Home Het onbehagen van de swipende mens

Het onbehagen van de swipende mens

Door Florentijn van Rootselaar op 29 oktober 2020

Het onbehagen van de swipende mens
Cover van 11-2020
11-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

Negentig jaar geleden schreef Freud dat we constant onze lusten moeten onderdrukken, en dat dit leidt tot onbehagen. Tegenwoordig mogen we, swipend op Tinder, achter elk genot aan. Toch is het onbehagen sterker dan ooit.

1929, Wenen. Sigmund Freud heeft Het onbehagen in de cultuur voltooid, een essay waarin hij zijn psychologische theorieën verbindt met een analyse van cultuur en maatschappij. Het boek verschijnt een jaar later. De Oostenrijkse grondlegger van de psychoanalyse geeft in het essay blijk van een bijzonder pessimistische kijk op de mens, zegt psychoanalyticus Paul Verhaeghe. ‘De mens is een driftmatig wezen, hij is zelfs slecht. Daarom was inperking van de driften noodzakelijk. Als dat niet gebeurde, zou dat leiden tot de destructie van de samenleving. Culturele vooruitgang zou al helemaal onmogelijk zijn. Maar die onderdrukking van de lusten leidt volgens Freud wel tot onbehagen.’

Hoe is het negentig jaar na publicatie van Freuds boek gesteld met dat onbehagen? Wat te denken van het onbehagen dat vaak wordt genoemd als verklaring voor de opkomst van het populisme? Filosofie Magazine legt de vraag voor aan Paul Verhaeghe, hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse aan de universiteit van Gent, en aan publicist Bas Heijne, die net een volledige herschrijving van zijn essay Onbehagen heeft gepubliceerd, waarin hij Freuds analyse inzet om onze tijd te begrijpen.

Lijden we tegenwoordig nog steeds aan onbehagen?
Verhaeghe: ‘Een belangrijke correctie op Freuds boek is dat onbehagen niet alleen het gevolg is van onderdrukking. Onbehagen zit veel dieper, het is eigen aan ons. De mens is namelijk een verdeeld wezen. Dat begint al als je als kind “ik” leert zeggen. Tegenover ons “ik” staat altijd ons lichaam. We vallen daar nooit helemaal mee samen; we zijn ons lichaam niet, we hebben het – dat is de basis voor een gevoel van vervreemding.

Later, als we onze identiteit verder uitbouwen, komen we tegenover allerlei anderen te staan: ouders, andere mensen, aan wier verlangens we nooit volledig kunnen voldoen – verlangens die vaak onderling tegenstrijdig zijn. En als klap op de vuurpijl werkt het lustprincipe zeer dubbelzinnig: we streven een genot na dat verdwijnt op het moment dat we het bereikt hebben. Een wereld zonder onbehagen is dus onmogelijk, alleen zullen de vorm en de intensiteit ervan verschillen, afhankelijk van de maatschappij waarin je leeft.’

Heijne: ‘Ik zie vooral de breuk tussen de wereld in je hoofd en de wereld erbuiten als de grote bron van ons moderne onbehagen. Wanneer je opgroeit kan het lijken alsof die discrepantie niet bestaat: in de wereld ligt een bedding voor je klaar in de vorm van sociaal-culturele instituten, van werk tot relatie­vormen. Maar uiteindelijk is die bedding een keurslijf, je wordt in een vorm gedwongen waarin je jezelf vaak genoeg niet herkent.

Tegenwoordig vinden we dat die maatschappelijke orde zich zo veel mogelijk moet voegen naar de verlangens van het individu. Dat is de politiek van het libertarisme, of van Mark Rutte die zegt dat een politicus geen visie mag hebben, want hij mag zich niet bemoeien met onze individuele levens. Dat is een onhoudbaar principe – kijk maar naar de coronapandemie. De samenleving stelt eisen aan het individu.
Veel onbehagen komt voort uit de discrepantie tussen wat we ons voorstellen – wat we zouden willen – en de werkelijkheid. De liefde is een klassiek voorbeeld. Er is een spanning tussen jouw beeld van de geliefde en hoe die werkelijk is, en wat die van jou vindt.

Schrijvers die ik bijzonder liefheb, zoals Couperus, schrijven over de spanning tussen wat ik verbeelding en inbeelding noem. Je geeft je leven vorm door het te verbeelden. Maar in die beelden kun je ook opgesloten raken, waardoor je afgesloten raakt van de realiteit buiten je hoofd. Dan is de reële wereld louter bedreigend.’

Kunnen we iets doen aan het primaire onbehagen, de vervreemding die eigen is aan de mens?
Verhaeghe: ‘Die primaire verdeeldheid kun je opheffen, al is dat tijdelijk. Dat is de ervaring van genot. Er zijn twee klassieke visies op genot. De platoons-freudiaanse gaat over de opvulling van een gemis. Het orgasme is daarin het kortstondige resultaat. Even voel je de verdeeldheid dan niet meer, je verliest jezelf en valt samen met je lichaam, maar onvermijdelijk keert daarna de verdeeldheid en dus het onbehagen terug.

