Toen de Duitse dichter Goethe voor het eerst Herder ontmoette, was dat geen onverdeeld genoegen. Hij liep hem in 1771 toevallig tegen het lijf in een herberg in Straatsburg. Goethe beschrijft later hoe hij de man in de zwarte jas onmiddellijk herkende als de beroemde Herder, met het gepoederde haar opgestoken in een krul en ‘onder de zwarte wenkbrauwen een paar koolzwarte ogen die hun uitwerking niet misten, hoewel er één steeds rood en ontstoken was’. Herder was naar Straatsburg gereisd voor een behandeling aan zijn ontstoken traanklieren. Dat had, vermoedde Goethe, dan weer te maken met een vrouw die Herder eerder dat jaar had ontmoet. Door de behandeling hoopte Herder zich vrijer en vrolijker te voelen en zo prettiger gezelschap voor haar te zijn – om haar zo voor zich te winnen.
In Straatsburg was Herder niet altijd zulk fijn gezelschap. Goethe, die al gauw veel met hem optrok, schrijft dat Herder soms ‘allervriendelijkst en hartelijk’ kon zijn, maar ook humeurig. ‘Bij Herder kon men nooit op enig begrip rekenen, hoe men zich ook uitsloofde.’ Toch maakt Herder met zijn brede belezenheid grote indruk op Goethe. Herder laat hem in Straatsbrug een taalfilosofisch essay lezen dat hij bijna af heeft en dat het jaar erop een prijsvraag zal winnen: Abhandlung über die Ursprung der Sprache (Verhandeling over de oorsprong van de taal, 1772).
In dit essay bekritiseert Herder het in zijn tijd populaire idee dat taal een goddelijke oorsprong heeft. Hij meent dat de mens taal niet gekregen heeft van God, maar zelf heeft ontwikkeld. Van zichzelf is de mens zwak en behoeftig. Dieren hebben zintuigen en vermogens gekregen die zijn toegespitst op wat ze nodig hebben; zo zijn bijen helemaal aangepast op nectar verzamelen en leven in een bijenkolonie. Maar de mens ontbeert zulke praktische vaardigheden. ‘Louter onder dieren verblijvend,’ schrijft Herder, is het mensenkind ‘het meest verweesde kind van de natuur’ (vertaling uit Hoe worden we humaan? van Pieter Ippel). Om te overleven moet de mens uitstijgen boven de dierenwereld en leren organiseren en samenwerken – en dat kan hij alleen door taal te gebruiken. Hij is ‘een schepsel van de taal’.
Koude hitte
Die typering gaat bij uitstek op voor Johann Gottfried Herder (1744-1803) zelf. Herders leven wordt gekenmerkt door eindeloos lezen en schrijven over alle mogelijke onderwerpen. Geboren in het kleine stadje Mohrungen, krijgt hij op jonge leeftijd toegang tot de privébibliotheek van een theoloog die zijn talent herkent. Herders eerste werk, een gedicht over een Bijbelse koning, wordt gepubliceerd op zijn achttiende, in 1762. In datzelfde jaar vertrekt hij naar Koningsbergen om theologie te gaan studeren. Daar treft hij de jonge Immanuel Kant (1724-1804), die lesgeeft in tal van vakken, waaronder natuurwetenschappen, logica en filosofie. Herder wordt Kants favoriete student, al zal het later tot een pijnlijke breuk komen.
In Koningsbergen ontmoet Herder ook filosoof Johann Georg Hamann (1730-1788). Aan Hamann ontleent Herder het idee dat beelden onmisbaar zijn om ideeën en gedachten op te wekken. Metaforen – beelden die in woorden gevat zijn – brengen het denken in beweging en werken geweldig om kennis over te brengen op de lezer. Herder gebruikt in zijn werk dan ook veel beeldspraak. Daarbij verwondert hij zich over het vermogen van de taal om een beeld te vatten in een toon; ‘een zucht van de mond wordt tot een schilderij van de wereld’. We zeggen ‘bijenzwerm’ en onmiddellijk verschijnt het beeld van een gele wolk in onze geest. Die eigenschap van taal maakt de hele menselijke cultuur mogelijk, zegt Herder. ‘We liepen allemaal nog dolend in de bossen wanneer niet deze goddelijke adem ons had opgewekt en de taal niet als een tovertoon rond onze lippen zweefde.’
