Home Levenskunst Spijtloos leven met Nietzsche
Levenskunst

Spijtloos leven met Nietzsche

Spijt is een machteloos gevoel. Een leven vol spijt is te voorkomen met Nietzsches schaal van wederkeer.

Door Sebastien Valkenberg op 26 november 2018

spijt illustratie vuur olf de bruin beeld Olf de Bruin
Cover van 12-2018
12-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Wie in een overvolle tram per ongeluk op iemands tenen staat, maakt een simpel verontschuldigend gebaar of zegt sorry. Na deze even korte als effectieve spijtbetuiging kunnen beide partijen hun weg vervolgen. Maar de meeste vormen van spijt laten zich minder makkelijk verjagen. In het ergste geval groeien ze uit tot een heuse kwelling.

In december ligt die kwelling nog een tikkeltje meer op de loer dan in de andere maanden. Als het jaar op zijn einde loopt, zet dat automatisch aan tot reflectie. Je neemt 2018 nog eens door en maakt de balans op. De eindconclusie hoeft echt niet te zijn dat alles op rolletjes liep, maar pas op als het zelfverwijt te groot wordt. Taalgebruik is hier een belangrijke indicator. Je wilt niet te vaak hoeven zeggen: ‘Had ik maar…’

Het zijn zelfs de gruwelijkste woorden die er bestaan, vond de Amerikaanse dichter John Greenleaf Whittier. In de negentiende eeuw schreef hij een lang gedicht over Maud Muller. Dit fictieve dienstmeisje mijmert over een flirterige ontmoeting met een jurist: wat als die anders was verlopen en ze zich zijn bruid mocht noemen? IJdele dromen, besluit de dichter, die zovelen het hoofd op hol brengen. ‘For of all sad words of tongue or pen,/ The saddest are these: “It might have been!”’

Anderhalve eeuw later is de liefde nog steeds een onuitputtelijke bron van spijt. Dat bleek uit een meta-analyse van verschillende studies naar dit fenomeen. Ook betreuren veel mensen hun loopbaan, evenals de opvoeding van hun kinderen. Maar op één stond hun opleiding: hadden ze maar een andere studie gevolgd.

Welke situaties zijn zo onverteerbaar dat ze een kwelling worden? Het is in elk geval niet genoeg dat dingen anders lopen dan gepland. Hoe weerbarstig de realiteit kan zijn, ondervindt ook de forens die ’s ochtends op zijn fiets springt om de trein van 7.31 uur te halen en dan: lekke band! Dat is balen, maar meer ook niet. Dus teleurstelling: ja. Maar schrijnende spijtgevoelens? Welnee.

Kennelijk is voor die laatste gemoedstoestand meer nodig dan enkel een fikse tegenvaller. Die lekke band is een geval van overmacht. Nog steeds irritant, maar deze mislukking is toe te schrijven aan externe omstandigheden. Met spijt werkt het anders: je hebt eerder een domme beslissing genomen. Of bent die uit de weg gegaan waar dat niet had gemoeten. Ook de gevolgen van zulk duikgedrag kunnen later opspelen als de geest van het verleden uit A Christmas Carol (1843) van Charles Dickens.

Dan kunnen zelfhulpboeken wel zeggen dat je ‘lief’ moet zijn voor je zelf. Of spirituele glossy’s wijzen op het belang van zelfcompassie. ‘Jij verdient dat’, benadrukken coaches vervolgens op hun websites. Maar waaróm ‘jij’ dat verdient, wordt niet duidelijk. De adviezen van de zelf-hulpindustrie blijven steken in holle frasen die bedoeld zijn om de doelgroep op te peppen. Mogelijk brengen ze die gemene spijtgevoelens even tot zwijgen. Maar het vraagstuk van ‘had ik maar…’ oplossen? Dan is de filosofie een betere raadgever.

Stoïcijns

Allicht lukt het niet om alle frustraties uit te bannen. Maar een stevige dosis realiteitszin helpt wel om ze te minimaliseren. De Stoa agendeerde dit vraagstuk al in de Oudheid. Welbeschouwd is hun leer, geweldig invloedrijk in het uitgestrekte Romeinse Rijk, één lange remedie tegen een masochisme dat even kwellend als onterecht is.

