Home Levenskunst Hartmut Rosa: ‘Ook ik leid natuurlijk een haastig leven’
Levenskunst Tijd

Hartmut Rosa: ‘Ook ik leid natuurlijk een haastig leven’

De onthaastingsgoeroe, zo wordt Hartmut Rosa ook wel genoemd. De huidige versnelling leidt volgens hem tot vervreemding van de wereld, tot een burn-out. ‘Resonantie is wat er gebeurt als je wél contact met de wereld voelt.’

Door Elma Drayer op 29 november 2016

Hartmut Rosa: ‘Ook ik leid natuurlijk een haastig leven’
Cover van 12-2016
12-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Lange rijen staan er deze zaterdagmiddag op het pleintje voor de Waalse kerk, hartje Amsterdam. Het opvallend jonge publiek is afgekomen op het optreden van de Duitse socioloog Hartmut Rosa, een innemende, jeugdig ogende vijftiger in een donkerblauwe V-halstrui. Na zijn lezing – uit het hoofd en in zangerig Engels – neemt hij verlegen lachend het minutenlange applaus in ontvangst. 

De volgende ochtend kan hij er nauwelijks over uit. ‘Soms gebeurt het’, zegt hij, ‘dat je werkelijk contact hebt met de mensen voor wie je spreekt, dat je boodschap werkelijk bij ze resoneert. Het voelde gisteren als een dialoog, niet als een monoloog.’

Rosa, hoogleraar aan de universiteit van Jena, tracht in zijn boeken een wijdverbreid fenomeen te duiden: het tijdgebrek waaronder we collectief lijken te lijden, de haast waarmee wij ons door het leven spoeden, de moderne mantra van druk, druk, druk. Hij blijft niet steken in cultuurgesomber; uitzicht bieden wil hij ook. ‘Ik ben ervan overtuigd’, zegt hij, ‘dat we een nieuw antwoord moeten vinden op de vraag naar het goede leven. “Zoek het zelf maar uit” is geen antwoord.’

In eigen land geldt hij inmiddels als een soort onthaastingsgoeroe – overigens niet tot zijn genoegen. ‘Ik wil helemaal geen goeroe, coach of zelfhulpboekenschrijver zijn. En ik heb niks met slow cooking en zo. Kijk, ik ben niet principieel tegen snelheid. Een trage internetverbinding vind ik net zo irritant als ieder ander. Ook ik leid natuurlijk een haastig leven. Sterker: ik kan het verschijnsel zo goed bestuderen omdat ik het uit eigen ervaring ken. Ik heb mijn theorie ontwikkeld vanuit de praktijk, en niet andersom.’

U schrijft dat bezorgdheid over de versnelling van het maatschappelijk leven niks nieuws is.
‘Je vindt zulke cultuurkritiek inderdaad al bij Shakespeare, die Hamlet laat zeggen: Time is out of joint. Ook schrijvers en denkers als Rousseau, Goethe, Baudelaire en Thomas Mann maakten zich zorgen. Karl Marx en Friedrich Engels schreven in Het Communistisch Manifest: al het bestaande verdampt. Dus ja, het gevoel dat de wereld versnelt is al heel lang een constante.’

Bovendien behoort dat gevoel, althans volgens de Nederlandse psycholoog Douwe Draaisma, gewoon bij de menselijke natuur.
‘Dat kan ik niet ontkennen. Als je ouder wordt, doe je weinig nieuwe ervaringen op. Heel veel is routine geworden. Daarvan ben je per definitie minder onder de indruk, dus lijkt het of het leven sneller gaat. Wat ook een rol speelt: tijd meet je af aan de hand van de levensspanne die je achter de rug hebt. Iedereen weet: in je jeugd duurden de zomervakanties een eeuwigheid. Voor een driejarige is één jaar een derde van zijn leven, dus dat lijkt eindeloos. Ben je dertig, dan is één jaar een dertigste. Dat vliegt voorbij.’

Waarom zou er dan nu toch sprake zijn van een compleet nieuw verschijnsel?
‘Grofweg zijn er twee soorten tijdservaring. Je kunt ’s ochtends wakker worden in Berlijn, op het vliegtuig stappen naar Parijs, daar lunchen en dan doorreizen naar de Rivièra om er ’s avonds op een terrasje te zitten. Als je die nacht in bed stapt, zal het voelen alsof je al dagen van huis bent. Een aangenaam doorgebrachte tijd vliegt voorbij en levert als het ware een “lange” herinnering op. Het omgekeerde kent ook iedereen: dat de tijd veel langer lijkt te duren dan in werkelijkheid het geval was. Als jij hier een kwartier op mij had moeten wachten, dan was de tijd voorbijgekropen. Maar neem nu de televisie. Als je ’s avonds laat twee uur zit te zappen, verveel je je niet. Toch zul je achteraf het gevoel hebben dat het vijf minuten waren. Zou je de hele dag televisiekijken, dan zou je ’s avonds nog stééds het gevoel hebben dat je net bent opgestaan. Ik noem dat een kort-kortpatroon van de tijd: de tijd verloopt in je beleving snel, maar krimpt in je herinnering. Dat zijn tijdservaringen die onze voorouders nauwelijks kenden.

