Home Psyche De passies van Descartes
Psyche

De passies van Descartes

Descartes staat bekend als de filosoof die lichaam en geest loskoppelde. De passies van de ziel lijkt dan ook een raadselachtig werk binnen zijn oeuvre. Daarin richt Descartes zich keer op keer tot het lichaam om geestelijke processen te duiden.

Door Jeroen Hopster op 27 mei 2022

Descartes Beeld: Levi Jacobs
Cover van 06-2022
06-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

René Descartes, de meeste vermaarde dualist uit de filosofische canon, is vaak neergezet als tegenpaus van de moderne hersenwetenschap. De vroegmoderne filosoof meende dat lichaam en geest ontkoppeld zijn – een voorstelling die hedendaagse neurologen onderuit hebben gehaald. Maar wie De passies van de ziel (1649) op een willekeurige pagina opent, ziet dat dit beeld de plank volkomen misslaat. In dit boek bespreekt Descartes emoties en gevoelens vanuit een haast anatomische optiek. Onder andere verwondering, minachting, liefde en haat, begeerte, hoop en vrees, wroeging, vreugde en verdriet, berouw, erkentelijkheid en schaamte passeren de revue. Descartes ontleedt de passies op grond van hun fysiologische eigenschappen. Zo merkt hij op dat vreugde gepaard gaat met een levendige gelaatskleur, terwijl een droef gezicht juist bleek wordt:

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Vreugde opent de sluizen van het hart en doet in alle aderen het bloed sneller stromen; en doordat het dan ook warmer en fijner is dan anders, zwellen de gezichtsdelen lichtjes op, zodat het aangezicht er stralend en vrolijk uitziet. Doordat droefheid daarentegen de toegangen tot het hart afknijpt, gaat het aderlijke bloed langzamer stromen, het koelt af, wordt dikker en neemt minder ruimte in. Het trekt zich dus terug in de grote bloedvaten in de onmiddellijke omgeving van het hart en verlaat tegelijk de meer afgelegene, waarvan de meest zichtbare die van het aangezicht zijn. Dit wordt dus bleek en slap, vooral als het een grote en plotselinge droefheid is.

Deze fysiologische uitleg staat niet op zichzelf. Keer op keer wendt Descartes zich tot het lichaam om geestelijke processen te duiden. Wat bracht de filosoof van het dualisme ertoe om een boek te schrijven over belichaamde emoties?

Nuttige emoties

De passies van de ziel is een uitwerking van een lange briefwisseling die Descartes onderhield met Elisabeth van de Palts, de oudste en intellectueel begaafde dochter van Frederik V, koning van Bohemen. Elisabeth had het contact geïnitieerd om opheldering te vragen over hoe lichaam en ziel op elkaar inwerkten. Gaandeweg werd de briefwisseling steeds persoonlijker; die veranderde in een privécursus morele psychologie, waarbij psychische en lichamelijke kwalen van de prinses het beginpunt vormden van Descartes’ analyse. Zo vertelde zij over haar droge hoest en langdurige verhoging, die Descartes toeschreef aan neerslachtigheid. Descartes schreef weliswaar na de anatomische revolutie van Vesalius, maar de medische wetenschap stond nog in de kinderschoenen. Later zouden de symptomen van Elisabeth worden herkend als het begin van tuberculose.
Descartes publiceerde De passies op aandringen van zijn uitgever in Parijs. Het was een publieksboek, niet in het Latijn geschreven, maar in de volkstaal, het Frans. Onder medici, literatoren en theologen bestond destijds grote interesse in emoties. Descartes verschafte een theorie om die mechanistisch te begrijpen, net zoals de natuurwetten. Daarbij haalde hij de passies uit de sfeer van morele veroordeling. Waar eerdere filosofen meenden dat we de passies moesten onderdrukken, betoogde hij dat ze ons juist helpen om verstandige beslissingen te nemen:

Inderdaad moet onderstreept worden, dat het belangrijkste effect van alle menselijke passies is dat zij de ziel aansporen en in staat stellen om datgene te willen waarop zij het lichaam voorbereiden — het gevoel van angst bijvoorbeeld, zet de ziel aan om te vluchten, dat van onverschrokkenheid om te vechten, enzovoorts.

