Home De geboorte van de grote Leviathan

De geboorte van de grote Leviathan

Door Hans Achterhuis op 30 november 2012

08-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Het menselijk bestaan’, schrijft Thomas Hobbes, is ‘eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort.’ Althans, zonder het geweldsmonopolie van de staat om de menselijke ‘twist, vijandschap en oorlog’ te beteugelen. Hobbes’ analyse, zo blijkt, heeft een nieuwe actualiteit gekregen in onze tijd van ‘mislukte staten’ en terrorisme.

‘Onder Saddam waren we alleen bang voor hém, nu zijn we bang voor iedereen.’ Een Irakees, zomaar een passant, gaf in een Volkskrant-interview deze fraaie analyse van de huidige situatie in Irak. Vrouwen worden overal bedreigd en moeten zich houden aan de zeer strenge islamitische kledingvoorschriften, gevallen van eerwraak nemen toe, verkrachtingen vinden massaal plaats. Het kost het weinig moeite te voorspellen dat Irak naar een burgeroorlog zal afglijden, voor zover daar niet nu al sprake van is. Is dit alles nog wel beter dan de terreur van Saddam Hoessein die het land, ten koste van ook veel slachtoffers, bij elkaar hield?
En hoe beantwoorden de Irakezen zelf deze vraag? Zij lijken de angst voor Saddam, zoals de Irakees in het interview het bondig verwoordde, bijna te verkiezen boven de angst voor iedereen. Het is een analyse die afkomstig had kunnen zijn van de Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679). Ook hij zou de terreur van Saddam Hoessein hebben verkozen boven de vernietigende chaos die Irak nu in zijn greep heeft.
 
Eenieder die tegenwoordig in het voetspoor van Hobbes de staatsmacht verdedigt, krijgt al snel de vraag of die macht niet ten koste gaat van de individuele vrijheid. Dat geldt voor de heerschappij van Saddam Hoessein, maar ook voor die van de heersers in moderne liberale samenlevingen. Hedendaagse denkers als John Gray schetsen hoe de Verenigde Staten en andere liberale staten zich transformeren in hobbesiaanse samenlevingen. Daarin worden verworvenheden van de democratische rechtsstaat opgeofferd om het hoofd te kunnen bieden aan de terreurdreiging van de religieus-politieke ideologie van het islamisme.
Is dit proces inderdaad onvermijdelijk, zoals Gray lijkt te suggereren? Of dreigt de logica van de grote zeventiende-eeuwse filosoof onze verbeeldingskracht zo te verlammen dat we geen andere uitwegen zien om in de strijd tegen het terrorisme onze veiligheid zeker te stellen? Deze vraag ligt buiten het wereldbeeld van Hobbes. Die noopt tot andere filosofische antwoorden dan waarover hij beschikt, zoals de tolerantie van Locke, de vrijheid van denken en spreken van Spinoza, de scheiding der machten van Montesquieu en de vrijheidsrechten van Mill. De voorwaarde voor al deze latere verworvenheden, die ligt in het geweldsmonopolie van de staat en de veiligheid van de burgers, is echter op ongeëvenaarde wijze door Hobbes verwoord.

Leviathan

Al in de inleiding op zijn befaamde politieke verhandeling Leviathan onderstreept Hobbes dat de staat een kunstmatig, door de mens gemaakt product is, dat de veiligheid van de burgers moet garanderen.

‘Door het menselijk kunnen komt die grote Leviathan tot stand die we het gemenebest of de staat noemen (…), en die niets anders is dan een kunstmatige mens, zij het groter en sterker dan de natuurlijke mens, die hij moet beschermen en verdedigen.’
 
Hierna volgt dan de beroemde uitwerking van dit beeld waarin elk onderdeel van de staat – van de soeverein tot de wetten en de magistraten – beschreven wordt als een radertje in deze grote door mensenhanden gemaakte machine. Zelfs uit deze ene geciteerde zin wordt al duidelijk wat het doel van deze constructie is. De staat is voor Hobbes één grote veiligheidsmachine, die vooral dient om te ontsnappen aan ‘de natuurlijke toestand van de mens’, die Hobbes schildert als ‘een oorlog van allen tegen allen’. Het gaat hem hierbij niet om het fenomeen van de oorlog zoals wij dat in een geordende samenleving als strijd tussen staten kennen, maar om een permanente toestand van onveiligheid. Het is als met het weer, één regenbui betekent geen slecht weer, maar weken van donkere luchten en dreigende en vallende buien wel. Zo betekent één gewelddaad geen oorlog, maar de voortdurende aanwezige dreiging van geweld kan wel met deze term (Hobbes spreekt van ‘Warre’) worden omschreven.

