Home Bewustzijn Descartes’ bewijs voor het bestaan van de ziel
Bewustzijn

Descartes’ bewijs voor het bestaan van de ziel

In de zeventiende eeuw bewees Descartes dat de onstoffelijke ziel bestaat. Zijn bewijs blijft overtuigend, ook in de tijd van hersenscans.

Door Erno Eskens op 25 juni 2008

brein hersenen illustratie
06-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Is er dan toch leven na de dood? Wie Eindeloos bewustzijn van cardioloog Pim van Lommel leest, zou het bijna gaan denken. In het door het grote publiek omarmde, maar door een groot gedeelte van de gevestigde wetenschap verguisde boek, doet Van Lommel verslag van zijn onderzoek naar de verschijnselen rond hersendood. Zo’n twintig jaar lang verzamelde hij data over mensen die op het randje van de dood balanceerden en hij sprak daarbij met 62 mensen die levendige herinneringen hadden aan de tijd dat ze hersendood waren. Ze vertelden over tunnels met licht aan het eind, over familieleden die hen aan gene zijde stonden op te wachten. Ze waanden zich in een bad van liefde, zagen hun leven in een flits en herinnerden zich soms ook opmerkelijke details van voorvallen die tijdens de hersendood in de operatiekamer plaatsvonden. Van Lommels conclusie: zelfs als de hersenen niet functioneren, heeft de mens nog een vorm van bewustzijn. ‘Ik ben ervan overtuigd dat je bewustzijn niet in je lichaam is opgeslagen, maar dat je via je lichaam je dagelijks bewustzijn ervaart.’ Er is een actief bewustzijn buiten de hersenen, dat zich alleen via je hersenen ‘manifesteert’. Misschien is het wel ‘de ziel’.

Bestaat er zoiets als een ziel, die los van enig lichamelijk proces kan waarnemen en zich voorvallen kan herinneren? De meeste neurologen – blijkt ook uit een artikel over Van Lommel in het populair-wetenschappelijke tijdschrift Natuurwetenschap & Techniek – achten het onmogelijk. Ze sluiten daarmee aan bij een discussie die al duizenden jaren oud is: het debat over de onstoffelijkheid van de ziel. In de hoogtijdagen van de Griekse filosofie, zo’n 2500 jaar geleden, meent Democritus dat alles – dus ook de ziel – uit materie bestaat. Daarmee werd hij een van de bekendste materialisten. Socrates en Plato zien dat anders; vooral Plato’s visie oefent veel invloed uit op het christendom, waarbinnen de onstoffelijke ziel een belangrijk dogma wordt. In de Middeleeuwen eindigden de materialisten op de brandstapel, zodat er van een open debat niet veel terechtkomt. Pas in 1637 pakt de in Nederland verblijvende Fransman René Descartes de draad weer op. Descartes is een modern man – zo iemand die het lichaam opensnijdt om te kijken waar het bewustzijn zich bevindt en het dan nergens aantreft. Maar hij kan het geloof in het bestaan van de ziel niet loslaten. Als je nergens een gedachte in het lichaam aantreft, wil dat immers nog niet zeggen dat je gedachteloos bent. Die gedachten zitten toch ergens? Het intellectus, het denkende zielendeel, moet dus wel op de een of andere wijze bestaan.

Descartes beseft dat het bestaan van de ziel niet met die moderne wetenschappelijke methodes kan worden bewezen, omdat de wetenschap zich bezighoudt met zaken die lengte en gewicht hebben. Terwijl de ziel geen lengtematen heeft. Je kunt de denkende ziel niet observeren, niet opensnijden; je kunt er niet in prikken, je kunt er niet mee experimenteren. De ziel is geen ding, geen materie.

Het bewijs van Descartes

Als de ziel geen materie is, wat is ze dan wel? Als ze niet te meten valt, zou je denken dat ze iets vaags is. Maar Descartes ziet dat anders. De ziel is juist het minst vage wat wij kennen. Hij bewijst dat met een prachtig gedachte-experiment in zijn Discours de la méthode. Het experiment heeft één doel: een onbetwijfelbaar fundament vinden voor alle kennis. Een uitspraak doen waarvan we hoe dan ook weten dat die waar moet zijn. Daartoe moeten we om te beginnen alle persoonlijke overtuigingen uit onze gedachten elimineren. Overtuigingen zijn immers vaak op bijgeloof en aannames gebaseerd, en ze zijn modegevoelig. Weg ermee. Verwerp ook alle zintuiglijke informatie, want we weten allemaal dat de zintuigen ons soms kunnen bedriegen. Weg ook met alle redeneringen, want mensen maken soms denkfouten. En zelfs ook weg met de wereld en ons lichaam. We kunnen ons voorstellen dat die niet bestaan.

