Home Waarom we allemaal een goeroe nodig hebben

Waarom we allemaal een goeroe nodig hebben

Door Michel Dijkstra op 27 juni 2018

Waarom we allemaal een goeroe nodig hebben
07-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Een goeroe (letterlijk: ‘zwaargewicht’) kan met een paar eenvoudige aanwijzingen bij zijn leerling diens onjuiste visie wegnemen, zegt hindoedenker Shankara. Niet door hem iets nieuws te leren, maar door de leerling te wijzen op wat er al in hem aanwezig is.

Wat is de mens? Bestaan we alleen uit een lichaam of hebben we ook een onsterfelijke ziel? Filosofen uit alle windstreken houden zich al duizenden jaren lang met deze oervragen bezig. Shankara Acharya (‘Meester Shankara’), een hindoedenker uit de Indiase Middeleeuwen, formuleerde een van de meest invloedrijke antwoorden uit de oosterse filosofie. Hij stelt dat de mens op zoek moet gaan naar zijn ware essentie of ziel, die voorbij het beperkte ‘ik’ ligt: ‘De individuele ziel is niet meer dan een verschijningsvorm van het hoogste Zelf, zoals de reflectie van de zon in het water. De individuele ziel is noch direct het hoogste Zelf, noch iets anders. Als het ene gereflecteerde beeld van de zon trilt, betekent dat niet dat ook het andere gereflecteerde beeld van de zon trilt, en evenmin zal dus als de ene ziel verbonden is met daden en gevolgen van daden de andere ziel net zo verbonden zijn.’

Uit deze woorden van Shankara (vermoedelijk negende eeuw na Christus) blijkt dat hij de mens als een geestelijk wezen ziet. Op het eerste gezicht vertoont zijn filosofie een grote overeenkomst met het denken van Plato, die de ziel ook als de essentie van de mens beschouwde. Maar terwijl de oude Griek het lichaam als ‘kerker van de ziel’ zag, zag de Indiër het lichaam en alle andere empirisch waarneembare dingen als een sluier (Maya) waarachter de mens ‘het werkelijke’ kan waarnemen. Deze ware werkelijkheid noemt Shankara het hoogste Zelf – Brahman in het Sanskriet.

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

De mens kan Brahman, de mysterieuze oergrond van alle dingen, ontdekken door naar binnen te keren. Wie zich weet te onthechten van alle rollen die hij of zij dagelijks speelt, zoals manager, ouder, echtgenote enzovoort, ontdekt volgens Shankara een diepere laag in zijn bewustzijn. Deze dimensie, die hij het ‘Zelf’ van de mens (Atman) of ‘ziel’ (jiva) noemt valt niet samen met alle rollen van het alledaagse ‘ik’, maar maakt ze paradoxaal genoeg wel mogelijk. In die zin vormt het Zelf de basis van het alledaagse bewustzijn.

Normaal gesproken is de mens zich echter niet bewust van deze bron, maar identificeert hij zich geheel met zijn dagelijkse rollen. Zo kan hij zijn hele zelfbeeld laten afhangen van zijn identiteit en vaardigheden als manager: ‘Ik ben een manager! En nog wel een goede.’ Volgens Shankara sluit de mens zichzelf op die manier op in een beperkt zelfbeeld. Bovendien zal hij verschrikkelijk lijden zodra er iets fout gaat met de door hem verabsoluteerde rol, zoals ontslag als manager. De mens die er echter in slaagt om onder alle min of meer oppervlakkige zelfbeelden te kijken, ontdekt de weidsheid en innerlijke rust die bij Atman horen. Tegelijkertijd doet hij nog een belangrijke ontdekking.

Shankara stelt namelijk dat Atman of het Zelf van de mens onlosmakelijk verbonden is met Brahman of het Zelf van het universum. Zo raken de essentie van het individu en de kern van alle dingen elkaar. De verhouding tussen beide fenomenen is dan ook ‘niet-twee’ of non-duaal. Het gaat hier om een ultieme intimiteit: twee onscheidbare polen. In zijn geschriften gebruikt de filosoof een veelheid aan beelden om de relatie tussen Brahman en Atman te verduidelijken, zoals de zon en de reflectie van de zon in het water, klei en de pot die ervan gemaakt is of een gezicht dat door een spiegel wordt weerkaatst. Shankara’s filosofie staat dan ook bekend als de ‘Non-duale interpretatie van de Veda’ (Advaita-Vedanta).