Iedere cultuur heeft een onvervangbaar en uniek karakter
In zijn taalfilosofie stelt Herder de connectie tussen taal, beelden en concrete ervaringen steeds centraal. Een kleine tweehonderd jaar voor Ludwig Wittgenstein stelt Herder al dat de betekenis van een woord ligt in het gebruik ervan. We leren wat de betekenis is van ‘geel’, ‘merel’ of ‘schoonheid’ is, doordat we mensen die woorden horen gebruiken en zo bepaalde waarnemingen en gevoelens ermee leren associëren. Dat betekent dat taal niet te abstract of speculatief kan zijn. Abstracte filosofische concepten die losgezongen zijn van de concrete ervaring, hebben geen betekenis meer. Ze bevinden zich in ‘een ruimte van ondingen, tussen koude hitte en warme kilte’. Aan het einde van zijn leven levert Herder felle kritiek op Kant, precies om deze reden: Kants poging om te denken met redelijke concepten die voorafgaan aan de waarneming (‘a priori concepten’) levert volgens Herder niets op. Alles moet onderzocht worden midden in de dynamiek van het leven; ook de rede zelf.
Tekst loopt door onder afbeelding

Goddelijk leven
Hamann helpt Herder in 1764 aan een positie bij de kathedraalschool in Riga. Daar valt de jonge theoloog op door zijn beeldende preken en de essays die hij publiceert over schoonheid en literatuur. Maar de polemische toon in Herders geschriften, waarin hij regelmatig andere schrijvers op de korrel neemt, en zijn nauwe vriendschap met een getrouwde vrouw zorgen voor praatjes in Riga. In 1769 besluit Herder zee te kiezen: hij neemt afscheid van zijn gemeente en gaat aan boord van een schip richting Frankrijk.
Herder vertrekt op reis om andere volken en culturen te zien en zo nieuwe inspiratie op te doen, maar voor hij iets anders dan water en meeuwen gezien heeft, barsten de ideeën al bij hem los. ‘Wat geeft een schip dat tussen hemel en zee zweeft niet allemaal te denken,’ schrijft hij euforisch in zijn reisdagboek. ‘Wat een uitgestrektheid! Alles hier geeft de gedachten vleugels en beweeglijkheid en ruimschoots lucht!’ Hij maakt een enorme hoeveelheid plannen voor toekomstige boeken en spreekt zichzelf vermanend toe: hij vindt dat hij is ingedut in Riga, ‘een oude inktpot vol geleerdheid’. De rest van zijn leven bouwt Herder voort op de ideeën die op zee in hem opkwamen. En niet alleen Herder zelf: zijn ideeën werden de voedingsbron voor de jonge denkers en schrijvers die aan het begin staan van de Romantiek, zoals Friedrich von Schlegel, Friedrich Schelling en Johann Gottlieb Fichte.
Wat de vroege romantici, Goethe (1749-1832) voorop, onder meer aantrekt aan het denken van Herder is zijn idee van het leven als een scheppende, goddelijke kracht. Herder heeft voor een predikant een onorthodox godsbeeld. God beschouwt hij als iets dat de gehele natuur doordringt, een idee dat hij ontleent aan Spinoza. Gods geest is terug te vinden in alle levende wezens, dus ook in jezelf kun je die ‘goddelijke vonk’ aantreffen. Maar het leven is niet alleen goddelijk, het wordt volgens Herder ook gekenmerkt door ‘krachten’: door dynamiek en verandering. Alles is steeds in beweging en in ontwikkeling. Daar komt Herders grote interesse in de geschiedenis vandaan: natuur, mens, cultuur en taal zijn niet zomaar ontstaan als een afgerond geheel, maar hebben zich door de eeuwen heen via allerlei zijwegen en tegenkrachten ontwikkeld tot wat ze nu zijn.
Oude volksliederen
Een van de ideeën die Herder opvat op zijn zeereis is om een grote geschiedenis van de wereld te schrijven. Dat doet hij ook, nadat hij in 1776 naar Weimar is verhuisd om daar hofpredikant en hoofd van de lokale scholen te worden. Hij gaat er wonen met zijn vrouw en kinderen – want hoewel de operatie in Straatsburg aan zijn traanklieren mislukt, slagen zijn toenaderingspogingen tot de vrouw om wie het allemaal te doen was wél. Er ontwikkelt zich een liefdevolle relatie tussen deze Caroline Flachsland en Herder, en ze trouwen in 1773. Na hun bruiloft stort Herder zich met nog grotere geestdrift op zijn schrijven. Hij zal in zijn leven bijzonder veel publiceren; zijn verzamelde werk beslaat in een Duitse uitgave tien banden van elk meer dan duizend pagina’s.
De grote wereldgeschiedenis, Ideen zur Philosophie zur Bildung der Menschheit (Ideeën over de filosofie van de vorming van de mensheid, 1784-1791), is een goed voorbeeld van Herders schrijfdrift. Hij begint met de ontwikkeling van de planten en de dieren, want ‘dieren zijn de oudere broers van de mens’, en doet uitgebreid verslag van de levenswijzen van andere volken, bijvoorbeeld uit India, Egypte en de omgeving van de Noordpool. De verscheidenheid van volkeren op de wereld beschouwt Herder als een grote rijkdom. Elk volk heeft zich door de geschiedenis heen op zijn eigen manier ontwikkeld en kent zo zijn eigen ‘volksgeest’. Met die nieuwe term verwijst Herder naar de unieke kenmerken van een bepaalde cultuur: zoals een individu een eigen, authentiek karakter heeft, kennen ook volkeren een unieke volksgeest. Die uit zich bijvoorbeeld in tradities en volksliederen. Herder publiceerde zelf een populaire bundel met oude volksliederen van over de hele wereld.
