Het verlies van de stilte vormt een oorzaak voor de crisis van de religie. De moderniteit is een tijdperk van lawaai. Friedrich Nietzsche had ook kunnen zeggen: het lawaai heeft God gedood. Volgens hem is het aanzwellende lawaai ook verantwoordelijk voor de crisis van het denken. Het genie van de aandacht heeft stilte nodig: ‘Liever doof dan verdoofd. – Vroeger wilde men dat er over je werd gesproken. Tegenwoordig volstaat dat niet meer, omdat de markt te groot is geworden – het moet geschreeuw zijn. Het gevolg is dat ook goede kelen zich overschreeuwen, en dat de beste waren door schorre stemmen worden uitgevent; zonder marktgeschreeuw en schorheid is er nu geen genie meer. – Het is nu echt een slecht tijdsgewricht voor de denker: hij moet leren tussen twee momenten van lawaai nog een stilte te vinden en zich zo lang doof houden tot hij het echt is. Zolang hij dat nog niet heeft geleerd, loopt hij echter het gevaar aan ongeduld en hoofdpijn ten onder te gaan.’
De markt is vandaag de dag nog groter en luider geworden. De hele wereld verandert in een lawaaiige markt. Alles is nu een waar. Zo schettert en schreeuwt alles om aandacht. Het leven wordt zelf markt- en warenvormig. Iedereen is nu zijn eigen ondernemer, die voortdurend zichzelf produceert en zich performt. Zo lijkt iedereen op een marktschreeuwer. Het kapitalisme houdt niet van stilte. Hoe hoger de productiviteit, des te meer lawaai er wordt gemaakt. Door lawaai groeit het kapitaal. Of het kapitaal maakt lawaai om te groeien. De stilte produceert niet. De neoliberale prestatie- en optimaliseringsdwang veroorzaakt als innerlijke dwang in de ziel heel veel lawaai en maakt haar ziek. Innerlijke dwang maakt in de ziel meer lawaai dan uiterlijke dwang. Het laat de ziel niet tot rust komen. Een burn-out lijkt op plotseling gehoorverlies door innerlijk lawaai. We horen de innerlijke stilte, die gelukkig maakt, niet meer. Daarom merkt Simone Weil op: ‘Er bestaat geen geluk dat de innerlijke stilte kan evenaren.’
Byung-Chul Han (1959) is een Koreaans-Duitse filosoof en hoogleraar cultuurwetenschap aan de Universiteit voor de Kunsten in Berlijn. Hij schreef vele boeken over de problemen van de moderne westerse maatschappij, zoals De vermoeide samenleving (2010), Vita contemplativa (2023) en Spreken over God (2026).
De digitale hypercommunicatie verstoort de stilte. Informatie is als zodanig lawaai. We nemen vandaag de dag alles waar met het oog op informatie. Zo overdekt de informatie- en communicatierommel de wereld met lawaai. Informatie als lawaai ruïneert de aandacht. Alleen contemplatieve aandacht heeft toegang tot de stilte. Het lawaai van de informatie en communicatie, dat de ziel aantast, is veel destructiever dan het lawaai van moderne machines. De geest heeft stilte nodig om iets heel anders voort te brengen of te ontvangen. Op de plaats van de schepping heerst stilte. De contemplatieve toestand van de geest is een zweeftoestand, een drempeltoestand, waarin het reeds bekende of al gevormde tijdelijk tussen haakjes wordt gezet en plaatsmaakt voor iets heel anders. Zo brengt de dichtkunst de taal in een contemplatieve toestand ‘waarin de taal haar communicatieve en informatieve functie heeft opgeschort – of (…) waarin de taal in zichzelf rust, zich op haar taalvermogen bezint en zich op die manier opent voor nieuwe gebruiksmogelijkheden’ (Giorgio Agamben). Put de taal zich daarentegen uit in haar functie als informatie en communicatie, dan is er geen dichtkunst, geen vernieuwing van de taal mogelijk.