Doorgaans zijn de passies nuttig. Ze activeren lichaam en geest, en maken ons opmerkzaam op zaken die van belang zijn en die een krachtige respons vereisen. Wat begint bij een gevoel, zoals een droge keel of een versnelde hartklop die met angst gepaard gaat, gaat haast ongemerkt over in een actie: het vluchtgedrag waar een penibele situatie om vraagt.

De gevoelens en emoties waarover Descartes schrijft zijn geen acties, maar passies die ons overkomen en die een specifieke lichaamstoestand opwekken. Die lichaamstoestand worden we automatisch gewaar, of we dat nu willen of niet. We ervaren de lichamelijke processen die ons tot een bepaalde reactie aanzetten. Maar of we die reactie daadwerkelijk tot uiting brengen is daarmee nog niet gezegd. De passie brengt ons in staat van paraatheid, maar mensen hebben – anders dan dieren – het vermogen om daar al dan niet in mee te gaan.

‘Vreugde opent de sluizen van het hart en doet in alle aderen het bloed sneller stromen’

Volgens Theo Verbeek, Descartes-kenner en vertaler van De passies, is dit voor Descartes een van de aspecten van de menselijke wil. ‘Wij kunnen het automatisme van een reactie opschorten. Ook als we honger hebben, kunnen we besluiten dat we belangrijker dingen te doen hebben dan eten.’ Dat is wat ons volgens Descartes van dieren onderscheidt: bij hun acties gaat de beweging niet gepaard met een geestelijke ervaring, maar met geprogrammeerd gedrag. De mens daarentegen heeft de vrijheid zich op verschillende manieren te gedragen.
Verbeek: ‘De passies fungeren in zekere zin als een middel om die vrijheid te corrigeren. Ze brengen de noodzaak van een reactie krachtig onder de aandacht. Maar omdat ze niet altijd gebaseerd zijn op ware en juiste ideeën en waarnemingen, betekent dat ook dat ze tot op zekere hoogte gevaarlijk zijn.’

Vergissing van Damasio

Was Descartes een psychotherapeut avant la lettre? Als hij met zijn analyse Elisabeth verder hielp, dan was dat vermoedelijk vooral op intellectueel niveau. Descartes’ verhandeling is niet zozeer therapeutisch, maar bovenal wetenschappelijk van aard, en vertoont opvallende gelijkenissen met moderne inzichten in de neuropsychologie. Denk aan de Nederlandse psycholoog Nico Frijda, die emoties nadrukkelijk heeft gekoppeld aan actietendensen, of de hersenwetenschapper Antonio Damasio, die heeft aangetoond hoe emoties, gevoelens en denken op elkaar inwerken.

Toch betoogt Descartes dat er wijsheid schuilt in onze emoties. Sommige passies zorgen ervoor dat wij ons tot zaken aangetrokken voelen, terwijl andere er juist voor zorgen dat we ons van dingen afwenden. Ons functioneren – zelfs onze overleving – is daarbij gebaat:

De ziel wordt onmiddellijk duidelijk gemaakt dat iets nuttig is voor het lichaam door middel van een soort kitteling die, na eerst vreugde opgewekt te hebben, haar vervolgens liefde ingeeft voor datgene waarvan ze gelooft dat het er de oorzaak van is, en tenslotte de begeerte naar wat moet leiden tot een voortzetting van die vreugde dan wel een herhaling ervan. Daaruit blijkt dat [deze passies] zeer nuttig zijn voor het lichaam en misschien zelfs dat droefheid nog belangrijker en noodzakelijker is dan vreugde, en haat nog noodzakelijker dan liefde: het is immers veel belangrijker dat we afweren wat nadelig en schadelijk is dan dat we ernaar streven om een volmaaktheid toe te voegen die, als het alleen om ons overleven gaat, niet onmisbaar is.