De aristotelische visie op de opheffing van vervreemding vind ik interessanter. Bij hem gaat het niet om een op te heffen tekort, maar over een zich verliezen in een lang­durige activiteit die aansluit bij ons zijn. Het mooie is dat voor Aristoteles de aard van de activiteit er niet toe doet – dat kan pianospelen zijn, maar ook hardlopen, zelfs gamen. Van belang is dat die activiteit aansluit bij het wezen van degene die haar uitvoert. Bij deze vorm van genot wordt het onbehagen langer opgeheven dan bij de freudiaans-platoonse versie.’

Het probleem is ook, zegt Verhaeghe, dat tegenwoordig blijkt dat het uitleven van seksueel genot weer nieuwe moeilijkheden met zich meebrengt. ‘Freud leefde in het victoriaanse tijdperk. Alles wat met het lichaam te maken had, was immoreel; genot moest worden ingeperkt. En als je het dan toch ervoer, werd je geacht je er schuldig over te voelen – wat vaak ook het geval was. Hoe anders is het nu. Er zijn oneindig veel mogelijkheden om te genieten en er zijn eigenlijk geen grenzen. Dan zie je een ander soort onbehagen. Je blijft altijd verder klikken, op zoek naar een volgend object dat het definitieve genot zal brengen, maar dat nooit doet. Onze verdeeldheid en het daarbij horende onbehagen is daardoor ongetwijfeld toegenomen. Daarbij speelt ook nog dat we vaak meer lust beleven aan zaken die verboden zijn, of die tot angst leiden. Maar als niets meer verboden is, wat levert dan nog lust op? Het gevolg daarvan is dat we extremen opzoeken of kiezen voor steeds meer seks, maar we moeten telkens vaststellen dat het minder oplevert dan verwacht.’

Bevrijding

Toch verkiezen Verhaeghe en Heijne seksuele bevrijding nog steeds boven de onderdrukking uit Freuds tijd: ‘Is het perfect, is het ideaal? Nee, dat is het zeker niet. Maar het is wel veel beter dan in de tijd van Freud. Je had echt geen vrouw willen zijn in die tijd, of een seksuele minderheid. De ongelijkheid was enorm, op seksueel gebied maar ook op alle andere vlakken.’

Heijne: ‘We moeten niet cultuurpessimistisch doen over de seksuele bevrijding. Die is vooral een verworvenheid, zeker ook voor minderheden waarvoor in de tijd van Freud al helemaal geen ruimte was. Het misverstand is dat bevrijding tot geluk leidt. Dat is dus niet het geval. Datzelfde misverstand kom je ook wel tegen in de woke-beweging: het idee dat het afschaffen van alle ongelijkheid leidt tot geluk. Wat niet wil zeggen dat je niet moet strijden voor gelijkheid.

Wat ook is veranderd als het over seks en geweld gaat, en over andere vormen van lust, is dat de grenzen tussen verbeelding en werkelijkheid lijken te vervagen. Toen ik opgroeide, was verbeelding veel meer een domein in je hoofd; er was minder de wens om die aan de werkelijkheid op te leggen. Je kon je uitleven, je kon pervers of gewelddadig zijn, maar het speelde zich vooral af in het theater in je hoofd. Het is als wat altijd over voetbalhooligans werd gezegd: in de spreekkoren zeggen ze de vreselijkste dingen, maar als ze naar huis gaan, zijn het brave burgers die netjes hun kinderen opvoeden. Het is een georganiseerde uitbarsting van irrationaliteit en geweld. Dat gold ook voor pornografie: het beest ging even los en daarna kon je terugkeren naar de beschaving.’

Maar die grens tussen de wereld in je hoofd en de werkelijkheid wordt volgens Heijne steeds vager. Het lustprincipe – een centraal principe bij Freud: de onbewuste, sterke neiging om je louter te laten leiden door genot – wordt aangemoedigd door commercie en politiek. Maar dat gaat ten koste van wat Freud het ‘realiteitsprincipe’ noemt, waarbij je je verlangen naar genot juist bewust opgeeft of onderdrukt, omdat je rekening houdt met anderen en je eigen langetermijnbelangen.

‘We willen niet meer dat anderen grenzen stellen aan ons genot. Het swipe-gebaar, waarmee je mensen wegveegt op datingsite Tinder, is tekenend voor deze tijd. We schakelen mensen uit als ze ons geen lust opleveren. De zogeheten cancel culture, waarin andere mensen de mond wordt gesnoerd, is er ook een uitvloeisel van. Dat geldt net zo goed voor de safe spaces, de plekken waar mensen samenkomen die zich gemarginaliseerd voelen. We richten de wereld zo in dat anderen geen inbreuk meer kunnen maken op onze levens.’

Verhaeghe: ‘Je moet bedenken dat er een dubbelzinnige evolutie is geweest: het individu is belangrijker geworden, tegelijkertijd neemt de mogelijkheid tot autonomie af. We hebben tegenwoordig minder zeggenschap in ons leven, of het nu gaat om invloed op de politiek of om je eigen leven. Mijn auto neemt beslissingen in plaats van ikzelf: als ik mijn gordel niet omdoe, dwingt mijn eigen auto me om dat wel te doen.’

