Home Dieren Kunnen we weten wat dieren willen?
Dieren

Kunnen we weten wat dieren willen?

Door Emile Smits op 4 maart 2026

‘Intocht in de ark van Noach’, olieverfschilderij van Jan Brueghel de Oudere uit 1613
‘Intocht in de ark van Noach’, olieverfschilderij van Jan Brueghel de Oudere uit 1613
Filosofie Magazine hoe denken we dat dieren denken
03-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
Kunnen we menselijke emoties toeschrijven aan een dier? Twee denkers buigen zich over het vermenselijken van dieren.

In Artis is het Aziatische olifantje Mook Uhm te bewonderen. Zijn naam is een knipoog naar zijn geboortestad (‘Mokum’) en het Thaise woord voor parel. Maar als het aan de vorige directeur van Artis had gelegen, was Mook Uhm anoniem aan de wereld voorgesteld. Door het dier een naam te geven, zouden we het te veel als een mens gaan zien en niet meer vanuit het eigen dier-zijn benaderen. Bezoekers die dieren als kleine mensjes zien, willen misschien knuffelen met de dieren en komen dan te dichtbij. En er is risico op miscommunicatie: wat voor een mens lief lachen is, is voor een gorilla een teken van agressie. Toch kunnen namen er ook juist voor zorgen dat we dieren als autonome individuen zien, volgens Rens Bod, hoogleraar digitale geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Als we dieren zien als compleet anders, blijven we blind voor wat we met ze delen.’

De namenkwestie laat onze moeilijke verhouding tot dieren zien. We herkennen ons in de streken van de gorilla Jacko en genieten van het lome geluier van Tanja het nijlpaard. Tegelijkertijd houden we miljoenen dieren anoniem in stallen. Hoe kunnen we weten dat een dier niet van knuffelen houdt? Als we meer over dieren weten, moeten we ze dan ook anders behandelen? En leren dieren ons ook iets over ons mens-zijn?

Wil je dit artikel verder lezen?

Sluit een abonnement af op Filosofie Magazine voor slechts 4,99 per maand en krijg toegang tot dit artikel én de duizenden andere diepgaande filosofische artikelen. Luister nu ook alle nieuwe artikelen als audio.
Word abonnee en lees verder > Al abonnee? Log dan in en lees (of luister) verder.

Opperbonobo

In de filosofie worden dieren traditioneel als heel verschillend van mensen gezien. Dat is onterecht, aldus Bod. Voor zijn boek, Het unieke dier (2025), maakte hij aan de hand van data-analyse een overzicht van wat er over mensen en dieren in wetenschappelijke literatuur is geschreven. Wat blijkt? ‘Als we mensen en dieren op een gelijkwaardige manier vergelijken, blijkt naar mijn mening dat veel eigenschappen die we als exclusief menselijk beschouwden ook bij dieren te vinden zijn.’ Hij somt op: ‘Bij dieren vinden we keuzevrijheid, cognitie, cultuur, empathie, taal, technologie en zelfs religie.’

‘Lange tijd is men in de biologie bang geweest om dieren menselijke eigenschappen toe te schrijven,’ zegt Bod. ‘We zijn een beetje geïndoctrineerd door premoderne filosofen die een harde lijn trekken tussen mens en dier. Dat begon al bij Aristoteles, die de natuur hiërarchisch zag, met de mens bovenaan en de dieren daaronder. Maar zo blijven we opgesloten in onze eigen mensenhokje en missen we de manieren waarop dieren net als wij zijn. Het helemaal verdringen van vermenselijking is net zo schadelijk als het extreem toepassen ervan.’

Zo werd cultuur lange tijd als iets exclusief menselijks gezien. De aanname was: dieren handelen vanuit instinct, dus doen altijd hetzelfde, terwijl mensen leren van hun groep en daarom verschillende culturen hebben. ‘De Japanse primatoloog Kinji Imanishi ontdekte in 1948 dat Japanse makaken gedrag van elkaar overnemen,’ vertelt Bod. ‘Een van de makaken, Imo genaamd, ontdekte dat zoete aardappels veel lekkerder zijn als je ze eerst wast in de rivier. De nazaten van Imo doen het tot op de dag van vandaag nog – het is echt hun traditie. Andere makaken-groepen doen het niet. Maar cultuur vind je overal in het dierenrijk. Bijendansen verschillen bijvoorbeeld per kolonie. En jonge kakkerlakken leren van oudere soortgenoten welke schuilplaatsen veilig zijn.’

