Home Politiek Filosoof Marli Huijer: ‘We zijn het verschil tussen opponent en vijand uit het oog verloren’
Politiek

Filosoof Marli Huijer: ‘We zijn het verschil tussen opponent en vijand uit het oog verloren’

Door Marnix Verplancke op 17 september 2026

filosoof Marli Huijer auteur van boek over vijanddenken vijand op haar balkon in Amsterdam
beeld Merlijn Doomernik
Filosofie Magazine Waarom willen we iemand zijn Miriam Rasch
09-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine

Mensen zien elkaar als onderdeel van een groep, en niet als individuen, ziet Marli Huijer. En dat heeft gevaarlijke consequenties.

‘Ik heb tien jaar op De Haagse Hogeschool gewerkt,’ vertelt filosoof Marli Huijer (1955), ‘een van de meest cultureel diverse hogescholen van Nederland. Je komt er veel islamitische studenten tegen, in alle soorten en maten, van jonge meiden die in het weekend stiekem naar Barcelona vliegen om schoenen te kopen en op maandag weer keurig in een hijab op school zitten tot strenggelovige jonge vrouwen die in eigen kring leven. En van heel open jongens tot vrij radicale. In de klas praat je met iedereen over alles. Ik heb het in mijn lessen met gelovigen en ongelovigen over Nietzsches uitspraak “God is dood” gehad en dan bleek dat je daarover prima in gesprek kunt. Een islamitische student: “Ik kan me niet voorstellen dat je een deugdelijk leven kunt leiden zonder God.” Een seculiere student antwoordde: “Ik kan me niet voorstellen dat je daarvoor God nodig hebt.” Ik vond die gesprekken fascinerend en heb er veel van geleerd, ook over het feit dat contact soms tot conflict kan leiden. Maar ik merkte dat wanneer je als docent de grens van het acceptabele bewaakt en zorgt voor voldoende veiligheid in een klas, je ver met elkaar kunt gaan. Die lessen zijn ook lessen voor mezelf geweest.’

Lees dit artikel verder

Voor € 6,99 per maand lees én beluister je dit artikel en alle andere online artikelen van Filosofie Magazine.

Word abonnee Al abonnee? Inloggen

Huijer, oud-Denker der Nederlanden en emeritus hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, leerde tijdens die lessen dat je mensen altijd als veelzijdige personen moet behandelen en niet als leden van een groep. De studenten zijn niet alleen moslims, maar mensen met dromen, verlangens en vooral veel goede wil om iets van hun leven te maken. Toch worden zij door de huidige politiek soms wel teruggebracht tot hun geloof, net zoals er groepen mensen worden weggezet als illegalen of vluchtelingen. Dat mensen de veelzijdigheid van anderen steeds makkelijker ontkennen, heeft te maken met de tijd waarin we leven, schrijft Huijer in haar nieuwe boek In alle verscheidenheid. Remedie tegen vijanddenken.

Politiek filosoof Hannah Arendt (1906-1975) analyseerde hoe in de jaren dertig van de vorige eeuw een bijzonder kwalijk vijanddenken ontstond, dat volgens haar het resultaat was van een aantal fenomenen die elkaar versterkten. Arendt wees op haperend vluchtelingenbeleid, tekortschietende bescherming van minderheden, economische crises, doorslaande individualisering en het electorale succes van antisemitische politieke partijen. ‘In de jaren dertig klikten deze elementen in elkaar,’ zegt Huijer. ‘Die gevaarlijke mix leidde ertoe dat Joodse mensen als minderwaardig gezien werden en het mikpunt werden van spot, stereotypering en kwaadaardige verhalen, wat uiteindelijk leidde tot geweld, uitsluiting en vernietiging. Ik vrees dat we vandaag in hetzelfde sukkelstraatje beland zijn. Ik hoor van mensen met een moslim-achtergrond dat ze angstig zijn. En niet alleen van hen. Ik hoorde laatst ook van een vriend met een Aziatische achtergrond dat hij banger wordt, vanwege de constante negativiteit over migranten, buitenlanders en moslims.’