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De filosoof ontleent zijn ideeën over Atman en Brahman namelijk aan de oude, heilige geschriften van de hindoes: de Veda’s. Deze omvangrijke tekstverzameling, die vermoedelijk in het derde millennium voor onze jaartellen ontstond, kent een lange interpretatiegeschiedenis. In de oudste van de vier Veda’s, de zogenoemde Rig-Veda, vraagt een anonieme filosoof zich af hoe het universum is ontstaan. Hij stelt dat alles met een mysterieuze instantie begint, het zogenoemde ‘Ene’, waarover hij niets zegt. Latere filosofen hebben dit hoogste principe ingevuld als een kosmisch ei waaruit alles voortkomt, een gouden embryo of een van de elementen, zoals het (offer)vuur.

In een van de beroemdste geschriftenverzamelingen met interpretaties van de Veda’s, de Upanishads, worden deze nogal plastische eerste principes vervangen door het abstracte Brahman. Deze soms zeer korte en cryptische teksten, waarvan de oudste tussen 800 en 600 v.Chr. ontstonden, bevatten geen systematische filosofie. In plaats daarvan spreken de anonieme auteurs op allerlei manieren over het karakter van Brahman, bijvoorbeeld dat het onzichtbaar, alomtegenwoordig en allesdoordringend is.

Ook stellen de Upanishad-auteurs dat de mens die zijn ware Zelf en daarmee het Zelf van het universum ontdekt, deelt in het eeuwige bestaan, het pure bewustzijn en de onmetelijke vreugde van Brahman. Dit noemen zij de verlossing (moksha) uit het rad van wedergeboorte. De Indiase filosofie gaat er namelijk van uit dat de mens na zijn dood niet spoorloos verdwijnt, maar opnieuw wordt geboren. Dit hoeft niet per se in de gedaante van een mens te zijn: je kunt ook terugkeren als plant, dier, god of hellewezen. Karma, het geheel aan alle goede en slechte daden, gedachten en handelingen uit een mensenleven, bepaalt de volgende incarnatie. Zo zal iemand die een aantal moorden gepleegd heeft hoogstwaarschijnlijk niet als mens terugkeren, maar iemand met een moreel hoogstaande levenswandel wel. In tegenstelling tot sommige moderne westerse interpretaties is reïncarnatie in de Indiase filosofie overigens een negatief principe. Wie opnieuw geboren wordt, zal onherroepelijk lijden en sterven, waarop de ellende weer van voren af aan begint. Om verlost te worden, komt het er dan ook op aan om geen enkel karma meer te hebben: noch goed, noch slecht. Dan ben je vrij.
 

Sluier

Shankara heeft als een van de eerste Indiase filosofen de kerngedachten uit de Upanishads gesystematiseerd. Bovendien voegt hij een aantal nieuwe en originele elementen aan het traditionele hindoedenken toe. Zo stelt de filosoof dat het beperkte menselijke ‘ik’ een sluier is die de diepere werkelijkheid van het Atman aan het geestesoog onttrekt. Hetzelfde geldt voor de hele empirisch waarneembare realiteit. Volgens Shankara is de mens er van nature toe geneigd om alles wat hij waarneemt als de werkelijkheid te beschouwen. Daarmee gaat hij voorbij aan het feit dat Brahman de hoogste realiteit vormt.

Deze foutieve opvatting van de mens is niet alleen filosofisch onjuist, maar heeft grote existentiële gevolgen. Wie namelijk de zintuigelijk waarneembare wereld voor de enige realiteit houdt, blijft gehecht aan alle materiële zaken om hem heen. Op die manier wil hij voortdurend meer hebben dan hij momenteel bezit en blijft hij steeds bang om de zaken te verliezen die hem dierbaar zijn, zoals geld, status en macht. Kortom, de mens is niet verlost, maar bevindt zich in de greep van het lijden. En dat alles omdat hij achter weinig belangrijke zaken aan jaagt.
 

Slang en touw

De belangrijkste metafoor die Shankara gebruikt om de onjuiste houding ten opzichte van de zintuiglijk waarneembare wereld te illustreren, is die van de slang en het touw. Stel, je loopt op een schemerig bospaadje terug naar huis. Ineens schrik je, want er ligt een langwerpig ding op het pad. Een slang! Bij nader inzien blijkt het ding echter een touw te zijn. De angst was ongegrond.