De contemplatieve stilte stelt het denken ook in staat zichzelf te beschouwen en daardoor nieuwe denkvormen voort te brengen. Daarin lijkt de filosofie op de dichtkunst. De geest is alleen ontvankelijk voor iets volstrekt anders als hij leeg wordt en vanuit de stilte opnieuw geboren wordt. Weil: ‘De aandacht bestaat erin (…) de geest beschikbaar, leeg en voor het object open te houden (…). En bovenal moet het denken leeg zijn, afwachtend, niets zoekend, maar bereid om het object dat er ingang in vindt in zijn naakte waarheid op te nemen.’ Alleen de stilte brengt de geest in de nabijheid van de schepping. De lawaaiige communicatie verspert elke toegang tot de stilte. Zonder stilte zet het gelijke zich voort. De stilte is de vroedvrouw van het nieuwe. Zo leidt het verlies van de stilte niet alleen tot de crisis van de religie, maar ook tot de crisis van de geest, dat wil zeggen tot de crisis van het denken en van het dichten.
Schuw
We nemen de werkelijkheid vandaag de dag bijna uitsluitend met het oog op informatie waar. Verantwoordelijk daarvoor is in eerste instantie de digitalisering van de werkelijkheid. Informatie schuift vóór de werkelijkheid. Daardoor verhindert zij de voorpredicatieve ervaring van presentie. Informatie vormt een predicatieve eenheid voor zover ze iets betekent en re-presenteert. De digitale communicatie put zich uit in de uitwisseling van informatie. Daardoor mist zij elke directe aanraking en presentie.
Door ze te interpreteren nemen we zelfs geluiden waar met het oog op hun betekenis. Om een voorbeeld te geven: mijn buurman boort op dit moment in de muur. Maar er is ook een heel andere waarneming mogelijk. We kunnen geluiden als het ware met het oog op hun zwijgen waarnemen, waarbij we elke vorm van betekenis buiten beschouwing laten. We kunnen ze door de stilte, door de leegte heen waarnemen, quasi onopzettelijk, zoals in het gebed, in de aandacht als negatieve inspanning. Het ik houdt zich stil. In de stilte keren de dingen of de geluiden als het ware naar zichzelf terug, keren in de stilte in, zonder door het ik, door zijn verbeeldingskracht te worden gestoord. Walter Benjamin: ‘Elk geluid verrijkt de stilte. Er bestaat een zwijgen van de haan, een zwijgen van de bijl, een zwijgen van de krekels, de honden, dat iemand die in gezelschap verkeert nooit waarneemt, omdat die geluiden niet tot hem doordringen. Geluiden zijn schuw: ze zoeken alleen de eenzame op.’ Informatie is niet schuw, maar opdringerig. Zij dringt zich aan de waarneming op. Daardoor maakt ze ons doof voor de dingen die schuw zijn, die zich terugtrekken in de stilte, in het zwijgen. De ‘communicatie’ staat diametraal tegenover het zwijgen. Zij laat die eenzaamheid waarin we ook het zwijgen van de bijl zouden waarnemen niet toe.
Even tussendoor …
Meer lezen over Byung-Chul Han en andere hedendaagse denkers? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
In de regel nemen we ook de dingen met het oog op hun betekenis binnen de leefwereld waar. De bijl is, om met Heidegger te spreken, een ‘tuig’, een werktuig dat een doel, een om-te dient. Dienstbaarheid is wat het tuig uitmaakt. Het tuig zwijgt niet, want het zegt altijd iets of duidt iets aan. We nemen het waar met het oog op zijn betekenis, namelijk op zijn functie. We nemen de bijl in de hand om bomen te vellen. Dit om-te maakt het tuig uit. Heidegger noemt het functionele verband waaraan het tuig zijn betekenis dankt ‘beduidendheid’ (Bedeutsamkeit). In de wereld als ‘beduidendheid’ bestaat geen zwijgen der dingen meer, want daarin blijven het dragers van functies en betekenissen. Alles wordt aan het om-te onderworpen. De wereld die uit om-te bestaat, die aan een functioneel verband onderworpen is, mist stilte. Heideggers ‘erzijn’ (Dasein: ontologische benaming voor de mens) kan dus het zwijgen van de bijl niet horen. De zwijgende bijl is namelijk geen tuig meer.