Naast culturele tradities hebben dieren rituelen. ‘Neem het trouwritueel bij ezelspinguïns,’ vervolgt Bod enthousiast. ‘Mannetjes bieden de vrouwtjes een mooi, zwart steentje aan. Als het vrouwtje dat cadeau accepteert, bouwen ze samen een nest en legt het vrouwtje het steentje erin. En Nieuw-Caledonische kraaien begraven hun eigen soortgenoten. Ze bedekken het lijk met blaadjes en blijven daar dan een tijdje omheen staan.’

Bod wil ook niet uitsluiten dat dieren religie hebben. ‘Bij bonobo’s wijst de matriarch van een groep soms stellig in een bepaalde richting waar niets te zien is, en de rest van de groep kijkt dan vol eerbied dezelfde kant op. Alsof ze denken dat een hogere macht, een soort opperbonobo, naar hen kijkt. We kunnen het niet uitsluiten. Bij mensen worden religieuze gevoelens gekoppeld aan het limbische systeem in de hersenen. Dat hersensysteem delen we met veel diersoorten.’

Apencoalities

De Duitse filosoof en bioloog Helmuth Plessner (1892-1985) vroeg zich ook af wat mensen onderscheidt van dieren. Wat de mens volgens hem uniek maakt, is de afstand die de mens heeft tot zichzelf, zijn ‘excentrische positie’. Omdat de mens zich altijd bewust is van zijn eigen bewustzijn, is hij niet gebonden aan het hier en nu. Een dier leeft ‘centrisch’: het gaat op het milieu waarin het past – een leeuw ziet geen gras, een koe geen prooi. Geboren zonder instinct heeft de mens de bemiddeling van taal en cultuur nodig om iets aan te kunnen vangen met zijn omgeving.

Net als culturele verschillen tussen mensen ons in de weg kunnen zitten, kan de menselijke cultuur ons blind maken voor hoe diergedrag echt in elkaar zit. Om vermenselijking te voorkomen beperken sommige biologen zich daarom tot puur functionele beschrijvingen. Dus niet ‘De gorilla voelt zich bedreigd’, maar ‘De gorilla ontbloot zijn tanden’. Maar dat is te beperkt volgens Plessner. Net als dieren verhouden mensen zich met hun lichaam tot hun omgeving. Die gedeelde lichamelijkheid geeft ons inzicht in gedragingen van dieren. Je ziet de angst van de verstijfde muis die je betrapt in de voorraadkast, de dreigende houding van een hond.

Het komt overeen met hoe emeritus hoogleraar theoretische biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen Charlotte Hemelrijk dieren observeert. ‘Het verschil tussen spelen en vechten, bijvoorbeeld, is duidelijk te zien. Spelen is een beetje rollebollen over de grond en vechten is krijsen, slaan en bijten. Wat helpt, is dat we veel basale emoties delen met dieren. Dieren zijn hartstikke agressief, en mensen ook.’

‘De verschillen tussen mensen en dieren zijn wel groot,’ meent Hemelrijk, ‘zelfs bij dieren die dicht bij ons staan, zoals mensapen. Wij kunnen bijvoorbeeld heel goed inschatten wat een ander van plan is en we dachten dat apen dat ook kunnen. Maar uitgebreid onderzoek bij mensapen laat zien dat ze geen idee hebben wat een ander weet.’

Om te voorkomen dat we de cognitieve capaciteiten van dieren overschatten gebruikt Hemelrijk computersimulaties om diergedrag te onderzoeken, zoals de gevechten tussen chimpansees, die de hiërarchie in de groep bepalen. ‘Sommige biologen, zoals de in 2024 overleden Frans de Waal, schrijven chimpansees strategisch inzicht toe. Ze zouden bondjes sluiten met groepsgenoten om zo hoger in rangorde te komen. Maar fysieke nabijheid is al genoeg om dat steungedrag te verklaren, tonen computersimulaties; daarvoor hoef je geen strategisch inzicht te introduceren. Als apen vaker bij elkaar in de buurt zijn, zullen ze elkaar ook vaker steunen.’

