Home Ethiek kan ook leuk zijn

Ethiek kan ook leuk zijn

Door Sebastien Valkenberg op 20 september 2011

Cover van 08-2011
08-2011 Filosofie magazine Lees het magazine

Velen zien ethiek als een – weliswaar noodzakelijke – beperking van onze vrijheid. Herman Philipse laat zien dat zij ons leven ook kan verrijken.

Veel mensen associëren ethiek met een opgeheven vingertje. Je wílt iets – illegaal een film downloaden van internet –, maar weet dat het eigenlijk niet mag. Doe je het toch, dan komt het geweten in opstand, met een knagend schuldgevoel als resultaat. Ofwel: vrijwel iedereen vindt ethiek belangrijk, maar leuk is anders.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Waar komt deze negatieve benadering vandaan, en zijn er ook andere opvattingen van ethiek mogelijk? Antwoord op die vragen geeft Herman Philipse in Vrijheid en verplichting. In het nieuwste hoorcollege van de universiteitshoogleraar in Utrecht passeert op acht cd’s 2500 jaar wijsgerige ethiek de revue, van Plato tot Emmanuel Levinas.

Inmiddels heeft Philipse al een aardig oeuvre op cd opgebouwd, met name over kenleer en wetenschapsfilosofie, en ook deze box is weer een echte Philipse. Dat wil zeggen, het product van een analytisch filosoof en daardoor methodologisch zeer doorwrocht. Geduldig legt hij uit welke vormen van ethiek je kunt onderscheiden, welke daarvan hij aan bod laat komen en welke niet. Pas als de gereedschapskist op orde is, kan het overzicht beginnen.

‘Is het nu zo dat morele eisen die aan ons gesteld worden onze vrijheid beperken?’ vraagt Philipse zich af bij aanvang van het college. In elk geval leidt deze zienswijze tot de wijdverbreide opvatting van hierboven: ethiek als nuttige sta-in-de-weg, die ons in toom moet houden. Of moeten we een andere visie ontwikkelen? Wellicht kan ethiek juist verrijkend werken in plaats van beperkend, en vergroot zij ons geluk. Ziehier ook de verklaring van de titel van het hoorcollege: dat beweegt zich op de as tussen vrijheid en verplichting.
 

Strenge meester

Als de nadruk op onze plichten ligt, is er sprake van een deontologische ethiek. Goed en kwaad zijn vastomlijnde begrippen, die zich amper iets aantrekken van de omstandigheden. De bekendste vertegenwoordiger van deze opvatting is Immanuel Kant, wiens manier van denken bijzonder invloedrijk is gebleken. Philipse: ‘In de moderne opvatting over ethiek denken we vaak op een kantiaanse manier over morele verplichtingen.’ Ontwikkelingshulp wordt vaak langs deze lijnen gemotiveerd, licht hij toe. Als rijk land zouden we er domweg toe verplicht zijn. Maar zomaar een bedrag overmaken op Giro 555 is nog niet voldoende. Altijd dreigt het gevaar dat we er zelf een warm gevoel aan overhouden, en wie zegt dat dit niet het eigenlijke motief is om te geven? Daarom moeten we zulke bijbedoelingen volgens Kant wantrouwen. Pure onbaatzuchtigheid, daar gaat het bij hem om.

Zeker in de achttiende eeuw, waarin Kant leefde, had dit uitgangspunt verstrekkende gevolgen. Het stond namelijk op gespannen voet met het christendom, dat destijds de morele agenda nog goeddeels bepaalde. Om mensen op het rechte pad te houden had het geloof een krachtig instrument: de hemel. Het maakte handig gebruik van de vrees onder gelovigen om de toegang tot dit oord te verspelen. Effectief wellicht, maar zo dreigt ethiek te verworden tot een verkapte vorm van egoïsme. ‘We hebben een hoogste wet nodig die ons duidelijk maakt hoe we moreel moeten handelen,’ zegt Philipse, ‘en die wet moet onafhankelijk zijn van onze doelstellingen.’ Zo komt Kant tot zijn beroemde categorische imperatief. Er bestaan verschillende formuleringen, maar de beroemdste is deze: ‘Handel alleen naar die maxime door welke je tegelijk kunt willen dat ze een algemene wet wordt.’ Een voorbeeld: het leugentje om bestwil. Iedereen voelt weleens de aandrang daartoe. We kunnen deze aandrang echter niet veralgemeniseren: stel dat iedereen overal en altijd zou liegen. Liegen mag dus niet – nooit. We zouden onze morele plicht verzaken.

Hoogste wet, imperatief,plicht – er kan geen misverstand over bestaan: voor Kant staat ethiek in de gebiedende wijs. Geen wonder dat hij in de negentiende eeuw onderwerp van spot werd. Critici ontwikkelden de volgende lakmoesproef: zorg ervoor dat je vooral geen plezier beleeft aan een handeling; dan weet je dat je het goede doet. Tegenzin als indicator voor ethisch handelen: het is een karikatuur, maar een kern van waarheid zit er zeker in. Geluk moeten we volgens Kant niet in de ethiek zoeken – opnieuw: handelingen zouden weleens kunnen voortkomen uit een oneigenlijk motief. Hooguit maakt handelen volgens de morele wet ons gelukwaardig. We komen in aanmerking voor het geluk, maar mogen er niet op rekenen.
 

