Home Mens en natuur Welkom in het Antropoceen
Mens en natuur

Welkom in het Antropoceen

Door Florentijn van Rootselaar op 29 september 2016

Welkom in het Antropoceen
Cover van 10-2016
10-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Peter Sloterdijk over het mogelijke einde van de wereld, en de roep om de wereld te veranderen. ‘We horen een stem die uit de crisis komt.’ 

De Mercedes – het S-type, de topklasse van het Duitse automobielmerk – beweegt zich bijna de hele rit met een flinke snelheid over de linkerbaan. Op de achterbank, met leren bekleding, zetelt Peter Sloterdijk, groot Duits denker. Voorin – naast de chauffeur – zit zijn nieuwe vriendin, die het interview op de achterbank aandachtig volgt. De grapjes van Sloterdijk, die zijn duidelijk voor haar bestemd.

Gespreksonderwerp: het Antropoceen, het tijdperk waarin overal op aarde de sporen van de mens zichtbaar zijn. Het tijdperk ook waarin de mens niet meer onbekommerd kan verbranden, waarin ons afval niet zomaar meer opgenomen wordt door de aarde. De menselijke afvalstoffen komen in het kwadraat terug naar ons, en bedreigen zelfs het voortbestaan van mens en natuur op aarde – denk aan het broeikaseffect.

Sloterdijk is te gast bij een tweedaagse conferentie over het Antropoceen. Een keur aan internationale filosofen en wetenschappers heeft zich de tweede dag verzameld in een Nijmeegs klooster. Tussen de middag rijdt Sloterdijk terug naar zijn hotel; we spreken elkaar op de heen- en op de terugweg, vóór en na de lunch.

Het Antropoceen is er onmiskenbaar, zegt Sloterdijk, die zelf een hybride auto bezit. ‘Wat wil je ook, als elke dag een stoet van  meer dan 100 miljoen auto’s over de wegen raast, als elke dag in minstens 2 tot 3 miljard huizen op de aardoppervlakte een open vuur wordt aangestoken, als meer dan 100.000 schepen met zware olie over de oceanen varen, als elke dag een luchtvloot van 50.000 vliegtuigen dankzij kerosine de lucht in gaat, als mensen in de gebieden met een gematigd klimaat minstens de helft van het jaar hun woning verwarmen? Dan heb je werkelijk alles gedaan wat nodig is om het broeikaseffect tevoorschijn te roepen.’

Titaan

De hedendaagse aanslag op onze wereld vloeit volgens Sloterdijk voort uit onze typisch menselijke lust in het verbranden. ‘De voornaamste bezigheid van de mens op aarde is verbranden. Dat begon in de Middeleeuwen met houtskool; die werd toen niet gevonden, maar door mensen gemaakt. Dan komt de tijd van de bergmensen, die de kolen halen uit de diepten van de aarde. Zo volgt een reusachtige, infernotechnische beschaving, die gebouwd is op verbranding. Vanaf 1850, 1900 volgt het aardolietijdperk. Olie is na de kolen een tweede Titaan die uit de aarde oprijst om arbeid te verrichten.

Die ontwikkeling is tot op heden niet opgehouden. Tegenwoordig leven we in een nucleair regime, en er zijn ook weer andere regimes. Ondanks de afwisseling van regimes blijft de hoofdgedachte hetzelfde: we winnen energie die we verbranden.’

Bijwerking

De bedoelingen van de verbrandende mens zijn misschien best goed, maar de effecten zijn desastreus. Dat is de tragiek van de moderne mens. ‘Sinds 1700 ziet de mens zichzelf als een wezen met een missie – maar we zijn vooral een wezen met een e-missie, met uitstoot; we leven in het tijdperk van de bijwerkingen. De ironie van onze samenleving is dat we denken dat we een doel hebben, dat we iets voor elkaar kunnen krijgen. Dat klopt ook, maar ondertussen zijn de bijwerkingen sterker dan de werkingen. Al die bijwerkingen stapelen zich op tot een effect dat niemand wilde.

Om dat effect te karakteriseren gebruiken we in de natuurwetenschap het woord ‘Antropoceen’: door de mens geschapen machines veranderen de metabole processen van de aarde.’

Die machines zijn de hefbomen van de mens, zegt Sloterdijk. Dankzij de hefboom verandert onze muizenkracht in een reusachtig vermogen – om te produceren, maar tegelijkertijd om uit te stoten, te vernietigen. ‘Je kunt zeggen dat we de hefboomwerking in onze tijd voor de tweede keer hebben ontdekt. In de Klassieke Oudheid hadden we het over mechane, het idee van de hefboom, waar de hele mechanica uit voortkomt. Een hefboom betekent: met een kleine kracht een grotere last bewegen. In de moderne technologie doen we niet anders: de mensheid gaat in wezen niet anders om met de eigen kracht dan vroeger; we zijn alleen handiger geworden, onder meer door de vele robotachtige slaven die we in dienst hebben. De stoommachine – een krachtsysteem gecombineerd met een uitvoeringssysteem – was al echt een robotslaaf, al ontbrak de intellectuele component nog die je wel in moderne robots ziet.’