In zijn beroemde Chandos-brief merkt Hugo von Hofmannsthal op: ‘De woorden hebben zich voor de dingen geschoven.’ De lawaaiige woorden maken ons doof voor het zwijgen van de dingen. De Chandos-brief gaat over een epifanische ervaring van presentie, die uitgaat van de dingen. Nietige dingen als een schenkkan, een met mos begroeide steen of een eg die op de akker is blijven liggen, nemen plotseling een ‘verheven en ontroerend karakter’ aan en schokken de toeschouwer met een ‘zacht en plots stijgende vloed van goddelijk gevoel’. Ze zijn geen tuig meer. Deze voorpredicatieve, onverhoedse ervaring van presentie leidt bij de beschouwer tot een ‘denken in een materiaal dat directer, vloeibaarder, gloeiender is dan woorden.’ Deze magische houding tegenover de wereld wordt niet beheerst door re-presentatie, dus door de voorstelling, maar door directe aanraking en presentie.
Wit blad
Alleen de intensieve ervaring van presentie als ervaring van stilte leidt ons naar God. Het zwijgen der dingen, het zwijgen van de geluiden is een weerschijn van Gods zwijgen. Weil: ‘Het zwijgen van God in alle geluiden horen. Hoe zouden we het zwijgen van God kunnen horen als de geluiden hier beneden iets zouden betekenen? Door zijn goedheid hebben ze absoluut niets te betekenen. God heeft God naar zichzelf laten opschreeuwen en niet geantwoord. Wanneer we tot diep in onze ingewanden een geluid nodig hebben dat iets betekent, wanneer we schreeuwen om antwoord te krijgen, en ons dat niet is vergund, dan raken we aan het zwijgen van God. Gewoonlijk legt onze verbeeldingskracht woorden in de geluiden, zoals men er loom mee speelt in verkreukeld wasgoed of in rook vormen te zien.’
We kunnen vandaag de dag niet meer bidden, omdat we ons permanent blootstellen aan het lawaai van de informatie- en communicatiestroom. We kunnen de ogen niet sluiten, omdat ze tot voortdurende vraatzucht, tot ‘eten’ gedwongen zijn. De ogen sluiten betekent in stilte vertoeven. Weil: ‘Tijdens het gebed en tijdens de contemplatie moet de hele ziel in stilte vertoeven en de leegte verduren, opdat alleen het bovennatuurlijke deel werkzaam is, in de leegte werkzaam is, opgehangen aan het hoogste punt van heel de psychische energie.’ De adipositas van de ziel, die haar bovennatuurlijke deel laat verkommeren, verhindert dat de stilte zich in haar uitbreidt. Het ik maakt met zijn verbeeldingskracht lawaai en stopt alle lege ruimtes dicht.
In het tijdperk van het mateloos opgeblazen ego hebben we geen toegang tot God. Weil: ‘De wil van God – hoe kan men die kennen? Als men de stilte in zichzelf in acht neemt, als men al het verlangen, alle meningen tot zwijgen brengt en met liefde, met heel zijn ziel en zonder woorden denkt.’ Die decreatie stilt de ziel. Zij brengt ons dichter bij God doordat zij een proces van ‘uitdoving’ in gang zet. Het lawaaiige ik dooft uit in God. Weil: ‘Dit proces van uitdoving van dat wat ik zegt gaat nu eens met geluk, dan weer met pijn gepaard, maar in beide gevallen is het naar zijn aard een gelukkig proces vanwege de geleidelijke toename van de innerlijke stilte.’
