Home Mens en techniek Bernard Stiegler: ‘Techniek is een gif en een medicijn’
Mens en techniek

Bernard Stiegler: ‘Techniek is een gif en een medicijn’

‘Techniek is noodzakelijk om een individu te worden’, vindt de Franse filosoof Bernard Stiegler. Tegelijkertijd kunnen moderne technologieën als Facebook ons onze menselijkheid ontnemen. Hoe kan techniek worden ingezet voor ‘de emancipatie van de mens’?

Door Ivana Ivkovic op 23 september 2013

Bernard Stiegler: ‘Techniek is een gif en een medicijn’
Cover van 10-2013
10-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Technologieën zoals Facebook reduceren mensen tot insecten, tot mieren’. Aldus de Franse filosoof Bernard Stiegler. Een stevige stelling voor een filosoof die juist in sociale media een kans ziet om een meer eerlijke manier van samenwerken tussen mensen te bereiken. Een waarbij niet de producent alle macht heeft, en de consument maar moet afwachten. Maar dat betekent niet dat hij de ogen sluit voor het gevaar.

Stiegler: ‘Want hoe functioneert een mierennest? De individuele mieren gedragen zich niet bewust, maar worden gestuurd door chemische signalen. Deze signalen brengen een bepaald gedrag voort, zoals “larven verzorgen”, maar daar hoort geen echte kennis bij. Precies hetzelfde gebeurt met Facebook vandaag. Facebook is een systeem van feromonen, van ‘likes’. Mensen geven likes zonder erover na te denken, zoals een mier reageert op chemische signalen. Het werkt weliswaar numeriek, in plaats van chemisch, maar toch.’ Als hoofd van het ‘Instituut voor Onderzoek en Innovatie’ verbonden aan het Franse Centre Pompidou, houdt Stiegler zich niet alleen op een academische manier bezig met techniekfilosofie, maar ijvert ook actief om dit gevaar af te wenden en technieken te ontwikkelen die wel bijdragen tot onze kennis.

Techniek is in de ogen van Stiegler zeer ambigu. Die staat in het teken van menselijke emancipatie – maar kan ook omslaan in monopolisering van kennis. Technologie is dan geen hulpmiddel meer, maar gaat menselijk gedrag steeds meer standaardiseren en aansturen. De ‘slimme’ technologie kan zo leiden tot meer domheid bij de gebruiker, en Stiegler spreekt zelfs van een ‘systemische domheid’: ‘Ten tijde van de industrialisering hebben arbeiders ook heel veel kennis verloren aan de machines en anonieme productieprocessen. Marx noemt dat proletarisering. Wat vandaag gebeurt, is niet fundamenteel anders. Alleen zit nu de kennis niet in de machines, maar in de informatieverwerkingssystemen. En het fijne van die processen ontgaat ons vervolgens. Dat is ook gebeurd in de financiële sector, waar de handel in aandelen en opties wordt gedaan  door zeer complexe computerprogramma’s, die eigenlijk niemand meer helemaal begrijpt. Kortom, het systeem zelf bezit de kennis, en de mens wordt meer en meer onwetend. Dat leidt tot een enorm gevoel van onmacht’.

Prehistorie

Toch is Stiegler zeker geen techniekpessimist. Techniek kan ook ten goede worden aangewend, en bovendien zijn we er als mensen zo ermee verweven dat we het niet zonder techniek kunnen stellen. Voor Stiegler is het menselijke leven per definitie een technisch leven, en hij zoekt de oorsprong van onze technische aard al in de prehistorie. Stiegler: ‘Ik ben sterk geïnspireerd door het werk van André Leroi-Gourhan, prehistoricus en etnoloog. Die zegt dat er niet eerst de mens is en dan pas techniek, maar dat pas met het maken van dingen de mens,  zoals we die kennen, “verschijnt”. Denk aan technieken zoals vuur maken of steenbijlen hakken. En met het verschijnen van het door technologie gedragen leven ontstaat ook een nieuw type geheugen. We hadden al het genetische geheugen, dat van de eigenschappen van de soort, voortgedragen door voortplanting.  En er is het neurologische geheugen van een individu. Maar er is ook technologisch geheugen, en dat kan ieder gemaakt object zijn. Dit glas met water, deze pen. Een steenbijl. Zij zijn weliswaar niet gemaakt om herinneringen te bewaren, maar ze doen het wel: denk bijvoorbeeld aan voorwerpen die wij als een aandenken bewaren. Dat kan alleen omdat ze al een soort geheugen zijn, zij doen denken aan de maker, of de vorige eigenaar of een gebeurtenis.’

