker zouden weten? Welbeschouwd leven we in een soort spooktoestand. Als we in sommige gevallen geloven in onwaarheid, wie zegt mij dan dat we dat niet altijd doen? Wie zegt mij, stelde Descartes in de Meditaties, dat wij niet altijd dromen en dat de buitenwereld alleen bestaat in onze verbeelding?

Om eens en voor altijd vast te stellen waaruit het verschil bestaat tussen waarheid en onwaarheid, verzon Descartes een radicale test: omdat ik mij soms vergis, dacht hij, ga ik alles wegstrepen waarin ik mij eventueel zou kunnen vergissen en kijken of ik iets overhoud waarin ik mij niet vergissen kan. Misschien kan ik van daaruit steeds de juiste weg vinden en mij vasthouden aan de waarheid. Met zekerheid als doel wierp Descartes zich willens en wetens in de absolute twijfel en wantrouwde hij bewust wat hij ooit voor waar had gehouden.

Was Descartes ziek? Zat hij in een crisis? Het lijkt er niet op. Descartes’ zelfonderzoek getuigt weliswaar van een verregaande filosofische gevoeligheid, maar de motivatie voor zijn twijfelproject ontleende hij aan zaken buiten zichzelf. Het onderzoek was bedoeld om de gebrekkigheid van de menselijke kennis in het algemeen te verklaren. Vandaar de vraag wat een mens eigenlijk is. Wist je eenmaal hoe de mens in elkaar zit, dan kon je ook begrijpen hoe hij tot kennis komt en waar het scheef gaat. Dat was hard nodig, want ook al zat Descartes niet zelf in een crisis, de filosofie en de wetenschap zaten dat wel.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Retorici en moralisten

Het waren bijzondere tijden: de ‘mechanisering van het wereldbeeld’ brak aan. Als wiskundige en wetenschapper hielp Descartes de klassieke natuurkunde mogelijk te maken. Maar tegelijkertijd was hij veel meer filosoof dan collega-wetenschappers als Galilei en Newton. Niet voor niets staat Descartes te boek als de vader van het moderne denken. Hij wilde de wetenschappelijke ontwikkeling in een breder filosofisch kader plaatsen. Hoe hangt wetenschappelijke kennis samen met onze dagelijkse ervaring? Wat zegt die samenhang over onszelf? En wat is de relevantie van die kennis voor onze toekomstmogelijkheden en ons gedrag?

Vragen die stuk voor stuk actueel waren in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De filosofie was al een tijdje elk gevoel voor richting kwijt. Had het vak in de Oudheid nog het karakter van een allesomvattende levensleer, in de Middeleeuwen had het zich ontwikkeld tot een hulpwetenschap van de theologie die zich bezighield met teksten van Aristoteles. De periode die wij nu als ‘Renaissance’ kennen had roet in het eten gegooid. Door de herontdekking van allerlei alternatieve geschriften uit de oudheid was het systeem van Aristoteles meer en meer in diskrediet geraakt. Humanisten droegen Plato op handen die naar hun smaak veel beter aansloot bij het christelijke denken. Net als nu kwam destijds de levenskunst centraal te staan. En net als nu vervaagden de grenzen van literatuur en filosofie. Misschien was de filosofie wel eeuwenlang een heel verkeerde richting ingeslagen. Dialectici, retorici en moralisten zochten hun heil in opvoeding en debat in plaats van in de waarheid. Maar ook de kennis van de natuur stond onder druk. Met de herontdekking van oude bronnen  kwamen er alternatieve theorieën op de markt. De herontdekte erfenis van platoonse, ‘hermetische’, stoïsche en atomistische geschriften gaf aanleiding tot alternatieve natuurverklaringen.
 
De crisis had de vorm van een intellectueel onbehagen uit overvloed. Naast de aristotelische traditie en het nieuwe humanistische elan was er nog een bonte verzameling van praktische wetenschappen, variërend van puur wiskundig tot en met magisch experimenteel. Ze waren onderling moeilijk te onderscheiden. De beschrijvende astronomie kon het in principe zonder verdere interpretatie stellen, maar in de praktijk trokken astronomen vaak de horoscopen van hun vorsten. Onder invloed van onder andere Plato’s natuurkunde uit de Timaeus en de geheime leer van de legendarische Hermes Trismegistos was een wetenschappelijk conglomeraat ontstaan van alchemie, astrologie en natuurfilosofie. Theoretisch was het allemaal uitermate dubieus wat deze ‘wetenschappen’ te bieden hadden, maar qua activiteit kwamen de alchemisten nog het meest in de buurt van wat later de ‘experimentele methode’ werd. Bovendien begrepen zij als eersten dat het manipuleren van chemische stoffen wel eens uitermate belangrijk zou kunnen zijn voor de geneeskunde.

