Home Politiek ‘Anti-nihilisme is het tegengif dat we nodig hebben’
Politiek

‘Anti-nihilisme is het tegengif dat we nodig hebben’

De filosofische tweelingbroers Arthur en Jarmo Berkhout roepen op tot verzet tegen de heersende cultuur. 'We zijn consumenten in plaats van vrije burgers.'

Door Marc van Dijk op 23 september 2022

‘Anti-nihilisme is het tegengif dat we nodig hebben’ Beeld Amke
filosofie magazine 10-2022
10-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Het activisme van de tweelingbroers Arthur en Jarmo Berkhout begon toen ze als filosofiestudenten betrokken raakten bij de Maagdenhuisbezetting. Nee, niet die bekende van 1969, maar die van 2015. Het bestuurscentrum van de Universiteit van Amsterdam werd sinds eind jaren zestig meerdere keren bezet door studenten, meestal vanuit een roep om meer democratie en vrijheid binnen de universiteit.

Maar die ene keer in 2015 was anders dan anders, schrijven de broers in hun eerste boek Anti-nihilisme. Engagement in de 21ste eeuw. Er was bijval van bekende filosofen, zoals Judith Butler, Noam Chomsky, Nancy Fraser en Slavoj Žižek. Maar er was ook steun uit onverwachte hoek, zoals van schoonmakers en uit bredere lagen van de vakbeweging.

Bovendien was er een zekere hoop op nieuwe samenlevings- en bestuursvormen. ‘Een bezetting als deze kan dienen als drukmiddel, en dat deed ze ook,’ schrijven de broers. ‘Maar los daarvan werd er ook geëxperimenteerd met prefigurative politics: het onmiddellijk in praktijk brengen van de idealen die je onderschrijft, oftewel leven alsof de vrijheid en de maatschappelijke verandering die je nastreeft al bestaan.’

Crash

Zeven jaar later is er niet veel veranderd aan de universiteit, en in de samenleving evenmin. Arthur en Jarmo Berkhout (1992) beamen dat volmondig. ‘Integendeel, het is alleen maar erger geworden,’ zegt Arthur. ‘Niet alleen voor studenten, die steeds meer betalen voor een steeds verder uitgeklede studie en zich diep in de schulden steken om torenhoge woonlasten te kunnen ophoesten. In het algemeen is, zoals iedereen ervaart, op de crash van het neoliberalisme een nauwelijks te behappen reeks aan crises gevolgd – van woningmarkt tot onderwijs, stikstof en klimaat. Maar let op: dat betekent niet dat het protest mislukt is. De machthebbers hebben gefaald, meer dan de protestbeweging.’

Gecrasht en gefaald in welke zin? Nederland heeft nu al meer dan tien jaar min of meer hetzelfde soort bestuur, met dezelfde premier.
Jarmo: ‘Dat het neoliberalisme gecrasht is blijkt uit de opstapeling van crises, die begon bij de kredietcrisis van 2008. Het antwoord daarop is geen systeemverandering geweest, maar een bestendiging van het systeem. Maar dat betekent niet dat we hier maar in moeten berusten, dat we omdat neoliberalen nog steeds aan de macht zijn hun onuitgesproken visie maar moeten accepteren als een onveranderbaar gegeven. En maar voetstoots moeten aannemen dat het zelfs geen zin heeft om na te denken over de vraag hoe het anders kan. Het is de truc van elke ideologie om zichzelf te presenteren als natuurlijk gegeven.’

Arthur: ‘Het feit dat bepaalde partijen en politici erin slagen om ten koste van de vereiste verandering hun macht te behouden, betekent niet dat ze gelijk hebben. Het bewijst alleen maar dat de bewaking van de bestaande orde meer prioriteit krijgt dan de bevordering van het leven. Het hoort bij wat wij noemen “het nihilisme van de macht” om krachten te mobiliseren tegen verandering, ook tegen het soort verandering dat noodzakelijk blijkt.’

Grote woorden

Neoliberalisme, fascisme, nihilisme en anti-nihilisme – deze en andere grote woorden vallen in het boek en tijdens het interview veelvuldig. Maar de broers Berkhout putten zich niet uit in de precieze definiëring van dit soort begrippen. ‘Dat is een bewuste keuze,’ zegt Arthur. ‘We wilden een toegankelijk boek schrijven en niet de zoveelste filosofische verhandeling over de betekenis van het nihilisme.’