Mythologie

Het probleem is dat niemand schuldig lijkt te zijn aan de vernietiging van de aarde. ‘Ieder individu kan zeggen: ik was het niet. Het waren de Titanen. We leven werkelijk in een tijdperk van objectief titanisme. De reusachtige energiesubjecten Kool en Aardolie, die voor het grootse deel onder de aarde gebonden waren, komen naar boven. Het heeft alles weg van een aardse mythologie. In de jaren twintig sprak men in Duitsland werkelijk over de Titanen. Er was een nieuwe burgerlijke mythologie uitgevonden. In het bijzonder Friedrich Georg Jünger, de broer van Ernst Jünger, bleef maar met de Titanen dwepen, omdat hij eindelijk een metafoor had gevonden om het reusachtige te bezweren, het reusachtige dat was opgedoken in de moderne transacties tussen mens en aarde.’

Het woord ‘Antropoceen’ gebruiken we volgens Sloterdijk vooral om een schuldige aan te wijzen voor de levensbedreigende veranderingen op aarde. ‘Interessant is dat we het woord “Antropoceen” vooral gebruiken om een aanklacht te formuleren: het wordt dan wel gebruikt als geologisch begrip, maar in werkelijkheid is het juridisch of moreel geladen. Voor het eerst in de geschiedenis wijzen we een schuldige aan voor de evolutie die heeft geleid tot de huidige staat van de wereld. En als je daders benoemt, dan weet de aanklager bij wie hij moet zijn.
In de eenentwintigste eeuw kan het woord “Antropoceen” dus gebruikt worden om een dader te zoeken, een macrocrimineel. Maar dan zul je iets zien wat we al wisten: wie te veel aanklaagt, klaagt niets aan. Dat zou met het Antropoceen ook weleens zo kunnen gaan. Wil de aanklacht werken, dan zul je preciezer moeten zijn.’

Hoe zou zo’n aanklacht eruit kunnen zien?
‘Het is goed denkbaar dat in de tweede helft van de eenentwintigste eeuw de ontwikkelingslanden een zeer heftig proces tegen de industrielanden zullen voeren. Daar zijn nu al aanwijzingen voor. Men begint bijvoorbeeld de schade uit het kolonialisme te berekenen. Er kan een nieuwe vorm van ecologische berekening ontstaan: degenen die niet geprofiteerd hebben van het uithollen van de aarde, degenen die de aarde niet vernield hebben, zullen aan de veroorzakers, de rijke landen, een rekening sturen, ook uit naam van het Antropoceen. De vraag is wel of achter zo’n aanklager genoeg energie staat om echt te zorgen voor een schadevergoeding – en dat is zeer onwaarschijnlijk.’

Brengt het Antropoceen – het inzicht dat de mens de aarde vernietigt – een nieuwe manier van leven met zich mee?  
‘Ja, we leven in een civilisatie die gebaseerd is op fossiele energie. Daarin konden we verbranden, verkwisten en exploiteren. Dat zijn de drie universalia van de fossiele-energiecultuur. Een zeer expressionistische cultuur, die gericht was op een veruitwendiging van bijwerkingen; de natuur slikte alles. Als die zorgeloze vorm van externalisering niet meer mogelijk is, verandert de manier waarop we in de wereld zijn.’

Kun je überhaupt nog wel leven als je weet dat het menselijk tijdperk ten einde loopt?
‘Ja. Je kunt leven in zo’n wereld zolang je vertrouwen hebt in de intelligentie, zolang je gelooft dat er door de menselijke intelligentie iets aan te doen is. Als je dat niet denkt, dan rest je resignatie of zelfs het cynisme van “na ons de zondvloed”. Dan worden we als collectief wat Nietzsche enigszins profetisch “de laatste mens” genoemd had. Alleen zie je het nu in een heel andere zin dan bij hem. Bij hem waren de laatste mensen de kleine lieden, de sociaaldemocraten, liberalen, kleine protestanten, katholieken – alles wat Europa toen nog te bieden had. Terwijl we nu alleen nog de laatste consument of de laatste toerist hebben. Het eerste wat de mensen in de zich ontwikkelende wereld willen – in Brazilië, in China, in India – zijn de privileges die Amerikanen en Europeanen al langer bezitten: we willen reizen, entertainment, consumeren en een erotische liberalisering. In de eenentwintigste eeuw wordt die groep een miljard mensen groter. En dat doet de goede oude aarde natuurlijk geen goed.’

Is er geen alternatief voor die laatste mens? Je ziet toch ook een groene beweging die aan kracht wint?
‘Ja, er is ook een tegengeluid, al klinkt dat soms anders dan je denkt. Het gevaar is dat er ook een ecologisch gemaskeerd neofeodalisme ontstaat, waarin een of andere ecokoning aan de top van de samenleving een zeer comfortabel en volkomen milieuvriendelijk leven leidt. Ondertussen leeft ergens onderaan de massa van consumenten, een sociaaldemocratisch proletariaat – dat is blijven steken in een kapitalistische versie van de Middeleeuwen.’