Stop met streven naar zaken waarop je nauwelijks invloed hebt, adviseert Epictetus in zijn Encheiridion, een verzameling aforismen waarvan de meeste zo op een tegeltje kunnen. Atlas torst het complete hemelgewelf op zijn schouders, maar hij is dan ook een mythisch figuur. Gewone stervelingen gaan eraan onderdoor als ze ook verantwoordelijk zijn voor zaken die buiten hun invloed liggen. Gepaste nederigheid is nodig om niet verteerd te worden door misplaatst zelfverwijt. Alleen zo komt het stoïcijnse ideaal van apatheia binnen bereik. Deze Griekse term laat zich het best vertalen met ‘onaangedaanheid’.

Toch zullen de meeste lezers bij apatheia denken aan ‘apathisch’ – onverschilligheid dus. Helemaal onterecht is deze vertaling niet. Maximale betrokkenheid is wat veel gevraagd als de speelruimte minimaal is, zoals in de Oudheid. Wat dat betreft was de ex-slaaf Epictetus een ervaringsdeskundige. Uiteindelijk werd hij een vrij man, maar hij wist wat het betekende als je leven aan een ander toebehoort. Een torenhoog ambitieniveau is dan zinloos, evenals spijt over die ambities als ze onhaalbaar blijken.

De tijdgenoten van Epictetus zullen zich in diens woorden hebben herkend. Slechts een elite mocht haar leven actief vormgeven; het merendeel van de bevolking bestond uit slaven en vrouwen, wier bestemming het huishouden was. Voor deze groepen viel er bar weinig te beslissen. Ze hoefden zich het hoofd niet te breken over de talrijke keuzemogelijkheden die wij nu hebben. Denk alleen al aan de opleidingskeuze, aanleiding voor zoveel hedendaagse spijtgevoelens: het grootste deel van de geschiedenis was studeren überhaupt geen optie. Dus mogelijk tieren spijtgevoelens tegenwoordig weliger. Dit is echter de keerzijde van een toegenomen keuzevrijheid. Meer keuzes betekent immers een grotere kans op spijt achteraf. Maar is het niet in de eerste plaats een geweldige verworvenheid dat er tenminste iets te beklagen is?

Keuzestress

Hoewel de filosofen van de Stoa kinderen van hun tijd waren, hebben hun wijsheden nog grote zeggingskracht. Tevredenheid is een onneembare vesting, wist Epictetus al. De millennials, geboren tussen 1980 en 2000, mogen zich deze raad met eeuwigheidswaarde aantrekken. Dat zou zomaar kunnen voorkomen dat ze uitvallen met burn-outklachten, wat velen van hen nu overkomt.

Hoe kan het dat 63 procent van de jongeren een psycholoog bezocht en ruim 38 procent nog in therapie zit, zoals dagblad Metro vorig jaar meldde na onderzoek? Experts wijzen diverse oorzaken aan voor deze verontrustende cijfers. Eentje die steeds terugkeert is keuzestress. Er is zoveel om een beslissing over te nemen. Zou het niet helpen als we iets minder opties hadden?

Minder aanbod betekent minder stress over minder keuzes, waarvan het risico alleen maar is dat je ze later toch weer betreurt. Daar valt geen speld tussen te krijgen. Toch is dit scenario weinig aantrekkelijk. Want daarmee zouden we iets unieks verliezen: een mate van ontplooiingsmogelijkheden waarvan eerdere generaties enkel konden dromen. Om die te behouden is een accentverschuiving nodig. Verminder niet de hoeveelheid keuzemogelijkheden, maar maak betere keuzes.

Friedrich Nietzsche kan daarbij helpen. Weliswaar heeft hij het nooit letterlijk gezegd, maar een leven lang was hij op zoek naar het spijtloze leven. De belangrijkste sta-in-de-weg was in zijn ogen het christendom. Dat had de mens binnengeleid in een universum van schuld en boete – en inderdaad: bij nadere beschouwing blijken de tien geboden vooral verboden. Slechts twee ervan zeggen wat je moet doen, maar liefst acht wat je vooral hebt na te laten. Met zoveel taboes groeit ook de kans om te zondigen, mét uiteraard de bijbehorende schuldgevoelens als dit daadwerkelijk gebeurt.

Weg met die gevoelens, is de tegendraadse boodschap van Nietzsche. Niet door de zondaar alsnog te verlossen, zoals het christendom belooft. Het hele schema van zonde in het hiernumaals en verlossing in het hiernamaals moest van hem de prullenbak in. Zijn boodschap: leef zo dat er überhaupt niets te verlossen valt.