In de natuurlijke toestand kunnen mensen hun eigen veiligheid alleen maar waarborgen door de ander ‘een slag voor te zijn’. Op deze wijze dwingen zij elkaar in een onverbiddelijke logica van wederzijds wantrouwen tot een soort wapenwedloop waaraan niemand zich kan onttrekken.
 
‘En omdat er mensen zijn die behagen scheppen in de aanblik van hun eigen macht als veroveraar, zodat zij daarmee verder gaan dan voor hun veiligheid nodig is, moeten anderen, die anders binnen bescheiden grenzen tevreden waren geweest, hun macht eveneens door agressie vergroten; als zij zich alleen bleven verdedigen, zouden zij niet lang kunnen overleven.’
 
Alle zekerheid en veiligheid zijn dus zoek in de natuurlijke toestand van de mens die Hobbes beschrijft. Kunsten en wetenschappen worden er niet ontwikkeld, handel en nijverheid kunnen zich niet ontplooien, zolang elke vrucht van menselijke activiteit het gevaar loopt geroofd of vernietigd te worden. En ‘het ergste is’, aldus Hobbes, ‘een voortdurende angst voor, en dreiging van een gewelddadige dood; het menselijk bestaan is er eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort.’ Om aan deze onhoudbare toestand van geweld te ontsnappen, stichten de mensen de staat.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘De uiteindelijke reden, het doel en het oogmerk waartoe de mensen (die van nature gesteld zijn op vrijheid en macht over anderen) zich de beperkingen opleggen waaraan zij (zoals wij zien) in de staat onderworpen zijn, is de zorg om hun eigen leven veilig te stellen, en daardoor een bevredigender bestaan te verwerven; met andere woorden, om te ontsnappen aan de ellendige oorlogstoestand die (zoals ik aantoonde) een onvermijdelijk gevolg is van de natuurlijke hartstochten van de mensen, zo lang er geen zichtbare macht bestaat die hun ontzag inboezemt en hen door angst voor straf dwingt hun overeenkomsten na te leven.’

De staat komt tot stand, doordat mensen met elkaar een sociaal contract sluiten, waarbij ze hun natuurlijke rechten overdragen aan een begunstigde die zelf geen partij is, en beloven de bevelen van die laatste te gehoorzamen. De begunstigde, die uit een of meer personen kan bestaan, vertegenwoordigt hierna hen allen. Het is

‘alsof iedereen tegen ieder ander zou zeggen: Ik autoriseer deze man of deze vergadering, en sta mijn recht om mijzelf te besturen aan hem af, op voorwaarde dat gij ook uw recht aan hem afstaat, en op dezelfde wijze al zijn handelingen autoriseert. Als dit is gebeurd, noemen we de menigte die nu in één persoon verenigd is een staat, of in het Latijn civitas. Dit is de geboorte van de grote Leviathan, of liever (om ons eerbiediger uit te drukken), van de sterfelijke god, aan wie wij onder de onsterfelijke God onze vrede en veiligheid danken.’

Verkeert deze nieuwe onderdaan niet in een beklagenswaardige positie? vraagt Hobbes retorisch.

‘Iemand kan hier tegenwerpen, dat het een beklagenswaardige positie is om onderdaan te zijn; zo iemand staat immers bloot aan alle lusten en andere onvoorspelbare hartstochten van hem of hen, aan wie een zo onbegrensde macht is toebedeeld.’

Dit soort klaagzangen acht Hobbes kortzichtig. Mensen die zo redeneren, denken er niet over na

‘dat het ergste wat een volk als geheel kan overkomen, onder welke vorm van regering dan ook, nauwelijks merkbaar is vergeleken bij de ellende en de gruwelijke rampen waarmee een burgeroorlog gepaard gaat, of de teugelloze toestand waarin mensen verkeren zonder heer en meester, die niet aan wetten zijn onderworpen en geen dwingende macht kennen die hun handen afhoudt van roof en wraakneming.’

Gedachte-experiment

De vraag is nu of Hobbes’ ‘natuurlijke toestand van de mens’ echt heeft bestaan. Onderneemt Hobbes een poging om naar een oorspronkelijke natuurstaat terug te gaan, of voert hij eerder een gedachte-experiment uit? Dat laatste is eerder het geval: denk de staat, zijn wetten, instituties en de geweldsdienaren die deze handhaven weg, en kijk dan hoe mensen zich gaan verhouden en gedragen. De Europeanen hadden het in de burgeroorlogen zelf meegemaakt en Hobbes herinnert hen hieraan.

‘Hoe het leven zou zijn als er geen gemeenschappelijke macht te vrezen was, kan men bovendien opmaken uit het soort van bestaan waartoe mensen die vroeger onder een vreedzaam bestel hebben geleefd vervallen in een burgeroorlog.’
 