‘Maar dan gebeurt er zo’n 35 duizend jaar geleden iets spectaculairs. Mensen beginnen grotschilderingen te maken. Een geheel nieuwe fase: mensen zijn mentale inhouden aan het externaliseren, zij maken er een geheugenbank van. George Bataille zei daarover: hier, in de grotten van Lascaux, treffen we onszelf aan; wij zien onze menselijkheid. Daar begint het proces dat ik in navolging van Jacques Derrida ‘grammatisering’ noem. Grammatisering is een proces waarin de werkelijkheid zichzelf reproduceert in een eindige verzameling van vormen. Dat kunnen ook beelden zijn van dieren, voorlopers van pictogrammen. Er wordt een verhaal verteld met beelden. Ongeveer een jaar geleden publiceerde een Franse archeoloog, Marc Azéma, een boek over de oorsprong van filmkunst. Hij beweert dat cinema niet begint in de negentiende eeuw, maar in die grotten. Hij beschrijft hoe sommige grottekeningen de beweging van dieren ontleden in vele snapshots. Zo zijn er tekeningen van paarden met heel veel benen, telkens een stukje verschoven. Dat is filmkunst: de beweging ontleden in aparte plaatjes. En dat is ook nieuwe manier om naar de wereld te kijken. Grammatisering brengt iets nieuws voort, een heel nieuwe stadium van het menselijk leven.’

Hiërogliefen

Het schrift is een belangrijke vorm van grammatisering – met een enorme invloed op samenlevingsvormen. Zo was het volgens Stiegler voor het ontstaan van de Griekse stadstaat  – waarin ook de oorsprong van democratie ligt – van fundamenteel belang dat het schrift bestond uit slechts 24 letters. In plaats van bijvoorbeeld het ingewikkelde systeem van Egyptische hiërogliefen.  Stiegler: ‘Zo’n schrift is makkelijk te leren en te hanteren. En dat betekent dat veel burgers kunnen lezen en schrijven. Dat leidt tot een heel andere maatschappijvorm dan in de oude China, of Egypte bijvoorbeeld, waar het schrift voorbehouden is aan de elite. In plaats van een taal die het bezit is van de kerk en een heel hiërarchische maatschappij, ontstaat in Griekenland iets nieuws, iets revolutionairs. Als alle burgers kunnen lezen en schrijven, kunnen ze ook zelf de wet interpreteren. Dat leidt vanzelf tot verschillende interpretaties, tot onenigheid, tot verandering van de wet. De Griekse stadstaat is een opstand tegen de toe-eigening van de cultuur en het schrift door de elite.’

Hoezeer de antieke polis voor ons model staat voor een open, democratische samenleving – zelfs Athene werd geplaagd door diegenen die techniek misbruikten voor machtspelletjes: de sofisten. Hun ‘techniek’ bestaat louter uit taal, zij gebruiken retorische middelen om de tegenstander in een discussie klem te zetten. ‘Plato waarschuwt al voor de sofisten. Wat hij in zijn beroemde dialoog Phaedrus daarover zegt, lijkt veel op wat mensen vandaag zeggen over internet. Plato zegt dat redekunst een gif is geworden. De sofisten bedienen zich van retorische middelen om de geesten te bederven, om mensen te manipuleren. Zij hebben geen kennis en brengen geen kennis voort, het is allemaal namaak. Voor Socrates is kennis iets dat mij innerlijk verandert wanneer ik die mij eigen maak. Maar de sofisten brengen een techniek van overtuiging voort die absoluut niets in mij verandert. Het gaat louter om reproductie, zonder kennis. Het is slechts een machtsinstrument.’

Alle geestelijke technologieën kunnen in twee richtingen worden omgebogen: ‘Grammatisering houdt altijd een belofte van emancipatie in, maar ook een risico. Hetzelfde proces kan de machtsverhoudingen verstevigen en de elite dienen, of het kan de bestaande verhoudingen juist openbreken. In het Grieks bestaat er een mooi woord voor, dat zowel “gif” als “medicijn” betekent: farmakon.’