Computermodellen voorkomen zo vermenselijking. ‘Als je geen hogere cognitie veronderstelt, wat zie je dan voor gedrag in je simulaties? Nou, veel meer dan je misschien zou denken,’ concludeert Hemelrijk. ‘Een model dat fysieke nabijheid simuleert, voorspelt de apencoalities minstens zo goed. Het meeste diergedrag is te verklaren door heel eenvoudige cognitieve regels toe te passen.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Olifanten in Artis, 1958. beeld Nationaal Archief/Herbert Behrens

Uniek menselijk

Bij taal lijkt het verschil tussen mensen en dieren het grootst. ‘Of dieren taal hebben, hangt af van hoe we dat definiëren,’ stelt Bod. ‘Taal is al een menselijke notie. Dolfijnen hebben een uniek fluitje voor iedere groepsgenoot. Is elkaar namen geven dan taal? Zijn de lange gezangen van walvissen taal? Of de complexe, aangeleerde melodieën van zangvogels? Het vervoegen van woorden zou iets unieks menselijks zijn, maar mensapen blijken daartoe ook in staat.’

In een van laatste lezingen, ‘Zur Anthropologie der Sprache’ (1975), ging de hoogbejaarde Plessner in op chimpansees die gebarentaal hadden geleerd. Dat een chimpansee gebarentaal kan leren, wil niet zeggen dat het dier talig is, vindt hij. De gebaren van chimpansees blijven beperkt tot de directe context. De chimpansee maakt bij geblaf het teken voor hond, gebaart om voedsel naar zijn verzorgers – maar niet naar z’n soortgenoten. Mensapen missen het vermogen om de woorden als woord op zichzelf te zien, besluit Plessner. Taal als informatie blijft iets unieks aan de mens.

‘We begrijpen dieren omdat we basale emoties delen’

Bij mensen lijkt taal onbegrensd. We kunnen teksten eindeloos herinterpreteren: iedere interpretatie maakt een nieuwe interpretatie mogelijk. Het wijst op een uniek menselijke eigenschap, die Bod ‘onbegrensde recursie’ noemt. ‘Mensen kunnen het resultaat van een bepaalde activiteit opnieuw inzetten bij die activiteit, en dat telkens weer. Dieren kunnen dat ook, alleen niet onbeperkt.’

Bod: ‘Neem gereedschap. Chimpansees in Gabon gebruiken soms wel vijf verschillende werktuigen om honing uit een bijennest te halen. Maar alleen de mens maakt gereedschappen om daarmee weer andere gereedschappen te maken. Zoals een smid die met relatief simpel gereedschap als een hamer en aambeeld iets complexers maakt, zoals een tang. Door zo steeds opnieuw de resultaten van onze processen in gebruik te nemen bij het volgende proces, kom je uiteindelijk uit bij zoiets ingewikkelds als een microprocessor.’

Geen zetel

Als we zoveel vermogens delen met dieren, kunnen we dan weten wat ze willen? Bod volgt de docta ignorantia van Nicolaus Cusanus (1401-1464). Dat betekent zoveel als ‘geleerde onwetendheid’: je ontdekt je onwetendheid pas als je kennis verzamelt. Bod: ‘We moeten bescheiden blijven in wat we denken te weten. Is het echt zo dat dolfijnen met elkaar kletsen of zijn ze gewoon samen aan het fluiten en grommen? Er is nog zoveel onduidelijk. Wat voor mij buiten kijf staat, is dat dieren autonoom kunnen handelen en daarom een volwaardige plek in onze samenleving verdienen. De rechten die dieren nu hebben zijn heel beperkt. We kunnen een koe of paard geen zetel geven in ons parlement, maar we kunnen wel mensen aanstellen die ze vertegenwoordigen.’

‘Vanuit het idee van de geleerde onwetendheid is het arrogant om te zeggen dat we weten wat dieren willen,’ vervolgt Bod. ‘Maar we weten wel wat ze niet willen: ze willen geen pijn, geen honger, niet opgesloten zitten.’ Hemelrijk sluit zich daarbij aan. ‘Als dieren in een kleine stal elkaars staart bijten of zichzelf verwonden, dan weten we dat ze ongelukkig zijn. Maar wat een dier gelukkig maakt, blijft iets heel moeilijks. Ook bij mensen weten we dat eigenlijk niet.’

Loginmenu afsluiten