Home Wittgenstein. De zoektocht naar zuiverheid

Wittgenstein. De zoektocht naar zuiverheid

Wittgenstein was het ‘meest volmaakte voorbeeld van want we ons voorstellen bij een genie’. Een portret van de filosoof door Bert Keizer.

Door Bert Keizer op 28 februari 2012

Ludwig Wittgenstein filosoof illustratie beeld Bureaudonald
Cover van 03-2012
03-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Er zijn twee historische ontmoetingen waarvan ik altijd weer geniet als iemand er over schrijft. De eerste is het geleidelijk samenkomen van The Beatles zoals dat zich afspeelde rond 1959 in Liverpool. De tweede is het samenkomen van Bertrand Russell en Ludwig Wittgenstein in 1911 in Cambridge. Russell heeft er prachtig over geschreven in termen die passen bij een verliefdheid, want hij was nog nooit zo dicht bij een betoverende geest geweest. Terugblikkend vond Wittgenstein zelf ook dat zijn geest toen ‘een en al vuur’ was. The Beatles maakten iets wonderbaarlijks in elkaar los. Tussen Russell en Wittgenstein lag dat anders. Het was Russell die in Wittgenstein iets wakker kuste waarvan het onduidelijk is hoe lang het daar al sluimerde. Of sluimeren, het was eerder zo dat hij het had weggehouden onder de druk van zijn vader, die hem de werktuigbouw in dreef. Zonder Russells vrijwel onmiddellijk gegeven aanmoediging, bewondering zelfs, is het maar de vraag wat er van Wittgenstein als filosoof zou zijn geworden. In een nooit eerder vertoonde filosofische pas de deux, waarin de 22-jarige Wittgenstein zijn 40-jarige mentor al snel bij de hand nam, zetten ze samen de eerste stappen in de richting van een filosofische blik op de wereld die naar mijn mening nooit overtroffen is.

Hun partnerschap was even intens als kortstondig. Russell danste wel even mee, maar hij moest zijn veel leniger partner al snel laten gaan. Tegen zoveel soepelheid kon hij niet meer op. Het blijft zijn eeuwige verdienste dat hij Wittgenstein zonder reserve precies datgene toekende wat hij uit zichzelf zag verdwijnen: het vermogen om op hoog niveau te filosoferen.

Zelfvertrouwen

Je zou verwachten dat Wittgenstein aan een dergelijke start in filosofie in ieder geval voldoende zelfvertrouwen zou hebben overgehouden waar het zijn eigen geestelijke vermogens betreft. Helaas was zijn aard veel ingewikkelder.

Gedurende vrijwel zijn hele verdere leven worstelde hij met een knagende onzekerheid over zijn waarde als mens en als filosoof. Hij voelde zich dikwijls onveilig, belaagd zelfs, temidden van zijn medemensen. En dat was niet de enige kant waarvan gevaar dreigde. Ook van binnenuit voelde hij zich belaagd, door een zuiverheidsideaal dat groteske dimensies had. Zijn extreme neiging om ideeën, mensen, gebouwen, muziekstukken of zichzelf als onzuiver te veroordelen leidde tot een leven dat niet anders gekenschetst kan worden dan als tobberig. Deze diep gevoelde onveiligheid verklaart misschien waarom hij pas zeer laat in zijn leven in staat was zichzelf geheel te geven in de liefde, al weten we tergend weinig over zijn verhouding met Ben Richards, zijn laatste geliefde.

Deze terughoudendheid uit angst voor beschadiging leidde tot een tegenstrijdige houding ten opzichte van zijn eigen denken, dat hij veelal afdeed als beneden de standaard die hij als fatsoenlijk ervoer. Dat neemt niet weg dat hij het grootste deel van zijn leven er aan wijdde met een resultaat dat ons tot de dag van vandaag met bewondering vervult.