Daartoe ontwikkelde hij in De vrolijke wetenschap (1882) een lakmoesproef: de eeuwige wederkeer van hetzelfde. Wat als een demon je op een dag influistert: ‘Dit leven, zoals je het thans leeft en geleefd hebt, zul je nog eens en nog ontelbare malen moeten leven; en er zal niets nieuws aan zijn, maar elke pijn en elke lust en elke gedachte en elke verzuchting en elk onuitsprekelijk kleine en grote van je leven moet terugkomen.’

Als je tegen de demon zou willen zeggen: kom maar op met die herhaling, ik wil mijn leven nog eindeloos vaak opnieuw beleven – en precies zoals ik het nu leef –, dan moet je wel zorgen voor een leven dat het herhalen waard is. Nou is de eeuwigheid wel erg lang, maar het vooruitzicht om nog twintig, dertig jaar op de huidige voet door te gaan kan ook al verlammend werken. Het gedachte-experiment is niet bedoeld om een leven te leiden waarin niets onprettigs gebeurt of geen tegenzin meer bestaat. Maar als de tegenzin zich in je leven ophoopt zonder dat je er aandacht aan besteedt, vult het reservoir van spijtgevoelens zich ongemerkt.

Dit maakt het gevoel van ‘had ik maar…’ zo onverteerbaar: wanneer dit zich eenmaal aandient, is het te laat. De loop van het verleden laat zich niet meer verleggen en er rest weinig meer dan melancholische gedichten schrijven. Mooi, maar ook een uitdrukking van machteloosheid. Tijdige maatregelen zijn dus nodig. Wie toekomstige spijt voor wil zijn, moet al in het heden aan de bak.

Wederkeer

Het leven moet de herhaling zo goed mogelijk verdragen – maar hoe kun je dat voor elkaar krijgen? Het dreigt een abstract vergezicht te blijven als het geen verdere invulling krijgt. Die komt niet van Nietzsche zelf. Wel laat zich uit zijn filosofie een praktisch instrument afleiden: de schaal van wederkeer. Deze loopt van 1 tot en met 10. Ieders leven is ergens op die as te positioneren.

Het antwoord zegt voor alle duidelijkheid niet hoe gelukkig iemand is. Dat is mede afhankelijk van externe factoren, en hierboven bleek dat spijt alleen die zaken betreft waarop invloed bestaat. Een 10 op de schaal van wederkeer staat dus niet voor het ultieme geluk, maar voor het spijtloze bestaan dat eeuwig mag duren. Een 1 wil zeggen: aftellen totdat de verlossing komt.

Enen en tienen zijn schaars. Dan nog blijft er een forse bandbreedte bestaan. Met een 7 of een 8 als uitkomst is er weinig aanleiding tot verandering. De schaal van wederkeer bewijst zijn nut niet uitsluitend als er een drastische koerswijziging uit voortkomt. Het instrument is ook handig om tevredenheid expliciet te maken.

Maar wat als de score een 3 is of zelfs een 2? Deze conclusie kan aanzetten tot eindeloze rouw over gemiste kansen – voor velen dus over de studie die ze nooit hebben gevolgd, maar wel hadden willen volgen. Dat is niet zoals de schaal van wederkeer het beoogt. Mits correct gehanteerd zet het instrument aan tot gedegen zelfonderzoek.

Dus: de studiekeuze had anders moeten uitvallen, maar hoe dan? Vanwaar is de gewenste studie zo begeerlijk? Waarom hier niet alsnog aan beginnen? Omdat het zo lastig is die te combineren met een 40-urige werkweek? Dan is een studie in deeltijd toch de oplossing? Deze oplossing is niet optimaal, maar slechts suboptimaal. Bewijst de schaal van wederkeer haar nut dan alleen als ze ieders leven opkrikt tot een 10? Natuurlijk niet. Van een 3 naar een 6 is ook al vooruitgang.

Dit zijn – toegegeven – de vragen die er het snelst bij inschieten. Er antwoord op geven kost tijd, en daar ontbreekt het vaak aan. Dat mag in de andere maanden misschien als excuus gelden, maar niet in december. Die maand is immers de periode waarin goede voornemens bedacht worden. De schaal van eeuwige wederkeer kan een verdieping vormen van een vraagstuk dat toch al op de agenda staat, maar doorgaans routinematig wordt behandeld. Minder snoepen en vaker sporten, daar komt het meestal op neer. Terwijl het echte doel moet zijn dat je de smartelijkste aller woorden weet te vermijden: had ik maar… Op naar een spijtloos nieuw jaar!