Volgens Shankara is iemand die een slang voor een touw aanziet bezig met een foutieve toeschrijving (Sanskriet: adhyasa). Hij projecteert allerlei eigenschappen van het ene ding, namelijk de slang, in een ding dat deze karakteristieken niet heeft: het touw. Gevolg is dat de mens een onjuiste houding ten opzichte van de dingen inneemt. Hij is bang voor een touw, terwijl er in feite niets is om bang voor te zijn. Deze foutieve toeschrijving gaat ook op voor degene die de zintuiglijk waarneembare wereld voor de hoogste realiteit houdt. Door zich blind te staren op de veelheid van mensen, dieren en dingen om hem heen, ziet hij Brahman niet, de ene geestelijke bron waaruit alles voortkomt. Zo iemand heeft volgens Shankara een goeroe nodig.
 

Woeste rivier

Een verhaal waarin de filosoof het belang van een spirituele meester duidelijk maakt, gaat over tien mannen die een woeste rivier over zwemmen. Als ze met grote moeite de overkant hebben bereikt, gaan ze in een kring staan om te controleren of de groep compleet is. De eerste man begint te tellen, maar komt tot negen. De tweede man eindigt ook bij dit getal. Dit proces herhaalt zich, totdat ze met elkaar in diepe rouw bijeenzitten. Dan komt er een vreemdeling voorbij, die opmerkt: ‘Jullie zijn vergeten jezelf mee te tellen.’ Op slag maakt het leed van de tien mannen plaats voor diepe vreugde.

De vreemdeling die de mannen op hun fout wees, is de spiritueel leraar. Het feit dat zij ‘zichzelf niet meetelden’ slaat op het ware Zelf of Atman dat ze niet in het vizier hadden. Blijkbaar is deze persoonlijkheidskern zo nabij dat je hem snel over het hoofd ziet, net zoals het zoeken naar een pen terwijl je hem in de hand hebt. Een goeroe is echter in staat om met een paar eenvoudige aanwijzingen bij zijn leerling diens onjuiste visie weg te nemen, inclusief alle negatieve emoties die erbij horen. Hij wijst de leerling op wat er al in hem aanwezig is.

Shankara’s nadruk op de noodzaak van een meester bij het bereiken van verlossing past bij de lange traditie van het hindoeïstische denken voor hem. Een origineel element uit zijn onderwijs is dat hij niet alleen de nadruk op mondelinge overdracht legt, maar ook op het meditatief lezen van teksten, vooral de Upanishads. Zo kan een meester aan een leerling van wie hij vermoedt dat ‘zijn ziel rijp is’ de opdracht geven om een passage uit deze wijsheidsteksten met volle aandacht te bestuderen. Door uitspraken als ‘Brahman is eeuwig bestaan, zuiver bewustzijn en vreugde’ op die manier te lezen, kan de leerling plotseling verlost worden. Wie deze studie onder leiding van een wijze meester in een ideale omgeving wil voortzetten, kan in een klooster intreden. 

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Ook het kloosterwezen vormt een van de noviteiten die Shankara aan het hindoeïsme voor hem toevoegde. Deze praktijk had hij overigens afgekeken van het boeddhisme. Volgens de traditie stichtte de filosoof in alle drie uithoeken van India een klooster, de zogenoemde ‘gouden driehoek van Shankara’. Deze driehoek symboliseert zijn ambitie om het hele subcontinent hindoeïstisch te maken – een project dat al tijdens zijn leven zeer succesvol was. Dankzij zijn non-duale uitleg van de Veda’s kregen de Indiërs hernieuwde belangstelling voor het hindoeïsme en nam de populariteit van het boeddhisme af. Tot op de dag van vandaag is Advaita-Vedanta de meest populaire vorm van hindoedenken, met centra over de hele wereld, Nederland incluis.

Cryptoboeddhist

Tijdens zijn leven was Shankara’s leer echter controversieel. Andere hindoeïstische denkers maakten hem bijvoorbeeld uit voor een ‘cryptoboeddhist’. Dit omdat hij in zijn geschriften voortdurend de nadruk legt op het onpersoonlijke en abstracte Brahman als ene bron van alle dingen. In de ogen van zijn hindoeïstische tegenstanders deed dit hoogste principe denken aan de boeddhistische ‘leegte’, die ook onpersoonlijk is. Het hindoeïstische pantheon zit echter vol goden, waar Shankara geen respect voor zou hebben.