Google

Volgens Stiegler maken we nu een enorme omslag mee in onze relatie tot technologie. ‘Wij beleven een revolutie. Het geheugen is de belangrijkste industriële sector geworden. Neem bijvoorbeeld Google, met z’n enorme cache-databanken, waar alles wordt bewaard. De totale waarde: 15 miljard dollar. Dat is aanzienlijk. En Google heeft door zijn geheugenwerking, en door de monopolisering van het geheugen een enorme impact op onze cultuur. Zo zijn bijvoorbeeld bijna alle talen aangepast aan Google, en de dialecten die dat niet zijn, zullen snel verdwijnen. Ik wil niet overkomen als een tegenstander van Google. Wij moeten niet vechten tegen internet, maar voorkomen dat deze technologie tot regressie leidt. Ik denk dat met het numerieke iets ongelofelijk nieuws gebeurt. Het houdt een belofte in, maar het is ook extreem gevaarlijk. De belofte is ook een plaag: en dan zijn we terug bij de dubbele natuur van het farmakon, gif en geneesmiddel tegelijk. Wij moeten zowel de belofte als de plaag goed begrijpen. De belofte is dat er een ongekend model van participatie en samenwerking  is ontwikkeld. Internet als een economisch model heeft niet langer een netjes gescheiden producent en consument. Het is gebaseerd op bijdragen van allen. Dat is interessant, want het produceert nieuwe vormen van kennis. Wikipedia is een overbekend voorbeeld, maar er zijn ook andere initiatieven. De plaag is de tendens om het geheugen te monopoliseren en te totaliseren. Alle surfgedrag, alle voorkeuren en clicks worden bijgehouden, met het streven om het menselijk gedrag helemaal transparant te maken, en te gebruiken voor commerciële doeleinden. Facebook is bijvoorbeeld daarom voor mij wél de vijand: alle gegevens die erop staan, zelfs alle schijnbaar onschuldige kiekjes zijn terug te vinden en te herleiden tot persoonlijke voorkeuren die mogelijk interessant zijn voor marketeers.’

Breken met techniek als controlerende macht en haar in dienst stellen van de emancipatie van het individu – dat is het centrale idee van Stiegler. Hij baseert dat uitgangspunt op het werk van de Franse techniekfilosoof Gilbert Simondon: ‘Simondon benadrukt dat elk mens als individu absoluut uniek is. Maar hij kan pas een individu worden in een samenleving. De Grieken hebben dat goed begrepen; de polis was juist een ruimte waar je je als burger kon ontplooien en waar je ook de ruimte kreeg om als individu de samenlevingsvorm van het collectief te beïnvloeden. En ik zou daar nog aan willen toevoegen: techniek is noodzakelijk om een individu te worden. Techniek biedt de mogelijkheid om ons uit te drukken – in schrift, beelden of verhalen. Het is een collectief verhaal, voor iedereen toegankelijk, en toch kan elk individu ertoe bijdragen. Door dat te delen wordt het geheugen verder getransformeerd. Maar in sommige samenlevingsvormen is de ruimte die het individu heeft om de collectieve vormen te veranderen uiterst beperkt. Bij de Grieken was dat gelukkig anders. De vraag is waar we nu staan.’

Stieglers strategie van verandering is juist om datgene wat als bedreigend wordt gezien, tot een nieuw wapen om te smeden. ‘Intellectuelen zouden zich samen met de jongeren van nu meer moeten inzetten om de nieuwe vormen van kennis gebaseerd op numerieke en digitale technieken te ontwikkelen. Kennis die ten goede komt aan de samenleving, die de publieke sfeer revitaliseert. Internet is er al, en nu moeten we een mondiale intellectuele macht ontwikkelen. Universiteiten zouden ook een actievere rol moeten spelen, die houden zich te afzijdig van nieuwe technologie en de mogelijkheden die ze opent. Zij zijn ook economische machines geworden. En dat terwijl universiteiten sinds ze intellectuele autonomie hebben verworven in de twaalfde eeuw, de motor waren van de grootsheid en de macht van Europa. Wij zouden een planetaire universiteit moeten oprichten, die over alle grenzen heen reikt. Ik hoop op een nieuw tijdperk van de geest.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.