Hoe zit het leven in die middeleeuwse sociaaldemocratie eruit?  
‘Precies als tegenwoordig. Maar wel anders, en interessant is dat er een nieuw superproletariaat ontstaat – van degenen die niet behoren tot de rijken noch tot de gematigden –, dat zich bezighoudt met apocalyptisch hooliganisme. Daar zullen we nog veel van horen. Wat ze doen? Ze laten zich gaan, in de hoop dat iemand ze ziet.’

De lunch van Sloterdijk. Zo’n twee uur samen met zijn vriendin op het terras, met uitzicht over een heuvelachtig – we zijn in Nijmegen – romantisch landschap. Een glas Rotwein, veel grapjes, gelach, onderonsjes. Geluk. Een vraag dringt zich op: is er geen ander perspectief op de toekomstige wereld, een iets hoopvoller perspectief? Dat is de vraag voor na de lunch.

Meneer Sloterdijk, is er geen alternatief voor een wereld van ecokoningen en apocalyptische hooligans?
‘Ja, die is er wel degelijk. Cynisme is niet het enige wat ons rest, al is het een reële mogelijkheid. Het alternatief is wat ik vanmorgen ook hoorde bij de Nederlandse denker Sjoerd van Tuinen, van wie ik zeer onder de indruk was. Er is een overgang van kritiek naar zorg, zei Van Tuinen terecht. Je ziet het overal: er is plotseling een nieuw ethos, van recycling, van plezier scheppen in de beperking in plaats van onvoorwaardelijke expansie. Er zijn tendensen tot nulgroei. Dat hangt allemaal in de lucht. Al dreigt altijd het gevaar dat een nieuwe elite hier alleen maar goede sier mee wil maken. Maar dat er ook een nieuwe imperatief is, dat weet iedereen.’

Hoe ziet Sloterdijk die nieuwe ethiek? Belangrijk voor hem is dat die niet uitgaat van de over de wereld heersende mens met een missie. Sloterdijk – die zich steeds meer ontpopt als criticus van de moderniteit, waarvan het autonome individu de duidelijkste incarnatie is – blijft ver van het ideaal van de redelijke mens die een nieuwe ethiek opstelt voor een nieuwe tijd. Sloterdijks wereld is precies omgekeerd: eerst is er een situatie – het Antropoceen – waardoor iemand aangesproken wordt. Dan pas ontstaat een nieuwe ethiek en zelfs een nieuwe mens. Kortom, eerst was er de situatie, dan pas is er de mens.

Sloterdijk: ‘We horen een stem die uit de crisis komt, die een nieuw perspectief geeft. Het begint bij het zien van het probleem, bij boodschappers die het zien en het formuleren. Zo ontstaat een nieuwe ethiek. Bij Nietzsche zag je een sterk besef van het ontstaan daarvan, zo blijkt uit de ondertitel van zijn Aldus sprak Zarathustra – een boek voor iedereen en niemand. Als er een nieuwe manier van leven ontstaat, is er aanvankelijk niemand die die volgt.

Dat is het interessante van een nieuwe ethiek: de volgers zijn er nog niet. We worden opgeroepen door een verkondiging die steeds luider klinkt. Daarom moet je de toekomst denken als een roep, net als bij Augustinus. Alles wat gebeurt komt voort uit de roepende. Moraal wordt zo een resonantiefenomeen. De crisis roept, de gelovige volgt – of volgt niet.’

Wat moet je doen om die roep te horen? 
‘Op een gegeven moment kun je je niet meer afsluiten voor de roep als je omgeven wordt door miljarden die hem horen. Maar de roep wordt natuurlijk ook verstoord door de verstrooiing, de amusementsindustrie, de frivoliteit, maar ook door de hoop dat het niet zo erg zal worden, door de typisch menselijke neiging om zo’n imperatief te willen afzwakken.’

Even voor de duidelijkheid: van wie is de stem waarnaar we luisteren – van Al Gore, van klimaatwetenschappers? 
‘Dat zijn media waardoor we die stem van de crisis horen. Het leidt ook tot misverstanden en het is contraproductief als je jezelf opwerpt als stem van een nieuwe beweging. Ik denk dat bijvoorbeeld alles wat Al Gore heeft gedaan voor het ecologisch bewustzijn alleen maar heeft tegengewerkt. De toon was bij hem wel heel catastrofaal, wat eerder leidt tot resignatie dan tot bezinning. Dat zie je vaker als er een nieuw ethos is. Bij Luther heb je het ook – het probleem van de valse profeet. Wat niet wegneemt dat er wel degelijk profeten zijn die ons berichten van die nieuwe wereld.’

Bent u ook een profeet?
‘Ja, natuurlijk. Maar maak die profeet niet te belangrijk. Ik ben niet meer dan iemand die de stem doorgeeft, en dat doe ik op mijn manier. Ik sta dichter bij Melanchthon dan bij Luther – dat wil zeggen, dichter bij de gematigde dan bij de fanatieke strijder. Maar dat er iets te zeggen is, dat er iets gezegd moet worden, dat is duidelijk.’