 

Descartes verbaasde zich over de totale wanorde die er bestond in filosofie en wetenschap. Hij kwam tot de conclusie dat alleen de wiskunde betrouwbaar was, maar dat die tot dusver onvruchtbaar was gebleken, terwijl de andere wetenschappen elke orde en systeem ontbeerden. In zijn eerste boek, de Uiteenzetting over de methode (1637), doet Descartes verslag van zijn grote, eigenlijk voor de hand liggende vondst: als de wiskunde wel werkt, maar onvruchtbaar is en de andere wetenschappen hebben nog geen methode, dan zouden we die wiskundige methode eens moeten toepassen op andere wetenschappen!
 

Evidente bouwstenen

Het lijkt een mooi idee, maar de vraag is wat Descartes precies bedoelt. Latere generaties zou het opvallen dat hij, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Newton, zo verbluffend weinig wiskunde in zijn natuurkunde verwerkte. Voor Descartes was de wiskundige methode dan ook geen kwestie van kwantificeren, maar een kwestie van ordelijk en voorzichtig redeneren. Zo ‘ordentelijk’, dat je geen enkel onderdeeltje overslaat, maar precies genoeg evidente bouwstenen zoekt waarmee elk gaatje van een bewijs gevuld wordt.

‘Wiskundig’ was volgens Descartes om het even welke denkwijze waar geen speld meer was tussen te krijgen. Het is dus mogelijk ‘wiskundig’ te redeneren zonder ook maar één formule te gebruiken. In de Uiteenzetting licht Descartes zijn nieuwe methode toe. Vier korte regels kunnen volstaan: 1. alleen in overweging nemen wat je zelf helder inziet en niks zomaar van anderen aannemen; 2. elk probleem opdelen in deelproblemen totdat je op het niveau van heldere inzichten belandt; 3. bewijzen stap voor stap opbouwen van eenvoudige inzichten naar ingewikkelde redeneringen; en 4. alles opsommen zodat je het overzicht houdt over het geheel.
Een rechter in een moordzaak heeft te maken met lange ketens van redeneringen en ingewikkelde dwarsverbanden. Hij staat dus voor een veel moeilijkere taak dan het kind dat taartpunten moet tellen voor de schooltelevisie. Maar volgens Descartes gaat het in principe om hetzelfde: houd alle elementen uit je redenering helder voor ogen en al je stappen zuiver!
 
‘Zeg nou eens niet te snel’, schreef Descartes in zijn Uiteenzetting, ‘het hart pompt het bloed door de aderen.’ En ga er vooral niet de oude Aristotelische of humanistische literatuur op nalezen. Nee, koop zelf eens een hart bij de slager, leg het op tafel en ga beetje bij beetje reconstrueren hoe het werkt. Je zult zien dat je met het voorbeeld van het hart net als in de wiskunde alles volledig kunt leren begrijpen als je maar ordelijk redeneert op basis van argumenten die volledig helder zijn.  De mogelijkheden zijn eindeloos: het leven, schreef Descartes, kan gemakkelijker worden door nieuwe technieken, een rationele moraal, en vooral een betere geneeskunde.
 

Intuïtief inzicht

Daar klinkt nauwelijks nog enige twijfel in door. Twijfelde Descartes wel echt? Toch wel. Hij was, zoals gezegd, altijd op zoek naar de bredere samenhang. En hij vond dat hij zijn tijdgenoten weinig nieuws te bieden had als hij zijn wetenschappelijke vondsten niet ook nog eens van een betrouwbaar filosofisch fundament kon voorzien. Er waren al zoveel theorieën! Descartes wilde vóór alles vermijden dat wat hij te zeggen had weer verloren zou gaan in de algehele sfeer van discussie en onenigheid. Vandaar zijn grote metafysische vragen: wie zijn wij eigenlijk? En waar komen onze verkeerde opvattingen vandaan? Daar moest de twijfel uitkomst bieden. Maar ook in de twijfel bleef Descartes trouw aan zijn eigen methode.

