Home Psyche Weg met alle taboes! Kan dat wel?
Psyche

Weg met alle taboes! Kan dat wel?

Door Annette van der Elst op 20 januari 2009

01-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

Je werk niet meer aankunnen, geen kinderen kunnen krijgen – zomaar twee taboes uit de onlangs gepubliceerde Taboe Top-Honderd. Steeds vaker horen we dat we al die taboes niet moeten hebben, maar open moeten kunnen zijn over onszelf en de meest intieme dingen moeten kunnen vertellen. Hoe is dat zo gekomen? En waar kan het toe leiden?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Schrijfster Suzanna Jansen vertelt in haar veelgeprezen boek Het pauperparadijs dat haar voorouders werden geïnterneerd in de armenkolonie Veenhuizen in Drenthe, het sociaal experiment dat in de negentiende en begin twintigste eeuw beoogde arme mensen – vaak landlopers – te heropvoeden. Met haar ontboezeming van arme ‘afkomst’ te zijn oogstte Jansen kortgeleden nog waardering aan de tafel van het televisieprogramma De wereld draait door. Ze had daarmee een taboe doorbroken, vonden presentator Mathijs van Nieuwkerk en zijn tafelheer van die dag Jort Kelder. Jansen bevestigde dat hun nederige afkomst gevoelig lag in haar familie. Haar grootmoeder had het in haar ogen schaamtevolle gegeven verhuld met de mythe dat ze van een voorname familie zouden afstammen en arm waren vanwege een misgelopen erfenis.

Arm zijn behoort, inderdaad, tot de hedendaagse taboes, zo blijkt uit de Taboe Top- Honderd die de KRO ruim twee jaar geleden samenstelde op basis van een onderzoek van TNS NIPO onder twaalfhonderd Nederlanders. Armoede neemt op deze lijst in verschillende gedaanten een plaats in: schulden hebben, geen geld hebben voor het schoolreisje van je kind, afkomstig zijn uit een achterstandsmilieu of moeten leven van een uitkering.

Een verdere greep uit de honderd meest genoemde taboes: dik zijn, aambeien hebben, naar een prostituee gaan, George Bush een goede president vinden, de monarchie willen afschaffen, je partner dom vinden, de komst van allochtonen naar Nederland willen beperken, je werk niet meer aankunnen, je huisdier verwaarlozen, batterijen bij het gewone huisvuil gooien, geen kinderen kunnen krijgen, seksueel verlangen naar je eigen kind…

Open zijn

Taboes zijn ongewenst en we zouden ‘open’ moeten kunnen zijn over de situatie waarin we verkeren of over de gevoelens, aandoeningen en opvattingen die we hebben. Weg met censuur en schaamte. Dat lijkt de heersende opinie te zijn waarin ook de aanmoedigingen van Mathijs van Nieuwkerk en Jort Kelder thuishoren. Op andere momenten is de constatering dat iets een taboe is meteen ook een oproep om het onderwerp bespreekbaar te maken. ‘Ja, we hebben hier te maken met een taboe’, zei een neuroloog-psychiater onlangs toen hij in een radioprogramma sprak over de aandoening restless genital syndrome – een permanent gevoel van een bijna-orgasme. Hij pleitte voor meer openheid over deze neurologische aandoening waarmee een niet onaanzienlijk aantal vrouwen behept is en sterk onder lijdt, zo verzekerde de arts. Niet alleen omdat dit permanent aanwezige gevoel ronduit onplezierig is, maar vooral ook omdat deze vrouwen zich er – ten onrechte – voor schamen, er niet over kunnen praten en veroordeeld en bespot worden als ze dat toch doen.
 

Vrijheid en ontplooiing

De opvatting dat taboes schadelijk zijn voor het individu en daarom moeten worden geslecht is vooral sinds de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw gemeengoed geworden, toen pleitbezorgers van een vrije, taboeloze samenleving op de barricaden klommen vóór de bevrijding van het individu, tégen de repressieve samenleving. Je zou ze als erfgenamen van twee belangrijke intellectuele tradities kunnen zien: de psychoanalyse en het negentiende-eeuwse liberalisme, dat individualiteit, individuele vrijheid en ontplooiing wilde beschermen tegen de inperkende macht van het collectief.