Laten we toch een poging tot definitie doen. Jullie hoofdvraag luidt: is het mogelijk om niet neoliberaal te leven? Wat is in jullie ogen neoliberalisme?
Jarmo: ‘Met het neoliberalisme doelen we op een fase in het kapitalisme. Dit is de laatste versie van de kapitalistische industrialisering en modernisering. Afwijkend van eerdere fases is dat de staat binnen het neoliberalisme niet meer dient om collectieve belangen te behartigen en problemen op te lossen, of om de gemeenschap bij elkaar te houden en te beschermen tegen de kracht van de markt. In plaats daarvan wordt de staat gebruikt om het vrijemarktprincipe dominant te maken in zo veel mogelijk domeinen van zowel de maatschappij als het persoonlijk leven. En dat bovendien op wereldschaal.’

‘Nihilisme van nu is: onschuldig willen zijn en niet willen veranderen’

Wanneer begon dit?
Jarmo: ‘Het recente boek Neoliberalisme van Bram Mellink en Merijn Oudenampsen laat zien dat dit veel eerder begon dan doorgaans wordt aangenomen, ook in Nederland. De intellectuele wortels ervan liggen zelfs in de jaren dertig. En het eerste neoliberale beleid begon hier in de jaren vijftig, terwijl het meestal ergens in de jaren tachtig wordt geplaatst – de tijd van Reagan en Thatcher. In ons boek focussen we op de periode na de val van de Berlijnse Muur, waarin deze vorm van kapitalisme pas echt mondiaal dominant werd. Wij concentreren ons als filosofen bovendien op de vraag hoe dat neoliberalisme zich uit in onze subjectiviteit, ofwel: wat voor mensen maakt het van ons?’

En, wat voor mensen worden we?
‘Consumenten en producenten in plaats van vrije burgers. Het neoliberalisme is een mondiaal systeem dat mensen hun vermogen tot zelfbeschikking ontneemt. Het integreert mensen diepgaand in het marktmechanisme, waardoor ze zelf niet eens meer beseffen dat ze zich tot in hun intiemste levenssfeer hebben overgeleverd aan een ideologisch systeem. Als iemand zorg nodig heeft, dan wordt er gecalculeerd en ingekocht. Het is de bedrijfsmatige blik op elk aspect van het leven.’

Arthur: ‘Daarom is Karl Marx voor ons een van de belangrijkste filosofen. Wat Marx bedoelt met vervreemding en uitbuiting is dat de productieve vermogens die wij hebben als mensen – onze creatieve, intellectuele en lichamelijke vermogens – worden geabsorbeerd door het kapitaal. Dus niet alleen onze arbeid, maar alles wat ons menselijk maakt wordt ingezet om geld te verdienen – geld dat doorgaans niet voor onszelf is.’

Valt daar iets tegen te doen?
Arthur: ‘Voor Marx moet politiek gaan om de transformatie van de sociale verhoudingen, die ervoor zorgt dat de vruchten van onze arbeid niet van ons worden afgenomen. Het doel van revolutionaire politiek is zelf te beschikken over onze arbeid, wat in brede zin betekent: over alles wat ons mens maakt, over het mens-zijn zelf. Het mens-zijn is leeg; we hebben geen essentie, dus alles is mogelijk. Alleen worden we ingeperkt door de bestaande sociale structuren, die onze vermogens aftappen voor het op zichzelf zinloze doel van kapitaalvermeerdering. Marx geloofde dat het de taak van de politiek is om een andere, minder vervreemdende leefwijze te ontwikkelen. Dat is nu een opdracht voor ons allemaal.’

Toeschouwerschap

Aan die opdracht wordt al ruim gehoor gegeven, stellen de broers Berkhout. ‘Het lijkt ondertussen moeilijk te bevatten,’ schrijven ze, ‘maar de jaren tien stonden in het teken van een waarachtige opstand tegen de kapitalistische wereldorde. Op verschillende manieren probeerden mensen de beschikking over hun eigen levens terug te claimen tegenover machthebbers en obscure economische imperatieven. Het was een moment vol potentie, vol van de mogelijkheid tot verandering, en ook vol van vermoedens waar het heen zou gaan als deze revolte niet zou slagen.’