De filosoof formuleerde een antwoord op deze kritiek in de vorm van de ‘theorie van de dubbele waarheid’. Brahman heeft volgens hem namelijk twee aspecten: een hoogste, onpersoonlijke dimensie en een lagere dimensie met eigenschappen. Bij dit laatste aspect horen de hindoeïstische goden en de talloze manieren om ze te vereren. Shankara was dan ook zeker niet tegen het vereren van bijvoorbeeld een beeld van Ganesha, de bekende hindoeïstische god met de olifantenkop. De vereerder moet zich echter wel realiseren dat Ganesha slechts één manifestatie van Brahman is. Wie door dit beeld heen weet te kijken, komt de onpersoonlijke bron van alle dingen op het spoor. Zo hield Shankara de traditionele hindoeïstische godencultus in ere.

Een ander kritiekpunt van zijn tegenstanders ging over de verhouding tussen de individuele ‘ziel’ of het individuele Atman en Brahman. Als wij allemaal Brahman zijn, valt op het diepste niveau het onderscheid tussen alle mensen weg. We zijn allemaal hetzelfde. Deze opvatting gaat echter in tegen de traditionele hindoe-opvatting dat de ziel ieder mens uniek maakt. In zijn antwoord stelt Shankara inderdaad dat elke individuele ziel niet meer is dan een reflectie van het hoogste Zelf, zoals de zon in water. De zon kan zich echter in vele wateroppervlakten tegelijkertijd spiegelen. Op die manier kan één reflectie bijvoorbeeld trillen, maar een andere niet. Dit ‘trillen’ staat symbool voor het karma dat een ziel met zich meedraagt. Omdat elke ziel uniek karma heeft verzameld en zo ‘de zon van Brahman’ op zijn eigen manier spiegelt, blijft de individualiteit van de mens gewaarborgd.

Ten slotte konden sommige van Shankara’s hindoeïstische collega-filosofen zich niet vinden in zijn opvatting van de zintuiglijk waarneembare wereld als een sluier die de hoogste realiteit bedekt. Zij beschouwden Brahman namelijk als een scheppende god, wiens creatie door Shankara werd beledigd. De filosoof antwoordde hierop dat de sluier van Maya transparant is, zoals een halfdoorschijnend kleed over een prachtig beeld. Wie ernaar verlangt om door deze voile heen te kijken en zijn gezichtsvermogen traint, staat uiteindelijk oog in oog met de verborgen schoonheid van de sculptuur. Op die manier heeft Brahman de sluier van Maya gecreëerd om alle zielen naar verlossing te leiden.

De wijze waarop Shankara antwoord gaf op zijn criticasters maakte diepe indruk op zijn tijdgenoten. Er bestaat zelfs een verhaal waarin hij zijn aartsrivaal Mandana Mishra tot zijn eigen filosofie bekeerde, simpelweg door te redeneren. Want hoewel de hoogste realiteit van het Brahman niet in woorden kan worden gevat, moet de mens het filosofisch redeneren volgens Shankara zeker niet loslaten. Integendeel, de filosoof probeerde levenslang mensen tot bevrijdend inzicht te leiden. Wie erin slaagt om zijn eenheid met Brahman te ontdekken, wordt volgens hem een ‘tijdens dit leven verloste ziel’ (Sanskriet: jivanmukti). Zo iemand bevindt zich wel in de zintuiglijk waarneembare wereld, maar staat er tevens boven.

Het beeld dat Shankara voor de tijdens dit leven verloste ziel gebruikte, is de zwaan. Hoewel deze ‘edele vogel’ voortdurend in het water rondzwemt, raken zijn veren niet doordrenkt. Al het water glijdt soepel van hem af. Op dezelfde manier laat de verloste ziel zich niet meeslepen door begeerte naar de verlokkingen van de zintuiglijk waarneembare wereld. Met een knipoog naar onze eigen protestante traditie kunnen we zeggen: hij is in de wereld, maar niet van de wereld. Hoe dit ook zij, Shankara’s poëtische beeld van de zwaan vormt een bevestiging van zijn diepe geloof in de taal om de essentie van de mens aan te duiden. In zijn handen verandert de taal zelfs in een filosofische verleidingskunst. Een kunst die tot op de dag van vandaag Indiërs én westerlingen inspireert om in de diepten van hun ‘zelf’ te duiken.