Heijne: ‘Die paradox zie ik ook. Het autonome individu wordt bejubeld, maar intussen is het allang afgeschaft. We worden steeds meer als een bundel data beschouwd, zonder individuele kenmerken, maar louter met eigenschappen die we met sociale groepen delen. Een verzekeraar kijkt niet meer hoe jij als individu omgaat met je auto; in plaats daarvan wordt er een risicoprofiel gemaakt, gebaseerd op zaken als de wijk waarin je woont. Als daar veel auto’s in elkaar worden gereden, moet jij ook een hogere premie betalen. En daar komt nog eens bij dat je voortdurend genudged wordt – dat wil zeggen, met allerlei prikkels in een bepaalde richting geduwd. Ons gedrag wordt gestuurd door onze omgeving, onder meer om ervoor te zorgen dat we gezonder leven.

Het is niet verwonderlijk dat je tegenwoordig mensen als Marian Donner hebt, met haar pleidooi om ongezonde keuzes te mogen maken. En iemand als Thierry Baudet wist een behoefte aan romantische verbeelding aan te spreken. De wereld moet zich hier weer voegen naar onze wil. Het lustprincipe swipet het realiteitsprincipe weg. Het is geen wonder dat cijfers en statistieken, bijvoorbeeld over klimaat­verandering, niet helpen om Baudets brutale leugens te weerleggen.’

Maar is die opstandigheid van populisten niet vaak terug te voeren op reële grieven?
Heijne: ‘Zeker, dat gold ook voor de gele hesjes. Die wilden op het platteland gewoon hun diesel kunnen blijven gebruiken. Auto’s zijn belangrijk als het openbaar vervoer is uitgekleed. Maar het gevaar is dat er manipulatoren zijn die de onvrede mobiliseren en zich daarbij niets gelegen laten liggen aan de realiteit. Zo is het waar dat mensen hun banen verliezen, daar heeft Trump gelijk in. Maar hij belooft een muur te bouwen, die het probleem een-twee-drie oplost. Die muur is er in vier jaar niet gekomen, en Mexico heeft hem niet betaald, maar ook mét zo’n muur krijg je heus je baan niet terug.

Ook als je zegt dat de overheid in de coronacrisis dingen achterhoudt, dan klopt dat waarschijnlijk. Politici spinnen en manipuleren doorgaans. Maar het probleem is dat de mensen die daarvan doordraaien terecht­komen bij mensen die nog manipulatiever zijn: populisten en trollen. In die complotwereld kom je de meest hysterische dingen tegen: Mark Rutte die een reptiel in zijn hoofd heeft die zijn hersenen opeet, Bill Gates die een chip in het coronavaccin stopt.’

Bron van creativiteit

Onbehagen is niet louter negatief, het kan volgens Verhaeghe en Heijne ook iets goeds teweegbrengen. Verhaeghe noemt het een ‘bron van creativiteit’. En Heijne voelt zich aangespoord om het ‘onbehagen in te zetten voor een betere wereld’. ‘Daarbij moet je je wel willen inlaten met de realiteit, de complexe, weerbarstige werkelijkheid. Een duimpje omhoog of omlaag op sociale media is iets anders dan wanneer ik echt met jou moet onderhandelen. Terwijl juist daarin de essentie zit van een zinvol leven. Het onbehagen dat bij die confrontatie hoort, stelt ons in staat om nieuwe dingen te ontdekken en ook om onze eigen opvattingen tegen het licht te houden.

Je laat de blik en ervaring van de ander binnen in je hoofd en daardoor verandert jouw blik op de wereld. Bij Zwarte Piet hebben veel mensen dat proces doorgemaakt. Ze hadden een beeld, gebaseerd op de betekenis die de Sinterklaas-traditie vroeger voor ze had. Maar dat botst met het racisme dat nu wordt aangekaart. Langzaam laten ze een nieuw beeld toe en verandert hun kijk op het fenomeen.

Het lustprincipe heeft dus realiteit nodig, en die moet je opzoeken: ik zie het als existentiële opdracht om het jezelf moeilijk te maken, om ideeën op te zoeken waar je het niet vanzelfsprekend mee eens bent.’

Doet u dat zelf ook?
‘Schrijven is voor mij een manier om contact te zoeken met de wereld. Daarom schrijf ik ook geen fictie meer. Ik probeer mijn opvattingen en gedachten steeds tegen het licht te houden, bang als ik ben om mezelf te verliezen in een rigide blik op de wereld – dat is die inbeelding waar ik het over had. Het kost me altijd veel moeite om te beginnen, omdat ik vaak denk: is het om­gekeerde niet ook waar? Als ik aan de slag ben, is er gelukkig wel een roes. Maar dat is pure lust, en zoals Freud al wist duurt die helaas nooit lang.’

Houd afstand, raak me aan
Paul Verhaeghe | De Bezige Bij | 136 blz. | € 14,99

Onbehagen
Bas Heijne | Prometheus | 96 blz. | € 16,99

Het onbehagen in de cultuur
Sigmund Freud | Boom | 104 blz. | € 12,-

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.