Ook Han van Ruler, hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, benadrukt dat Descartes veel dichter aan schurkt tegen het werk van Damasio en de zijnen dan tegen dat van metafysici, die zich nog altijd buigen over het probleem van lichaam en ziel. ‘Voor Descartes is er helemaal geen probleem. De ziel is hier geen metafysisch object, maar een ervaringsruimte, gekoppeld aan lichamelijke processen.’ Dat Damasio een groot publiek bereikte met zijn boek De vergissing van Descartes, waarin hij de gangbare karikatuur opvoert van Descartes als stugge dualist, is dan ook ironisch. ‘Je kunt beter spreken van de vergissing van Damasio.’

Pijnappelklier

De passies is het slotakkoord van Descartes’ oeuvre; een jaar na publicatie stierf hij aan het Zweedse hof. Hoe past dit boek in zijn bredere werk? Bewijst het de onjuistheid van het clichébeeld van Descartes als strikte dualist? Verbeek: ‘Het clichébeeld is niet zozeer onjuist als wel onvolledig. Descartes maakt zowel een onderscheid tussen lichaam en geest als dat hij ze – bijvoorbeeld in zijn theorie van de passies – als een eenheid beschouwt.’ 

Aldo Houterman, auteur van Wij zijn ons lichaam, duidt het dualisme dat Descartes elders aan den dag legt in een medische context. ‘Descartes probeerde aan theoretische kennis van het lichaam bij te dragen door zelf lichamen van dieren open te snijden. Het anatomische lichaam bestaat uit lichaamsdelen en organen – hart, maag, brein, aderen, spieren – die elk een eigen functie hebben. De bewegingen, gedragingen en ziektes van het lichaam worden van binnenuit verklaard. Het lichaam is tot object gemaakt, een collectie organen omhuld door huid; het is gefixeerd, koud en beweegt niet meer uit zichzelf. Vanuit dit tamelijk smalle lichaamsbeeld is het niet verwonderlijk dat Descartes ook nog een geest nodig heeft om de mens te verklaren.’

Interessant is dat in Descartes’ bezielde kijk op het menselijk lichaam het brein een bijzondere plaats inneemt:

Nader onderzoek heeft me geleerd dat het lichaamsdeel waarin de ziel onmiddellijk al haar functies uitoefent, niet het hart kan zijn, en ook niet de hersenen als geheel, maar alleen een deeltje binnen in de hersenen, namelijk een kleine klier die zich in het midden van de hersenmassa bevindt.

Houterman: ‘Volgens Descartes verloopt de beïnvloeding van de geest via de pijnappelklier in het brein, en dus niet via bijvoorbeeld het hart of de maag. Dit neurocentrische lichaamsbeeld is nog steeds sterk aanwezig in hedendaagse voorstellingen van het lichaam.’ Ook Descartes-biograaf Richard Watson merkte al eens op dat Descartes’ benadering sterk verwant is aan die van moderne neurologen. ‘Als Descartes vandaag de dag leefde zou hij CAT- en PET-scans maken in een groot ziekenhuis.’

Een groot verschil is wel dat hedendaagse hersenwetenschappers – Victor Lamme voorop – vaak geen ruimte laten voor de vrije wil, terwijl Descartes die vrijheid wel ziet, althans bij mensen. Descartes meende dat mensen de wereld veranderen, terwijl dieren slechts automatismen vertonen. De mens vertoont daarmee bijzonder gedrag. Van Ruler: ‘Ons bewustzijn en onze vrije wil, die kun je dan niet wegredeneren. Dat zijn de uitgangspunten waarmee je de mens kunt begrijpen.’