Een belangrijk vertegenwoordiger van dat liberalisme is de Engelse liberale denker John Stuart Mill (1806-1873). In zijn fameuze essay Over vrijheid (1869) hekelt hij de sociale tirannie, de dwang die uitgaat van heersende gedachten en gevoelens. Die vorm van tirannie heeft zelfs een groter effect dan politieke onderdrukking, stelt Mill. Omdat ‘er minder mogelijkheden zijn om eraan te ontsnappen, het veel dieper in het leven binnendringt en de ziel zelf onderwerpt’. Om de individuele vrijheid en ontplooiing te beschermen, is inperking van de tirannie van machthebbers dan ook niet voldoende. Belangrijker is de bescherming tegen de sociale dwang. Zonder die bescherming zouden mensen steeds meer op elkaar gaan lijken. Mensen zijn in Europa op het eerste gezicht wel individueler (dan bijvoorbeeld de Chinezen), maar dat is schijn: ze lezen dezelfde boeken en kranten, luisteren naar dezelfde muziek, zien dezelfde dingen, gaan naar dezelfde plaatsen en verlangen uiteindelijk allemaal hetzelfde.
 

Schuldig voelen

Hoe kan het dat mensen zich zo eenvoudig onderwerpen aan de sociale dwang? Vaak is daar niet eens sturing van buiten voor nodig. Mensen houden zich uit zichzelf en vrijwillig aan de sociale regels. Wat zijn de mechanismen die ervoor zorgen dat deze tirannie, om met Mill te spreken, ‘zoveel dieper in het leven binnendringt’? Dat waren de vragen die Sigmund Freud (1856-1939) bewogen en hem brachten tot zijn belangrijkste psychoanalytische inzichten. Sommige dingen doen we niet, concludeerde hij, eenvoudigweg omdat ze taboe zijn. Frappant is dat niemand ons ervan hoeft te overtuigen dat ze taboe zijn. Een strenge heerser die zijn wet oplegt is al helemaal niet nodig. We hebben de regels voor wat taboe is verinnerlijkt: we gaan die dingen uit de weg omdat we ons ervoor schamen, of omdat we ons er schuldig over voelen. De oude onderdrukker heeft plaatsgemaakt voor ons geweten, dat beveelt wat wel en wat niet mag.

Het is opvallend dat Freud het woord ‘taboe’ gebruikt om dit soort verinnerlijkte verboden te beschrijven. Het woord ‘taboe’ is namelijk afkomstig uit primitieve samenlevingen: in 1777 schreef de ontdekkingsreiziger James Cook, als een van de eerste westerlingen, over het tabu op het Polynesische eiland Tonga. De stelling van Freud is dat we zelfs in onze moderne tijd niet zoveel verschillen van dat soort samenlevingen. ‘Het taboe’, schrijft Freud in zijn voorwoord van Totem en taboe (1913) ‘leeft eigenlijk nog steeds voort.’

Taboes staan volgens Freud aan de oorsprong van beschaving, ook die in de moderne tijd. Beschaving en cultuur zijn volgens hem gebouwd op onderdrukking van driften; mensen moeten afzien van onmiddellijke bevrediging van hun seksuele driften, en een seksuele relatie met verwanten is al helemaal verboden. Vandaar het incesttaboe. Ook inperking van agressieve driften is nodig. De cultuur moet alles in het werk stellen om aan de vijandigheid van één tegen allen en van allen tegen één paal en perk te stellen.

Hoewel de mensen zich volgens Freud in eerste instantie lieten bepalen door de taboes vanwege hun angst voor het verlies van de liefde en de bescherming van de almachtige ouder, is het opvallend dat er ook op het eiland Tonga niet altijd een straffende ouder of leider nodig was om die angst te voelen. Die waren niet meer nodig, omdat de inwoners van Tonga die voorschriften voor taboes verinnerlijkten: het geweten ontstond.
 

Neurose

Niet alle culturen gaan er even ver in beperkende taboes, wetten en gebruiken op te leggen. En wat Freud betreft – die overigens enkele essays van Mill vertaalde – ging de moraal van zijn tijd te ver. ‘De huidige cultuur’, zegt Freud in Het onbehagen in de cultuur (1930), ‘geeft duidelijk te kennen dat ze seksuele relaties alleen toestaat als ze gebaseerd zijn op een unieke, onlosmakelijke band tussen man en vrouw, dat ze de seksualiteit als zelfstandige bron van lust niet op prijs stelt en alleen gedoogt omdat mensen zich tot dusver niet op een andere manier kunnen vermenigvuldigen. Dat is natuurlijk extreem.’ Seksuele taboes en verboden negeren volgens hem de verschillen in aangeboren en aangeleerde seksuele voorkeuren. Daardoor beroven taboes een groot aantal mensen van seksueel genot, waardoor ze een bron worden van grove onrechtvaardigheid.