Meedogenloos

Naast Plato is Wittgenstein de enige filosoof die op zijn schreden terugkeerde. De Tractatus stond jarenlang als een ongenaakbaar uitgangsvisioen, een kristallijnen abstractie, waarin logica, dichterlijkheid, ethiek en mystiek allemaal bijdroegen tot het scheppen van een welhaast meedogenloze visie, verkondigd met de vaste overtuiging die alleen een jong mens durft te etaleren. Typerend voor hem is het slot van het voorwoord:

‘Ik ben dus van mening de problemen in wezen voorgoed te hebben opgelost. En als ik me hierin niet vergis dan bestaat nu de waarde van dit geschrift ten tweede hierin, dat het toont hoe weinig er eigenlijk is verricht door deze problemen op te lossen.’

Na een zeer moeizame onderbreking van zijn filosofische activiteit die tien jaar duurde, keerde hij in 1929 terug naar Cambridge. De grondgedachte van de Tractatus bleef gehandhaafd: filosofie is de strijd tegen de betovering van ons intellect door de taal. In de Tractatus werd deze strijd binnenskamers op niet geheel duidelijke a priori gronden beslecht. In het latere werk verlaat Wittgenstein de collegezaal om zich in het volle leven te vergewissen van wat wij doen met taal en van wat taal doet met ons. Hieruit volgt geen kristallijnen abstractie maar een welhaast antropologisch getinte excursie langs allerlei situaties waarin mensen taal gebruiken en zich door taal allerlei dwaalwegen op laten sturen.

Soldaat

Wittgensteins filosofie was sterk verweven met zijn leven. Zijn lotgevallen tijdens de Eerste Wereldoorlog maakten veel in hem los dat zijn weg vond naar de Tractatus, tot verbijstering van Russell. Ik heb Wittgensteins beweegredenen om zich in 1914 vrijwillig  als soldaat de oorlog in te begeven nooit helemaal begrepen en in zoverre ik ze wel begreep vond ik ze, zeker in het licht van zijn zeer hooggestemde ethiek, ronduit ondeugdelijk. Het was zijn idee om zich op de een of andere manier te zuiveren door de confrontatie met de dood aan te gaan. En juist omdat het hem om deze confrontatie ging, was een veilig kantoorbaantje het laatste wat hij zocht. Vandaar zijn aandringen op een positie aan het front, zodat hij in de vuurlinie zou komen te liggen. Dat hij deze persoonlijke zuivering ging zoeken in een plek waar het ging om het grootschalig doodmaken van medemensen wordt door Wittgenstein nergens beschreven als ongepast.

Ook zijn biografen doen er erg respectvol over, maar was het niet gewoon een kwestie van een homoseksuele man die wilde bewijzen geen mietje te zijn? Ik moet denken aan Prousts Charlus, of aan T.E. Lawrence, ook zo’n overdrijver als het op lichamelijke hardheid aan kwam. Lawrence kon meer woestijn aan dan tien kamelen. Maar slaagde er nooit in zich op draaglijke wijze lichamelijk of anderszins in een ander mens te begeven. Dat is niet verwijtbaar, maar ook geen parel aan je kroon zou ik zeggen.

Geploeter

In de jaren na de Eerste Wereldoorlog slaagt Wittgenstein er niet of nauwelijks in zichzelf enigszins te hervinden in het burgerleven. Het zijn jaren vol hopeloos geploeter dat eindigde in een vernederende afgang als onderwijzer en een vlucht naar Wenen waar hij de arme Paul Engelmann het werk aan het huis van Wittgensteins zus uit de handen griste.

Als hij na al deze ellende in 1929 eindelijk terugkeert naar Cambridge begint de geconcentreerde scherpte van de Tractatus heel geleidelijk plaats te maken voor de bedrieglijke verstrooidheid van het latere werk. De man Wittgenstein ondergaat iets vergelijkbaars. Hij zal nooit een dandy of een bohemien worden, maar in Francis Skinner vindt hij in deze jaren voor het eerst een man met wie hij een min of meer uitdrukkelijke liefdesrelatie heeft.