Een decennium ‘in het teken van een waarachtige opstand’ – is dat een observatie of een wens?
Jarmo: ‘Het is een door feiten ondersteunde stelling. Als we zouden zeggen dat de jaren zestig van de vorige eeuw in het teken stonden van maatschappelijk protest, zou niemand daarvan opkijken. Maar in de jaren tien was er wereldwijd nog meer protestactiviteit dan in de jaren zestig. Het waren de jaren van de Occupy-beweging in 800 steden wereldwijd, Syriza in Griekenland, de Indignados in Spanje, het Catalaanse onafhankelijkheidsreferendum, Nuit Debout in Frankrijk, de Gezi-Park-protesten in Istanbul, de Majdan-revolutie in Oekraïne, de protesten tegen Poetin in Rusland, het zeldzame succes van de Chileense revolutie en de tragische Arabische Lente. Dus de opstand is meer dan een kwestie van beleving.’

Deze protesten zijn wel voorbij. Wat zouden gelijkgestemden nu kunnen doen?
Jarmo: ‘Wij hebben ons boek niet geschreven om te zeggen wat mensen moeten doen. We willen met de filosofie de verbeelding weer inschakelen voor een alternatief op grotere politieke schaal dan we gewend zijn. Als we ergens toe oproepen, dan is het om het idee weer toe te laten dat een politieke transformatie van de maatschappij waarin we leven mogelijk is, een soort herpolitisering. Dat is collectief werk. Maar ook op individueel niveau is het belangrijk om te leren andere dingen te willen. We zijn niet zo onafhankelijk als we willen zijn.’

Arthur zei net dat wij als mensen helemaal oningevuld zijn, dat we eigenlijk alle kanten op kunnen.
Jarmo: ‘Verandering blijft altijd een latente mogelijkheid, maar het is niet iets dat zonder slag of stoot kan gebeuren. Het is een kwestie van je ontworstelen aan diepgewortelde structuren. We moeten daartoe de moed zien op te brengen. Zo moeten we bijvoorbeeld ons eigen toeschouwerschap opgeven: het idee dat we kunnen volstaan met een passieve, kijkende houding ten aanzien van de wereldproblematiek.’

Eigentijdse fascisten

Tegelijkertijd pleiten de broers juist voor een aanscherping van ons toeschouwerschap: er is in hun ogen veel wat we ten onrechte niet willen zien. Zoals het feit dat een handvol miljardairs evenveel bezit als de armste helft van de wereldbevolking. En een rigide grensbeleid, vluchtelingenkampen en extreme armoede. ‘Is er sprake van collectieve cognitieve dissonantie in Europa,’ vragen ze zich af. ‘Is het bestaan van het kamp zo choquerend dat we niet kunnen accepteren dat het weer terug is, als het spook van een verleden dat men plechtig had beloofd niet te laten terugkeren? Moeten we anders niet toegeven dat wij de fascisten van onze eigen tijd zijn?’

Jarmo: ‘We negeren die feiten doorgaans, omdat we die niet kunnen verenigen met ons collectieve zelfbeeld. Als je uitgangspunt is dat de liberale democratie iedereen vooruithelpt en individuele vrijheid biedt, dan ben je eigenlijk ideologisch gedwongen om dat beeld in stand te houden. Voor de huidige politieke consensus is het belangrijk dat daar niet fundamenteel aan getornd wordt. Maar we moeten daar wél aan tornen. Mensen willen onschuldig zijn, en tegelijkertijd willen ze niet veranderen. Dát is het nihilisme van nu: een onbewuste vlucht uit de realiteit.’

En wat is het anti-nihilisme?
Arthur: ‘Dat is het tegengif dat we nodig hebben. Het begint bij bewustwording. Voor ons begon die bij de Maagdenhuisbezetting, maar het kan op allerlei momenten en manieren. David Graeber – antropoloog, anarchist en inspirator van Occupy – kwam destijds op bezoek in Amsterdam en zei: “Op het moment dat je betrokken raakt bij dergelijke gebeurtenissen verandert je horizon van mogelijkheden volledig.” Ook als de veranderingen niet meteen tot stand komen vergaat het protest niet. Voor activisten betekent dit je aan de beoogde veranderingen verbinden, en het bijbehorende protest steeds opnieuw tot leven wekken. Waar wij in geloven, net als cultuurfilosoof Walter Benjamin, is dat de overwinning van de machthebbers altijd tijdelijk is. En de mislukking van de opstand nooit definitief.’

Anti-nihilisme. Engagement in de 21ste eeuw
Arthur en Jarmo Berkhout
Uitgeverij Pluim
210 blz.
€ 23,99