Mijn stelling luidt: wij gaan toe naar een leven vol kort-kortpatronen. Waarin de tijd heel snel gaat en het rendement óók heel vluchtig is.’
Het probleem is volgens Rosa dat zo’n kort-kortpatroon leidt tot ‘een vervreemde manier’ van in de wereld staan. ‘Het beïnvloedt ook de wijze waarop je je verhoudt tot de plaats waar je je bevindt. Ik ben nu in Amsterdam, maar mijn verblijf duurt maar even en ik moet erg veel doen. Ik kijk dus de hele tijd op mijn horloge, moet hier zijn, moet daar zijn, ik kijk op mijn iPhone om de weg te vinden. Prima natuurlijk, maar daardoor blijft mijn relatie met Amsterdam instrumenteel. Ik eigen me de stad niet toe. En het eindigt ermee dat ik me hier niet thuis voel.’

Met zijn stelling borduurt Rosa voort op het onderscheid dat de Duitse cultuurfilosoof Walter Benjamin in de vorige eeuw al maakte tussen ervaringen en belevenissen. ‘Ervaringen resoneren in ons, raken ons, vormen ons, veranderen ons, zullen we ons blijvend herinneren. Belevenissen zijn veel oppervlakkiger. Het moderne leven neigt ernaar rijk te zijn aan belevenissen en arm aan ervaringen.’
Ook een aandoening als burn-out is volgens Rosa een gevolg van onze vluchtige manier van leven. ‘Die is in mijn ogen niet het gevolg van te veel of te hard werken. Hoe ontstaat een burn-out? Je doet je werk, je hebt mensen om je heen, je hebt een huis. Maar op een of andere manier verliest de wereld alle betekenis. Ze laat je koud, je krijgt er geen grip meer op, geen contact meer mee. Een burn-out is een extreme vorm van vervreemding.’

Misschien stellen wij wel te hoge eisen aan het leven. Zijn we klagers en zeurders geworden.
‘Misschien. Maar ook als dat klopt, dan is dat veelzeggend. Verschijnselen die vroeger acceptabel waren – bijvoorbeeld dat je even minder goed in je vel zat – zijn dat nu niet meer. Je dient voortdurend autonoom en sterk te zijn. Te functioneren. Als je een beetje somber bent, dan word je tegenwoordig naar een dokter of therapeut gestuurd. Twintig, dertig jaar geleden kwam niemand zelfs maar op het idee. Veelzeggend vind ik ook hoe explosief de aandacht voor burn-out is gestegen. Dat interesseert me als socioloog: waarom kopen wij tijdschriften met tips om onszelf voor burn-out te behoeden? De angst dat we daar allemaal het slachtoffer van kunnen worden is kennelijk wijdverbreid. We voelen continu de dreiging dat we het contact met de wereld om ons heen verliezen.’

Volgens Rosa is het antwoord op de moderne vervreemding te vinden in wat hij ‘resonantie’ noemt: een diepe verbondenheid met de wereld om je heen. ‘Het was een heel fysieke ervaring die me tot die theorie bracht. Op een dag stond ik bij mij thuis in het Zwarte Woud voor het raam en ik voelde me somber. Ik dacht: wat voel ik echt? Welnu, het was alsof alles en iedereen zich van me had afgekeerd, zweeg, vijandig was zelfs. Ineens realiseerde ik me wat er werkelijk met me aan de hand was: ik voelde me niet in contact staan met de wereld om me heen. Resonantie is wat er gebeurt als je dat wél voelt. Kunst kan resonantie oproepen, de natuur, maar ook religie of de geschiedenis.’

De geschiedenis?
‘Resonantie is niet alleen connectie voelen met de levende wereld, ook met de dode. Bezoek maar eens een voormalig concentratiekamp. Is het niet wonderlijk dat je bij een hoop stenen zoveel contact kunt ervaren met het verleden? Ik was een keer in Oradour-sur-Glane, in Frankrijk, waar de nazi’s in 1944 een gruwelijk bloedbad aanrichtten. De ruïnes zijn er blijven staan. Ongelooflijk indrukwekkend was dat; je voelt het verleden als het ware door je heen gaan.’

Hebt u zelf weleens een burn-out gehad?
‘Gelukkig niet. Maar ook ik denk weleens: ik moet oppassen dat ik er niet eentje krijg.’