De twijfels over het morele gehalte van zijn persoonlijkheid blijven hem echter altijd achtervolgen, een achtervolging waar ook de mensen om hem heen aan worden blootgesteld. Russell beschreef Wittgenstein als ‘wellicht het meest volmaakte voorbeeld dat ik ooit gekend heb van wat we ons gewoonlijk voorstellen bij een genie: hartstochtelijk, diep, intens en dwingend’.

Vooral dat dwingende bleef iets wat Wittgensteins omgeving in allerlei variaties moest ondergaan. Toen zijn oude logicaleraar W.E. Johnson hoorde dat Wittgenstein hem wilde bezoeken stelde hij als voorwaarde dat ze het niet over de grondslagen van wiskunde zouden hebben ‘want ik kan er niet langer tegenop als hij mijn wortels begint op te graven’ en de echtgenote van Moore had liever dat hij helemaal niet langs kwam nadat haar man door een beroerte was getroffen, in de onuitgesproken vrees dat de drammerige filosoof opnieuw een bloedvat in de hersenen van haar man zou doen ploffen door zijn dwingende betoogtrant.

Vrienden

Als je het zo hoort was Wittgenstein een moeilijke man, maar dat kan slechts een aspect van hem geweest zijn. In wat hij ook zelf als zijn nadagen beleefde bleek dat hij een aantal uitermate toegewijde vrienden en vriendinnen om zich heen had.

Toen zijn einde naderde waren meerdere mensen uit zijn vriendenkring (Bevan, von Wright, de Malcolms, Anscombe) bereid om tegen hem te zeggen:  je mag bij ons komen sterven, en dat zeiden ze niet in een onbezonnen moment, want ze namen hem ook daadwerkelijk in huis als hij hulp en steun nodig had. Zijn laatste levensfase was unieker dan de meeste mensen lijken te beseffen.

Ik ken geen lichter sterven dan dat van Wittgenstein en ik bedoel niet dat zijn laatste maanden fysiek makkelijk waren. Maar het is de onnadrukkelijke wijze waarop hij niet in de schaduw van de dood leeft en toch rustig met zijn frêle lijf op het einde afstevent die sterk ontroert. Het meest verwonderlijke daarbij is dat hij zijn gave tot enkele dagen voor zijn dood geheel intact bij zich hield. Wat hij in de laatste achttien maanden van zijn leven schreef werd na zijn dood gepubliceerd onder de titel Über Gewissheit. Maar het boek is niet geschreven door een man die op de drempel van de eeuwigheid werd bestormd door twijfels over al zijn zekerheden. Het toont juist aan hoe vreemd het idee van zo’n bestorming zou zijn.

Enkele weken voor zijn dood schreef hij aan zijn vriend Norman Malcolm, die hij een boek over Rommel gestuurd had.

‘Ik ben erg zwak natuurlijk en er lijkt geen twijfel te zijn dat dit niet zal verbeteren met het verstrijken van de tijd. Ik denk niet dat ik nog op deze aarde zal zijn als je in de herfst van 1952 naar Cambridge komt. Nou ja, je weet niet. Ik ben overigens niet somber. – Ik ben blij dat je het boek over Rommel waardeerde.’

Wittgenstein laat geen doctrine na, maar zijn strijd tegen de verwarring die taal ons aandoet heeft een heel bijzonder gevolg. ‘Ik zie je na de dood’ lijkt op, maar is iets heel anders dan ‘ik zie je na de vakantie’. Wie hier geen nattigheid voelt, die heeft niets te zoeken in Wittgensteins werk. Er staat geen straf op onnozelheid. Maar in zijn denken word je daar uit geleid naar een helderheid die ontstaat doordat er zoveel van je afvalt in zijn werk. Ik geloof dat hij als moeilijk wordt ervaren omdat je niet altijd doorhebt waarover hij zich verwondert. Sommigen verbazen zich over een aardappel die op Churchill lijkt. Anderen vragen zich af hoe kanker ontstaat. Maar in Wittgenstein stuiten we op een verwondering die zich richt op wat zich vóór dit alles bevindt: het feit dat we er zijn en dat we daar zo graag iets over willen zeggen.