Wie vreest dat er na dit gedachte-experiment niet veel overblijft, kan gerust zijn: je kunt niet om het feit heen dat jij al twijfelend toch op z’n minst op de een of andere manier denkt. Klaarblijkelijk denken we, klaarblijkelijk is er ‘iets’ dat denkt. En daarmee vindt Descartes de zekerheid waar de materialist deze het minst zou verwachten: in dat denkende ‘eindeloze’ zielendeel waar de wetenschap maar geen grip op kan krijgen. Descartes vat het samen in een fraaie zin: Je pense, donc je suis. Later gebruikt hij ook de Latijnse versie van deze zin: Cogito ergo sum: ik denk, dus ik ben.

Zijn bewijs voor het bestaan van de ziel is briljant. Hij schrijf daarover: ‘Ik ontdekte dat het mogelijk is om aan te nemen dat ik geen lichaam heb en dat er geen wereld of plaats is waarin ik mij bevind, maar dat ik me daarbij niet kan voorstellen dat ik niet besta.’  

Ziel en lichaam gemengd?

Descartes bewijst het bestaan van de denkende ziel door die strikt te scheiden van rommelige, vergankelijke materie. Voor het onderzoek naar de materie hebben we de wetenschap; voor de ziel hebben we de filosofie en het geloof.

De meeste denkers voor hem stelden nog dat ziel en materie op de een of andere wijze vermengd konden worden. De onstoffelijke ziel zou het lichaam aansturen via de bezielde adem (pneuma), schrijft Aristoteles bijvoorbeeld. Die adem zou zowel materieel als ‘denken’ zijn. De middeleeuwse filosoof en theoloog Thomas van Aquino schrijft later in zijn Summa contra gentiles dat ons hele lichaam doortrokken is van deze pneumatische ziel. Ons lichaam is met dit zielendeel doordesemd. Hij ontleent deze gedachte weer aan de filosoof Alexander van Afrodisias, die de ziel het ‘vijfde element’ heeft genoemd. Het lichaam bestaat uit vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. Het ‘vijfde element’ is onze ‘kwintessens’, onze vijfde essentie, onze ziel. Die zou de vorm hebben van een ademend half materieel, half spiritueel lichaam.

Descartes breekt met dit alles, maar haalt zich daarmee ook een probleem op de hals. Want als lichaam en ziel strikt zijn gescheiden, wat is het menselijk lichaam dan nog, dat nu plotseling van elke ziel is verstoken? Is dat louter een machine? Tijdens zijn vele verhuizingen sleepte Descartes een geheimzinnige koffer mee met automaten. Sommige biografen vermoeden dat hij het menselijk lichaam, dat mechaniekje, eens wilde nabouwen. De filosoof Julien Offray de Lamettrie trok in 1748 in ieder geval de radicale conclusie die Descartes nog niet wilde trekken. Het lichaam is inderdaad niets meer dan een automaat, schrijft hij in De mens een machine (L’Homme Machine). En hij zet meteen de volgende stap: die ziel waar iedereen zo verheven over doet, die zal ook wel gewoon materieel zijn. Iedereen weet dat eigenlijk allang, want wanneer we een borrel op hebben, als we een hersenbeschadiging oplopen of dromen, dan denken we anders. Klaarblijkelijk heeft het lichaam dus wel effect op ons denken – gedachten hebben altijd een materiële oorzaak.

Descartes, die op dat moment al was overleden, zou met die laatste conclusie nog wel overweg kunnen. In zijn Passies van de ziel, dat deze maand in een mooie vertaling verschijnt, erkent hij dat het lichaam bepaalde emoties opwekt in ons bewustzijn. Hij noemt deze emotionele gedachten ‘passies’, omdat we ze niet actief denken. Ze borrelen op, maar worden niet bewust opgewekt door onze denkende ziel. Terwijl de passies bestaan dankzij het lichaam, bestaat het bewuste, actieve denken alleen dankzij de niet-materiële ziel. Die actieve gedachten, die we met onze vrije wil vormen, borrelen niet op uit ons lichaam; ze zijn geheel onstoffelijk.