Op het idee van de volksgeest is in later tijden veel kritiek gekomen. Herder is ook wel beschouwd als voorloper van virulent nationalisme, het idee dat de eigen natie superieur is. Dat is niet terecht, blijkt bijvoorbeeld uit zijn felle kritiek op het Europese kolonialisme: ‘Noem één land, waar de Europeanen heen kwamen en waar ze zich niet hebben bezondigd aan vernederingen, aan onrechtvaardige oorlogen, aan eerzucht, bedrog, onderdrukking, aan meegebrachte ziekten en andere giftige gaven voor vaak weerloze, in hen vertrouwen stellende bevolkingsgroepen,’ schrijft Herder in Briefe zur Beförderung der Humanität (Humaniteitsbrieven, 1797). ‘Wij hebben de kiemen van de eigen cultuur van deze volken vernietigd waar het maar kon.’
De andere culturen op aarde, elk met hun goddelijke vonk, beziet Herder niet met minachting, maar met bewondering en nieuwsgierigheid. Hij ontwikkelt daarom stelregels voor de interpretatie van teksten uit andere tijden of delen van de wereld. Goed interpreteren betekent volgens Herder de kloof overbruggen die tussen jou en de schrijver van de tekst ligt. Daarvoor is Einfühlung nodig: je moet proberen mee te voelen met de auteur, door de context te bestuderen, precies te lezen en je eigen oordelen opzij te zetten. Dat is niet alleen van waarde om een tekst de juiste betekenis te geven. Het contact met een andere cultuur draagt ook bij aan je persoonlijke ontwikkeling; je leert om je in te leven in anderen en verbreedt je blik op de wereld.
Tekst loopt door onder afbeelding

Onaf ter wereld
Dat is uiteindelijk misschien wel het belangrijkste dat Herder met zijn schrijven beoogt: hij wil mensen vooruithelpen in hun ontwikkeling. De mens komt onaf ter wereld, en om tot wasdom te komen heeft de mens vorming (Bildung) nodig. Daarvoor moet hij de wereld leren kennen en leren wat belangrijke morele waarden zijn. ‘De mens is de eerste vrijgelatene van de schepping,’ schrijft Herder. ‘Hij staat rechtop. De weegschaal van goed en kwaad, van het valse en het ware hangt in hem. Hij kan onderzoeken, hij moet kiezen.’
De belangrijkste waarde volgens Herder ligt in wat hij Humanität noemt, een ethisch respect voor alle mensen, gepaard met medelijden, liefde en een verlangen naar gerechtigheid en vrede. De kiem van deze Humanität ligt in de mens, maar die moet nog wel ontwikkeld worden. Veel van zijn geschriften ademen deze menselijkheid. Hij is anders dan bijvoorbeeld Kant zeer kritisch op racisme, antisemitisme en vrouwenhaat. En hij schrijft liefdevol over de mens, die ‘omhoogstrevende boom, gekroond met de mooiste kroon, die van een verfijnde gedachtevorming’.
Die overtuigingen brengen hem aan het einde van zijn leven in de problemen. Als in 1789 de Franse Revolutie uitbreekt, is Herder razend enthousiast. Hij ziet mogelijkheden voor zijn politieke ideaal van een liberale democratie waarin alle burgers de kans krijgen om zich te ontwikkelen. Dat wordt hem niet in dank afgenomen aan het hof van de hertog van Weimar. Ook veel andere relaties verzuren in Herders laatste jaren vanwege felle meningsverschillen. Toch ontstaan er ook nieuwe vriendschappen, bijvoorbeeld met de Duitse pedagoog en schrijver Jean Paul (1763-1832). Na Herders overlijden in 1803 schrijft die: ‘Herder leek op een zwaan die in de harde wintertijd door zijn beweeglijkheid het water openhoudt.’
Boeken

Hoe worden we humaan? Teksten van een vergeten Verlichtingsdenker
Johann Gottfried Herder
vert. Pieter Ippel
Noordboek
144 blz.
€ 19,90
On world history. An anthology
Johann Gottfried Herder
red. Hans Adler en Ernest A. Menze
Routledge
400 blz.
€ 49,85
Abhandlung über den Ursprung der Sprache (e-book)
Johann Gottfried Herder
Reclam
176 blz.
€ 4,49