Hobbes stelt uitdrukkelijk dat zijn oorlogstoestand niet de pretentie heeft een historisch juiste beschrijving te zijn. ‘Ik geloof dat het nooit overal op de wereld zo geweest is.’ Zeker, hij vermeldt dat in ‘allerlei streken van Amerika’ mensen ook in zijn tijd nog leefden ‘op de beestachtige manier die ik beschreef’. In zijn argumentatie legt hij hier echter geen enkele nadruk op. Het gaat hem om het simpele wegdenken van de staat uit de maatschappij waarin hij zich bevindt.

Wolf

De oorlogstoestand die Hobbes beschrijft mag fictief zijn, het mensbeeld dat hij daarbij hanteert is dat zeker niet. Volgens velen ziet Hobbes de mens als louter slecht. Dat Hobbes de slechtheid van de menselijke natuur als uitgangspunt neemt, wordt vaak geïllustreerd met het feit dat hij de bekende uitspraak van Plautus dat ‘de mens de mens een wolf is’ voor zijn rekening neemt. Hobbes-kenners hebben er echter op gewezen dat dit citaat door Hobbes gebruikt wordt om de situatie tussen staten te beschrijven. Als men ervan uitgaat dat staten zonder een supranationale Leviathan zich onderling in een soort natuurtoestand bevinden, kan men met enige goede wil dit citaat op ‘de natuurlijke toestand van de mens’ betrekken. Dan vergeet men echter dat Hobbes in één adem ook stelt ‘dat de mens voor de mens een god is’. Hoe beide uitspraken met elkaar te verzoenen?

Ik heb geprobeerd dat te doen met behulp van de theorie van de mimetische begeerte van René Girard. Dat mensen mimetische wezens zijn, elkaar in hun gedrag navolgen, is een algemeen ervaringsfeit. Girard laat echter zien dat als ze elkaar in hun begeerte navolgen, dit tot strijd en conflict leidt. Het model dat iemand imiteert, wordt dan tot een obstakel, de God wordt bij Hobbes een wolf. Heel veel van de passies die Hobbes bespreekt, lijken inderdaad uit de mimetische begeerte voort te komen. Ik geef een voorbeeld uit Leviathan, dat over ‘het verschil in manieren’ handelt. Hobbes stelt daar: ‘De wedijver om rijkdom, eer, gezag en andere vormen van macht leidt tot twist, vijandschap en oorlog. Want een mededinger kan alleen bereiken wat hij begeert door de ander te doden, te onderwerpen, te overtreffen of te verdrijven’. Steeds gaat het hier in de conflicten om een vergelijking met de ander die een obstakel wordt. Dat iemand uit zichzelf zou kunnen verkrijgen wat hij, los van de ander, begeert, lijkt uitgesloten. Of, om het met een citaat te zeggen: ‘Daarom worden twee mensen elkaars vijanden, als zij dezelfde zaak begeren waarvan zij niet beiden tegelijk kunnen genieten.’

Ik probeer niet het hele universum van Hobbes te herleiden tot de mimetische begeerte. Wel zou ik eraan vast willen houden dat hij de menselijke natuur eerder schetst als neutraal dan als slecht. Oorlogen en conflicten blijken veelal voort te komen uit een situatie waarin de betrokkenheid van mensen op elkaar, vaak ongewild, tot agressie leidt. Ook de bescheiden mens kan zich aan de wedloop in wantrouwen niet onttrekken en moet bereid zijn een eerste slag toe te dienen. Hobbes stelt daarom uitdrukkelijk dat hij ‘de menselijke natuur’ niet ‘beschuldigt’. In een maatschappij zonder staat en wetten kunnen mensen zich niet anders gedragen dan hij beschrijft. Dat komt niet primair door een slechte menselijke natuur, maar eerder door een natuurlijke situatie waardoor mensen die hun leven willen behouden en op hun eigenbelang uit zijn, onherroepelijk tot ‘een oorlog van allen tegen allen’ worden gedwongen.
 
Het is geen wonder dat Hobbes in onze tijd van ‘mislukte staten’ en terrorisme een nieuwe actualiteit krijgt. In de omvangrijke politicologische en bestuurskundige literatuur over ‘state-building’ wordt het belang van het geweldsmonopolie van de staat dat de veiligheid van de burgers moet garanderen, steeds sterker beklemtoond. Waar dat ontbreekt, dienen verkiezingen, zoals in Irak en Afghanistan is gebleken, er eerder toe de maatschappelijke tegenstellingen aan te wakkeren dan een democratisch bewind te vestigen. En hoe subjectief en overtrokken – gezien de objectieve inschatting van risico’s en gevaren – de angst voor het terrorisme in westerse staten soms ook mag overkomen, toch dient een regering hier aandacht aan te besteden. ‘Ook het gevoel van onveiligheid is een legitiem object van politieke zorg’, stelde filosoof Luuk van Middelaar onlangs. Hij deed dat in een bespreking van de recent verschenen Nederlandse vertaling van De geest van de wetten van Montesquieu. Expliciet bouwt Montesquieu hier voort op Hobbes, als hij schrijft: ‘De politieke vrijheid van een burger bestaat uit de geestelijke rust die voortkomt uit de gevoelens die men over zijn veiligheid heeft. En om over deze vrijheid te beschikken, is het nodig dat de regering op zo’n manier gestalte krijgt dat de ene burger de andere niet hoeft te vrezen.’