Dus u voelt voldoende resonantie met uw omgeving?
‘Ik denk het wel. Muziek is ontzettend belangrijk voor mij. Dat realiseerde ik me trouwens al voordat ik de theorie van de resonantie ontwikkelde. Voor ik ga slapen zet ik mijn koptelefoon op, en dan voel ik me intens verbonden met het leven. Datzelfde ervaar ik tijdens mijn colleges aan de universiteit of als ik in de zomermaanden lesgeef aan getalenteerde middelbare scholieren. En ik vind het heerlijk om naar de sterren te kijken. Welbewust zoek ik telkens zulke ervaringen op, ook als ik eigenlijk andere dingen te doen heb.’

Het zal geen verbazing wekken dat Rosa sceptisch is over de zegeningen van de digitale revolutie in het algemeen en die van smartphones in het bijzonder. Natuurlijk, zegt hij, beseft hij best dat de opmars van nieuwe technologieën altíjd gepaard gaat met bezorgdheid over de negatieve sociale effecten. Lachend: ‘Als ik in het stenen tijdperk had geleefd, dan was ik vast sceptisch geweest over de uitvinding van het schrift. Had ik gezegd: nu zitten wij hier nog fijn samen rond het vuur elkaar verhalen te vertellen. Straks zit iedereen in z’n eentje verhalen uit een boek te lezen!’

Dat neemt volgens hem niet weg dat de nieuwe digitale mogelijkheden ons wel degelijk op spectaculaire wijze beïnvloeden. ‘Ik wil heus niet terug naar het tijdperk van vóór de smartphone, het is niet of-of. Maar we moeten, vind ik, wel onder ogen zien wat er aan de hand is. En dan ben ik sceptisch over wat ik onlangs in Die Zeit “de cultuur van de neerwaarts gerichte blik” heb genoemd. Op je smartphone krijg je continu informatie door, WhatsApp je met je vrienden, speel je spelletjes, kun je filmpjes bekijken; zelfs erotische avonturen kun je desgewenst via het schermpje beleven. Steeds met die neerwaarts gerichte blik. Dat maakt onherroepelijk dat we minder gefocust zijn op onze omgeving.’

Zal de wal het schip niet keren? Je ziet nu al nieuwe omgangsvormen ontstaan. Waarbij het bijvoorbeeld als onfatsoenlijk geldt om in gezelschap op je telefoontje te loeren.
‘Dat vind ik een heel interessante ontwikkeling. Toch denk ik dat de veranderingen die de smartphone teweegbrengt diep en verstrekkend zullen zijn. Het effect ervan op ons leven is vermoedelijk groter dan dat van de auto of zelfs van het elektrisch licht. De veranderingen gaan bovendien razendsnel. Voor je het weet loop je hopeloos achter. Die continue innovatie is om gek van te worden. Je krijgt geen tijd om eraan te wennen en je de updates eigen te maken.’

Hoe moeten we ons tot de versnelling verhouden?
‘Ik denk dat die permanente innovatie een weeffout is in de structuur van de moderne maatschappij. Volgens Marx kent het kapitalisme een intrinsieke drang tot competitie en groei. Ik ben geen marxist, maar dit had hij heel scherp gezien: het kapitalisme kan zich alleen handhaven door constante innovatie. Om je concurrenten voor te blijven móét je wel telkens met iets nieuws komen. Ik denk dat we op zoek moeten naar een economisch systeem dat stabiel is – zonder permanent te hoeven groeien. We zouden af moeten van die politieke mantra dat competitie noodzakelijk is. Heel veel mensen lukt het ook niet om daarin mee te komen. Daarom ben ik groot voorstander van een basisinkomen. Dat zou de existentiële angst wegnemen dat je in de goot belandt. Begrijp me niet verkeerd: ik ben geen aanhanger van de degrowth-beweging. Ik ben niet principieel tegen groei, ik ben tegen blinde groei. Daar zouden we wat mij betreft serieuzer over moeten nadenken.’

Waarom wilt u eigenlijk geen goeroe zijn? Gisteren in de Waalse kerk zag je hoe het publiek hunkerde naar uw boodschap. 
Brede lach: ‘Dat heeft te maken met mijn biografie. Mijn ouders waren zeer conservatieve, typische Zwarte Woud-katholieken, die later een enorme belangstelling ontwikkelden voor esoterie. Ze experimenteerden met de antroposofie, met het boeddhisme, met de Rozenkruisers – en erger. Ik groeide min of meer op in een sekte. Dat heeft me allergisch gemaakt voor iedereen die zegt: zo zit het en zo moet het. Zodra iemand dat roept, word ik meteen sceptisch. Ik bezit geen absolute kennis. Ik wil alleen reflecteren op wat ik zie. En jou vertellen wat ik daarvan denk. Zodat we samen verder kunnen denken.’