Zijn we even ongegeneerd in ons vijanddenken als in de jaren dertig?
‘Na de Tweede Wereldoorlog was de sociale norm ongelooflijk sterk: dit mag nooit meer gebeuren en dus stem je niet op extreemrechts. Dat is vandaag bijna omgekeerd. Radicaal- en extreemrechtse geluiden, bewegingen en politici zijn normaal geworden. De politiek maakt het extreemrechtse bewegingen bovendien makkelijk om een vijandbeeld te creëren door de opvang van vluchtelingen belabberd te organiseren. Die opvang is een klein probleem om op te lossen, met relatief weinig mensen die opvang nodig hebben. Maar de overheid faalt en extreemrechts spint er garen bij.’

De aanslag op de Pride in Berlijn op 25 juli 2026 werd door sommige media onmiddellijk binnen het kader van islamistisch terrorisme geplaatst. Ziet u daarin ook een voorbeeld van vijanddenken?
‘Bij een terreuraanslag is de eerste reactie om de daders in een denkkader van tegenstellingen te plaatsen. Zij zijn de vijanden en wij de seculiere of joods-christelijke cultuur die daartegenover staat. Toen een paar dagen na de aanslag honderden mensen samenkwamen bij het Homomonument in Amsterdam, zeiden velen van hen dat ze de dader niet in een hokje wilden plaatsen, omdat dit een kwalijke praktijk is. Ik vond dat heel verstandig, want als één groep gecategoriseerd, gediscrimineerd en uitgesloten wordt, gebeurt dat ook met andere groepen. Daarom was de uitspraak van Arnon Grunberg op de Dodenherdenking van 2020 zo belangrijk: “Als we het over Marokkanen hebben, hebben we het over mij.” Als nu de Marokkanen het onderwerp zijn van politiek denken en handelen, zouden het daarna weleens de Joden kunnen zijn. We moeten ons ervan bewust zijn dat vijanddenken elke keer een nieuwe groep uitzoekt en tot excessief geweld kan leiden.’

Hoe belangrijk is onwetendheid in dit verhaal? Laten we ons makkelijk meeslepen in de vijandretoriek omdat we de ander niet goed genoeg kennen?
‘Een aantal jaar geleden voerde het Amerikaanse onderzoeksinstituut Pew Research een internationaal onderzoek uit naar de houding jegens moslims in verschillende landen. Daaruit bleek dat Oost-Europese landen het meest anti-moslim zijn, terwijl het aantal moslims daar in veel gevallen gering is. Dat bevestigde de “contacthypothese” van de Amerikaanse psycholoog Gordon Allport, die The nature of prejudice schreef. Hij stelt dat of verschillende groepen goed met elkaar overweg kunnen, sterk afhangt van de mate van contact tussen hen. Dat is uiteindelijk van grotere invloed dan hun kennis over elkaar. Kennis over de islam maakt je niet per definitie opener of welwillender ten opzichte van de islam, terwijl direct contact dat wel doet. Op mijn tiende kwam ik in een nieuwe buurt in het katholieke zuiden te wonen. Mijn moeder, die opgroeide in de protestantse Biblebelt, was doodsbang voor de katholieken. Ik kon maar beter niet met de buurmeisjes spelen, meende ze, tot ze niet veel later bij de katholieke buurvrouw op de thee zat en moest constateren dat die mensen hetzelfde waren als wij.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Taal lijkt hier ook een rol te spelen. Het woord “illegalen” maakt van iedereen die op eigen houtje een land binnenkomt een misdadiger. Tegelijkertijd is het een woord dat de rol van grenzen en nationale staten erg belangrijk maakt.
‘Klopt, Michel Foucault heeft het in dat verband over het woord “bevolking”. Dat begrip veronderstelt dat ieder land een soort gezamenlijk lichaam heeft, bestaand uit mensen, dat bestuurd moet worden. Individuele mensen lijken er niet toe te doen. En een bevolking vormt bovendien ook geen gemeenschap. Natiestaten moeten van alles uit de kast halen om van een bevolking toch een gemeenschap te maken, bijvoorbeeld nationale feestdagen en vlaggen – en uiteindelijk ook bewaakte grenzen.