Deze tekst van Hans Achterhuis, emeritus-hoogleraar filosofie, is een sterk ingekorte en bewerkte versie van zijn bijdrage aan de bundel Hobbes. In de schaduw van Leviathan (uitg. Pelckmans/Klement).

Verder lezen

Hobbes’ meest invloedrijke politiek-filosofische werk, Leviathan, is toegankelijk geschreven en in het Nederlands vertaald door W. E. Krul (Boom Klassiek, € 23,75). Het gedachtegoed van de Britse filosoof wordt op lichtvoetige wijze inzichtelijk gemaakt in Richard Tucks Hobbes, uitgekomen in de derde Kopstukken-reeks van uitgeverij Lemniscaat (€ 12,50). In Noel Malcolms Aspects of Hobbes (Oxford University Press, $ 39,88 via Amazon.com) is er zowel aandacht voor de politieke en kentheoretische teksten, als voor de maatschappij waarin Hobbes leefde en werkte. Hans Achterhuis’ moderne klassieker uit 1988, Het Rijk van de Schaarste, Van Thomas Hobbes tot Michel Foucault (uitg. Ambo, € 14,95) plaatst de staatkundige geschriften in een economische context: Hobbes’ definitie van de natuurstaat (‘een oorlog van allen tegen allen’) is één van de eerste moderne verwoordingen van het economische begrip ‘schaarste’.

Hobbes-woordenboek

Natuurtoestand: gedachte-experiment dat de toestand beschrijft waarin een samenleving verkeert wanneer alle politieke en juridische instituten worden weggedacht, zodat alleen de ‘natuur’ van de mens geldt. Hobbes verklaarde die natuur door twee ‘bewegingen’, beïnvloed door de natuurkundige methode van zijn tijdgenoot Galilei: begeerte naar macht en angst voor de dood. De begeerte naar macht leidt tot onderling wantrouwen en de voortdurende dreiging van een ‘oorlog van allen tegen allen’. Angst voor de dood daarentegen zorgt ervoor dat de mens deze onveilige toestand verlaat door vrijwillig zijn potentiële macht uit te besteden aan een hogere instantie die aan iedereen bescherming biedt.

Sociaal contract: een fictieve afspraak tussen mensen waarbij een politiek bestel wordt gevormd met absolute macht dat de dreiging van een voortdurende oorlog wegneemt en de veiligheid waarborgt om in rust een eigen leven te leiden. Zo schept de mens een tweede, kunstmatige natuur (de macht van de staat) om zijn eigen natuur te overstijgen (blinde begeerte). De rede als breuk met de natuur is de grondslag van de moderne (politieke) filosofie, tegenover het klassieke idee dat de rede in harmonie is met de natuur en het middeleeuws-christelijke idee dat de rede in dienst staat van een hogere natuur.  

Soeverein: de hoogste macht. Volgens Hobbes ligt die bij voorkeur bij één persoon, de vorst. Omdat iedereen ‘vrijwillig’ heeft ingestemd met het sociaal contract is zijn macht absoluut; hij mag en kan alles doen om de veiligheid te waarborgen. Tegelijkertijd bestaat de macht van de soeverein bij gratie van het volk en is zij niet meer een goddelijk of natuurlijk gegeven. Ook gaat zijn macht niet verder dan orde bewaken; in de privésfeer is de burger vrij te doen wat hij wil. Dat maakt Hobbes de geestelijk vader van het liberalisme, maar ook van zijn excessen: als de orde wordt bedreigd, is het de staat geoorloofd alle middelen te gebruiken om het gevaar af te wenden. Zo zien we met de huidige dreiging van terrorisme dat burgerrechten worden geschonden; de Amerikaanse Patriot Act bijvoorbeeld die vlak na 11 september is aangenomen, tast de privacy van burgers aan.

Leviathan: mythisch zeemonster dat onder andere opduikt in de Bijbel en geassocieerd wordt met chaos en het kwaad. Leviathan is Hobbes’ metafoor voor de staat: een groot, kunstmatig ‘lichaam’ dat bestaat uit de talloze kleine lichamen van individuen. Alleen zo’n politiek lichaam kan de chaos van de natuurtoestand bedwingen, omdat het de absolute macht heeft gekregen en zo rivaliserende individuen overstijgt en verenigt.