Als ook het actieve denken stoffelijk zou zijn, zoals Lamettrie en de moderne wetenschap ons leren, dan zouden die gedachten toch ook de kwaliteiten van de materie moeten hebben: lengte en gewicht. Dan zou het mogelijk moeten zijn om ze op een weegschaal te leggen en in een doosje op te bergen. Je moet ze dan ook kunnen invriezen. Maar zou een gedachte nog een gedachte zijn – zo kunnen we ons nu afvragen – als hij in een doosje in het vriesvak ligt? En zou er ook maar een wetenschapper zijn die serieus denkt dat je een meetlat langs een gedachte kunt leggen en kunt zien hoeveel micrometer een goede ingeving beslaat? Hoewel de moderne wetenschap weliswaar hersenactiviteit kan meten, is het onmogelijk het denken zelf weer te geven. Dat is immers niet materieel, zoals Descartes met zijn gedachte-experiment had aangetoond  

Heeft de geest een lichaam nodig?

Wij kunnen onze actieve gedachten niet begrijpen als stoffelijke zaken. Zelf die gedachten die opborrelen uit het lichaam, kunnen we ons niet goed voorstellen als zuiver materiële dingen. Maar tegelijkertijd heeft Lamettrie er natuurlijk wel gelijk in dat ons lichaam invloed heeft op het denken, en dat omgekeerd ons denken het lichaam aanstuurt. In de praktijk kun je materie en ziel niet los van elkaar zien. Als Descartes gelijk heeft, hoe kan het stoffelijk lichaam dan ingrijpen in de niet-stoffelijke ziel? Hoe zitten de gedachten dan in ons lichaam? En, nog fundamenteler: waarom hebben die onstoffelijke gedachten überhaupt een lichaam nodig?

Descartes moet er ook mee geworsteld hebben. Hij vond wel een oplossing, maar die is zeer dubieus. Hij stelde dat in de pijnappelklier, een klein gebied in de hersenen, de onstoffelijke gedachten en het lichaam bij elkaar komen zonder dat ze zich daar vermengen. Zijn deus ex machina of ghost in the machine neemt niemand echter serieus.

Pim van Lommel ziet de ziel en het lichaam evenals Descartes als twee verschillende zaken, en zit dus ook met het probleem van interactie tussen beide. Hij schrijft: ‘Mijn theorie is dat elk mens zijn eigen, persoonspecifiek DNA heeft in al zijn cellen – en dus ook in zijn hersencellen – en dat elk mens hierdoor contact met zijn eigen bewustzijnsvelden kan maken. Je DNA speelt een essentiële rol in je contactmogelijkheden […].’ Deze interactie tussen onstoffelijke en stoffelijke zaken heeft volgens hem te maken met kwantummechanica: deeltjes gedragen zich soms niet volgens de traditionele natuurwetten; ze onttrekken zich af en toe aan de eigenschappen van gewone materie. We kunnen met de huidige natuurwetenschap niet begrijpen wat daar gebeurt.

Deze moderne variant van de pijnappelklier vindt eveneens weinig genade in de ogen van wetenschappers. Ons lichaam is te warm en te groot, en daarmee niet geschikt voor kwantummechanische processen, constateert bijvoorbeeld fysicus Robbert Dijkgraaf in Natuurwetenschap & techniek. Voor magie is in de wetenschap geen plek.

Hoe nu verder met het debat over de ziel? Laten we beginnen met het hanteren van de stelregel van de middeleeuwse filosoof William van Ockham: ‘Je moet de zijden niet onnodig vermeerderen.’ Oftewel: je moet de eenvoudigste theorie kiezen die het meeste verklaart. Met dat in het achterhoofd kunnen we constateren dat Aristoteles, Alexander van Afrodisias, Thomas van Aquino, Descartes en Van Lommel het allemaal wel ingewikkeld maken met hun pneuma, hun etherische lichaam, hun pijnappelklier en hun DNA-antenne.

Maar het wegstrepen van een onnodig ingewikkelde theorie neemt niet weg dat we nog altijd zitten met een onmogelijk dilemma: of je hangt het weinig overtuigende idee aan dat gedachten met een meetlat of een scan gemeten kunnen worden, of je hangt de even weinig overtuigende gedachte aan dat het stoffelijke lichaam en onze onstoffelijke gedachten op magische wijze op elkaar inwerken.

Volgens de Amerikaanse bestseller filosoof Daniel C. Dennett is het idee van de ziel totaal overbodig.