Stel Descartes heeft gelijk en alle bewijzen, zowel in de wiskunde als in de rechtszaal, zijn aaneenschakelingen van elementaire intuïtieve inzichten. En stel dat je niet alleen per wetenschap redeneringen zou willen opzetten, maar ook de betrouwbaarheid van de menselijke kennis zelf zou willen onderzoeken, dan moet je alle opgebouwde ervaringen en redeneringen loslaten en in een duizelingwekkende val gaan kijken of je op de bodem nog op een overgebleven intuïtief inzicht stuit. Dat is precies wat Descartes doet in zijn twijfelexperiment.

Het was een gevaarlijk project dat kon mislukken, maar het was eerder de logische consequentie van zijn eigen methode. Om een goede grond te vinden voor het vertrouwen in je kennis moet je eens in je leven op zoek gaan naar de basis van al je ervaring. In de Uiteenzetting schrijft Descartes dat dit voor hem een reden was om naar Friesland te verhuizen en ver van de Parijse drukte op zoek te gaan naar de fundamenten voor een nieuwe filosofie. In Nederland leefde je tussen mensen ‘die zeer bedrijvig zijn en zich meer bekommeren om hun eigen zaken dan dat ze nieuwsgierig zijn naar die van anderen’, dus dat was lekker rustig. Eenmaal in Franeker vond Descartes al gauw hoe de vrije val te stuiten was en je filosofisch voet onder de grond kunt krijgen. Al mediterend besefte hij dat ook wanneer hij willens en wetens alles in twijfel trok, hij er toch niet omheen kon in te zien dat hij dat deed. ‘Verrek,’ dacht hij, ‘hoe ik ook twijfel – ik denk, dus ik ben.’
 
Het lijkt een minimaal vertrekpunt. En het is nog lang geen wetenschap. Maar toch was het, vanaf het moment dat Descartes tegen zichzelf zei ‘Ik denk, dus ik ben’, voor de rest een kwestie van uitwerken. Want wat betekent het dat ik inzie dat ik iets ben dat zich aan elke waarneming onttrekt, maar zich tegelijk van alles bewust is? Plat gezegd betekent het dat ik een ‘ziel’ ben en geen ‘lichaam’, maar dat maakt alles eerder onduidelijker dan dat het de zaken verheldert. Waar het Descartes om ging, was dat dit ‘ik’, ofwel datgene dat iets waarneemt, inziet of beslist, altijd aanwezig is, onafhankelijk van wat er zich aan dit ik voordoet. Het beslissingsmoment is iets anders dan het opnemen van indrukken.
 

Beperkte machine

De mens is dus meer dan een indrukkenmachine, maar geeft als een innerlijk ‘ik’ zijn goed- of afkeuring aan de indrukken die hij ontvangt. In dat beslismoment kan het ook misgaan, want het biedt een opening voor mogelijk verkeerde beslissingen die niet op intuïties gebaseerd zijn. Daar komt nog eens bij dat we alle informatie die er uit de wereld tot ons doordringt, via het lichaam ontvangen. Het lichaam is een beperkte machine die ons vaak geen betrouwbaar beeld geeft van de wereld. Maar daar is die informatie ook niet voor bedoeld. De natuur, of God, heeft ons lichaam zo in elkaar gezet dat de informatie die we erdoor ontvangen, genoeg is om ook zonder wetenschap of kennis in de natuur te kunnen overleven.

Tegelijkertijd hebben we, ook al worden we soms bedrogen, nog altijd de intuïties van het ‘ik’. Daarmee kunnen we op een wetenschappelijke manier reconstrueren hoe we in een bepaald geval misleid zijn. God, of de natuur, heeft ons dus niet alleen een ingenieus lichaam gegeven, maar ook nog eens de middelen om de informatie die we via dat lichaam vanuit de wereld ontvangen, bij te stellen met behulp van onze intuïties. De rest is aan ons: houd je redeneringen zuiver volgens de methode van Descartes en geloof alleen wat je zelf helder hebt ingezien. Dus alleen via het ‘ik’ dat je leerde kennen toen je meedacht met Descartes en besefte ‘Hé, ik denk… dus ik ben.’
 
Van Han van Ruler verscheen eerder De uitgelezen Descartes, uitg. Boom, 1999, met daarin de belangrijkste werken van Descartes in het Nederlands.