De mens kan volgens Freud zelfs neurotisch worden doordat hij die onderdrukking van onder meer seksualiteit niet kan verdragen. Een teveel aan repressie leidt tot een zieke samenleving. Dat inzicht leidt er bij Freud niet toe dat hij alle vormen van onderdrukking van driften verwerpt. Volgens hem zijn we niet veel gelukkiger zonder cultuur, in een wereld waarin onze driften vrij baan krijgen. Juist de cultuur biedt ook bescherming aan de mens – bescherming tegen andere mensen en tegen de natuur. Dat natuurvolkeren gelukkiger zouden zijn is volgens hem eveneens een illusie. Ook de driften van de primitieve mens zijn onderworpen aan beperkingen – andere en mogelijk strengere beperkingen dan die van de moderne cultuurmens.
 

Niet-repressieve samenleving

Terwijl Freud nog wees op het belang van onderdrukking door een cultuur, zullen zijn volgelingen in de jaren zestig van de vorige eeuw beweren dat een niet-repressieve samenleving mogelijk is. Een van die volgelingen is Herbert Marcuse (1898-1979). Hij is medeoprichter van de Frankfurter Schule en inspirator van de linkse protestbewegingen in de jaren zestig en zeventig. Net als Freud geloofde hij dat beschaving alleen mogelijk is als mensen niet onmiddellijk toegeven aan hun seksuele en andere verlangens. Maar anders dan Freud meent hij dat een repressie van de seksuele driften niet altijd noodzakelijk is. Als de driften niet worden onderdrukt, zullen ze zich vanzelf omvormen. Mensen zijn van nature niet alleen maar gericht op platte seks; ze willen uit zichzelf die ‘energie’ ook gebruiken om andere, meer ‘ beschaafde dingen’ te doen. Mensen zijn, met andere woorden, uit zichzelf geneigd tot sublimatie van hun driften. Ze streven bijvoorbeeld uit zichzelf naar liefde; dat kan niet worden afgedwongen door de wet. Integendeel, als we de mens dwarsbomen in zijn pogingen tot sublimatie, kan dat volgens Marcuse juist leiden tot ‘onbeschaafd gedrag’.

Marcuse zal de bevrijdingsbeweging inspireren op te roepen ‘alle taboes van je af te werpen’. Hoewel Marcuse een radicale verandering van de kapitalistische samenleving voorstond, en (juist) niet slechts een bevrijding van seksuele driften, is vooral dat laatste ideaal overeind gebleven – tot in onze tijd. Dat ideaal heeft ook tot veranderingen geleid. Vooral veel seksuele taboes zijn geslecht: homoseksualiteit is meer geaccepteerd, ongetrouwd samenwonen is bijna nergens een probleem meer et cetera. Veel taboes zijn verdwenen.

Het lijkt dan ook alsof we de afgelopen eeuwen alleen maar steeds vrijer zijn geworden. Daar valt echter wel wat op af te dingen. De onderdrukking door onze omgeving is niet verdwenen. Ter afsluiting een voorbeeld: een typisch moderne vorm van die onderdrukking is, paradoxaal genoeg, niet meer dat we dingen moeten verbergen die in onze samenleving niet worden geaccepteerd. Tegenwoordig wordt ons juist gevraagd om niets te verbergen en alles met iedereen te delen – ‘want we willen toch geen taboes hebben.’ Op televisie vertellen we dan ook alles over moeilijke privékwesties. Begripvolle interviewers horen ons uit over zaken waar vroeger niet eens over werd gesproken in het eigen huis. Onder het mom van een bevrijding, het opgeven van taboes, wordt ons gevraagd steeds meer over onszelf te vertellen. Terwijl het niet per se een taboe is dat ervoor zorgt dat je niet alles vertelt, dat je hecht aan de privésfeer – sommige dingen houden we liever gewoon voor onszelf.