In mijn boek pleit ik ervoor de rol van de natiestaat langzaam af te bouwen. Je kunt de bevoegdheden van Nederland bijvoorbeeld verdelen tussen Europa en de steden. Europa legt dan de grondrechten vast: elke burger heeft recht op gelijkheid, vrijheid en solidariteit. De Europese Commissie zou bestaan uit vertegenwoordigers van gemeenten, die samen zeggenschap hebben over hoe ze de vluchtelingen volgens het Vluchtelingenverdrag op een goede manier kunnen opvangen. Dat is een heel ander model dan het huidige, waarbij de Nederlandse staat de afgelopen decennia veel taken juist naar zich toe heeft getrokken. Maar wat doet de staat nu echt? In het geval van de woningnood komt de nationale overheid bijvoorbeeld met plannen, maar die moeten worden uitgevoerd door de steden. Als ik zie wat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten via praktische samenwerking gedaan krijgt, heb ik daar minstens zoveel vertrouwen in als in de overheid.’

U pleit in feite voor ‘subsidiariteit’: wat je op een lager niveau kunt doen, moet je niet naar een hoger niveau tillen.
‘Inderdaad, laat ons vooral beginnen op het niveau van wat mensen bindt. Maar wel binnen het Europese en internationaal rechtsbestel. Aristoteles dacht dat gemeenschappen op natuurlijke wijze ontstonden. Je begint met een man en een vrouw die een huishouden vormen en van daaruit krijg je een dorp en een polis of stad. Dat is volgens mij een illusie. Gemeenschappen worden gevormd door mensen die willen samenleven en je kunt de vorming ervan dus stimuleren of juist tegenwerken. Ik denk dat de lokale gemeenschap voor de meeste mensen het meest bepalend is voor hun gevoel van verbinding. Wat ik mooi vind aan het werk van Arendt, is dat zij laat zien wat de voorwaarden zijn voor verbondenheid. Allereerst moeten er publieke ruimtes bestaan waar je elkaar kunt ontmoeten, zoals een plein of een bibliotheek. Daarnaast hebben we initiatieven nodig die mensen bij elkaar brengen. Als ik iets in de buurt doe, bijvoorbeeld groen planten of een verhalenavond organiseren, verbind ik me met anderen. Je creëert een gemeenschap door samen in actie te komen.’

U ziet dus meer heil in het kleine initiatief, terwijl veel mensen juist oplossingen verwachten van hogeraf.
‘Ik verwacht eerlijk gezegd meer van mensen die zich persoonlijk inzetten voor de opvang van vluchtelingen dan van mensen die prachtige ethische verhalen vertellen of zeggen dat we de strijd moeten aangaan tegen radicaal-rechts. Wil je het vijanddenken tegengaan, dan is het belangrijk om de sociale humuslaag te voeden die een hechte gemeenschap laat ontstaan. En het is belangrijk om in te zien dat hoe meer perspectieven je op de werkelijkheid hebt, hoe rijker en beter je beeld ervan wordt. Een tegengestelde mening is voor mij nooit een reden om iemand als mijn vijand te beschouwen. In de filosofie ga je ervan uit dat iedereen een opponent is – iemand met wie je het op een goedmoedige manier oneens kunt zijn. Je gaat een discussie met iemand aan en daarna drink je samen een biertje of een kopje thee. Ik merk dat we vandaag de dag het verschil tussen een vijand en een opponent uit het oog hebben verloren. Dat is jammer, want in een goed functionerende samenleving kun je met iedereen in gesprek zonder dat de ander je vijand wordt.’

Op 30 september 2026 gaat Marli Huijer in gesprek over onze verhouding tot ‘de ander’ bij Filosofie voor het Leven in de Tolhuistuin in Amsterdam.

In alle verscheidenheid. Remedie tegen vijanddenken
Marli Huijer
Pluim
160 blz.
€ 22,99

Loginmenu afsluiten