Encyclopedie van deugden

Aristoteles slaat een heel andere toon aan. Niet die van de strenge bovenmeester, maar die van de man van de praktijk. Het begint er al mee dat hij totaal andere verwachtingen van ethiek koestert dan Kant. Zijn theorie ontwikkelt de Griekse filosoof in de Ethica Nicomachea. Philipse: ‘De grondvraag van zijn boek is: hoe kan een mens gelukkig worden?’ Wat we volgens Kant niet met ethiek mogen verbinden, namelijk het geluk, ligt voor Aristoteles dus juist ten grondslag aan deze discipline. Cruciaal is hoe je dit definieert. Aristoteles zocht niet naar vluchtige genoegens, hoewel hij zeker geen asceet was die elke genieting a priori verdacht vond. ‘Iemand die geen plezier of genot heeft in wat hij doet, is niet gelukkig,’ benadrukt Philipse. Maar het geluk – of eudaimonia in het Oudgrieks – ligt nog een trede hoger en is duurzaam van aard. Het hangt nauw samen met zelfverwerkelijking. Planten moeten groeien en bloeien, leeuwen moeten goed kunnen jagen, en typisch aan mensen is dat ze kunnen nadenken. Als dit vermogen goed functioneert en in overeenstemming is met de deugd, komt volgens Aristoteles het geluk in zicht.

Op het eerste gezicht is dit een tamelijk lege formule, geeft Philipse toe. ‘De interessante vraag is natuurlijk: hoe gaat Aristoteles dit programma invullen? Wat zijn eigenlijk die deugden, en hoe kunnen we die bepalen?’ Het staat allemaal in de Ethica Nicomachea, die Philipse omschrijft als ‘een soort encyclopedie van deugden met de bedoeling dat die ons inspireert om onszelf deugdzamer te ontwikkelen’.

Talloze deugden passeren de revue: moed, gematigdheid, vrijgevigheid. Deze catalogus is echter geen schoolboekje dat je slaafs moet volgen. Uiteindelijk hangt deugdzaamheid af van de situatie. Als leidraad dient hier de wet van het gulden midden: de deugd ligt altijd tussen twee ondeugden. Met dit uitgangspunt valt het te verwachten dat Aristoteles vrijgevigheid minder rücksichtslos benadert dan de kantiaans geïnspireerde opvatting. Geven? Zeker, maar dan alleen op de juiste manier. Het is evident dat vrijgevigheid zich verre houdt van gierigheid, maar het andere uiterste, dat je evenzeer moet vermijden, is verkwisting. Almaar meer geven zonder oog te hebben voor de gevolgen is ook schadelijk. In het meest extreme geval ruïneert de gulle gever zichzelf, en het is ook geen uitgemaakte zaak dat de ontvangende partij er per definitie beter van wordt. Hoewel Philipse er niet expliciet op terugkomt, moge het duidelijk zijn dat ontwikkelingshulp die op aristoteliaanse leest is geschoeid wezenlijk verschilt van hulp die uit plichtsbetrachting voortkomt.

Inmiddels wordt ook het verband zichtbaar tussen deugdzaamheid en geluk. Een gelukkige vrek lijkt een contradictio in terminis: elke aankoop – een mooi boek of een uitbundig feestmaal – is immers in de eerste plaats een verliespost op de balans. En zijn tegenpool, de verkwister, vergaat het al niet veel beter als hij zichzelf te gronde richt. Overigens is deugdzaamheid slechts een eerste voorwaarde voor geluk. Philipse: ‘Er zijn ook veel externe goederen nodig om een gelukkig leven te leiden.’ Een opsomming: rijkdom (zij het niet te veel), vrienden (die Aristoteles van onschatbaar belang acht) en een goede gezondheid. Stuk voor stuk zaken die we niet onmiddellijk verwachten in een verhandeling over ethiek. ‘Dus het thema van de Ethica Nicomachea,’ aldus Philipse, ‘is veel ruimer dan wat wij ethiek zouden noemen.’

Het minste wat je kunt zeggen is dat Aristoteles’ theorie verfrissend werkt, wat in meer of mindere mate ook geldt voor de andere theorieën die Philipse presenteert. En dat komt weer goed van pas bij de opdracht die hij meegeeft aan de luisteraar om toch vooral zelf aan de slag te gaan. Hij moedigt hem zelfs aan een heuse ‘ethiek van de toekomst’ te ontwikkelen. Dat lijkt wat veel gevraagd, maar belangrijke bouwstenen voor zo’n project heeft Philipse in elk geval geleverd.