De stilte is dat ‘witte blad’ waarover Agamben met het oog op de ontschepping spreekt, het blad waar nog geen letter op geschreven staat, maar dat elk woord kan voortbrengen. Zij vormt de plaats van de schepping. Weil: ‘Zoals in de muziek (Valéry), zo komt een gedicht uit de stilte tevoorschijn en keert naar de stilte terug.’ De ware poëzie opent voor ons de toegang tot de stilte: ‘Poëzie: via woorden in de stilte, in het naamloze terechtkomen.’
Muziek is een ‘ordening van klanken die de stilte nabootst’ (Weil). Het genie van de aandacht moet in een contemplatieve verzinking die stilte hebben vernomen. Op het opstijgen naar de stilte volgt een afdalende beweging, waaraan klanken ontspringen als uitdrukking van liefde: stilte is liefde. Weil: ‘De mooiste muziek is die welke een moment van stilte de hoogste intensiteit verleent, muziek die de toehoorder dwingt naar te stilte te luisteren. (…) De componist is de eerste die in staat moet zijn de stilte te horen. En dat in de meest letterlijke zin van deze woorden. De aandacht volledig op het gehoor geconcentreerd en op de afwezigheid van elk geluid gericht houden. Na de stilte, de doortocht door het transcendente, overheerst de afdalende beweging, (…) dan komt het moment waarop de afdaling liefde is.’
Gods zwijgen
Gods zwijgen is geen afwezigheid van het woord of van de klank, maar een uiterst positieve ervaring, positiever dan die van de klank, oneindig betekenisvoller dan het woord. Het is een zintuiglijk verneembare intensiteit, die zelfs de schoonheid van de natuur overtreft. Het vormt geen gebrek, maar een oneindig overschot. Weil: ‘Het lijkt alsof de zintuiglijke waarneming door een wonder in staat wordt gesteld waar te nemen dat het zwijgen geen afwezigheid is van geluiden, maar iets wat oneindig veel werkelijker is dan de geluiden, en de zetel van een volmaaktere harmonie dan alle klanken tezamen kunnen voortbrengen. Maar er bestaan ook nog graden van zwijgzaamheid. Er is een zwijgen in de schoonheid van de wereld die in vergelijking met het zwijgen van God toch lawaai is.’ God zwijgt, want hij belichaamt de potentia absoluta. Elk woord zou haar afzwakken. Gods zwijgen is sterker en schitterender dan elk woord, dat in vergelijking daarmee maar lawaai zou zijn.
Niemand heeft de goddelijke stilte zo mooi en pregnant beschreven als Nietzsche: ‘Hij die een werkzame of stormachtige morgen des levens beschoren was, diens ziel overvalt om het middaguur des levens een wonderlijk verlangen naar rust, dat maanden en jaren kan voortduren. Het wordt stil om hem heen, de stemmen klinken van ver, steeds verder; de zon staat pal boven hem. Op een verborgen bosweide ziet hij de grote Pan slapen; alle dingen van de natuur zijn mét hem ingeslapen, een uitdrukking van eeuwigheid op het gezicht – zo komt het hem voor. Hij wil niets, hij is voor niets bezorgd, zijn hart staat stil, slechts zijn oog leeft, – het is een dood met wakkere ogen.’ Waar de grote stilte heerst, deinst elke wil terug. Het ik sterft. Niet eens de eigen hartslag verstoort de goddelijke stilte. Die wakkere ogen zijn volkomen leeg. Ze zijn, zou Simone Weil zeggen, volledig door het zwijgen van God in beslag genomen.
Dit is een bewerkte versie van het hoofdstuk ‘Stilte’ uit Spreken over God van Byung-Chul Han, dat op 8 januari 2026 verschijnt bij uitgeverij Ten Have.
Spreken over God. Een dialoog met Simone Weil
Byung-Chul Han
Ten Have
128 blz.
€ 14,99

