Home Identiteit Wie is toch dat zelf dat denkt?
Identiteit

Wie is toch dat zelf dat denkt?

Door Michael Pollan op 13 maart 2026

vrouw met spiegel in veld met bloemen zelf
beeld Noah Buscher/Unsplash
Op zoek naar zichzelf stuit Michael Pollan op een lege ruimte. ‘Het zelf is de kroon op én de vloek van het bewustzijn.’

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? Je bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

Wie ben ik? Een ogenschijnlijk ongecompliceerde vraag, maar een die verrassend moeilijk te beantwoorden blijkt. Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: ik ben Michael Pollan. Eenenzeventigjarige witte man. Schrijver. Echtgenoot. Vader. Zoon. Californiër. Maar dat zijn allemaal uiterlijke kenmerken, de ingrediënten van een sociale identiteit. Afgezien van de naam voldoen talloze andere mensen ook aan deze omschrijving. Er moet toch iets minder oppervlakkigs, iets specifiekers en essentiëlers zijn waar mijn ‘ik’ uit bestaat, een kern waar die uiterlijke omschrijving niet eens bij in de buurt komt?

Het oude vertrouwde lichaam

Mijn lichaam is al beslist specifieker voor mij. Maar is dat wie ik ben? William James schreef over ‘het gevoel van het oude vertrouwde lichaam dat er altijd is’ en ons een gevoel van stabiliteit en continuïteit geeft, en het is absoluut geruststellend dat je lichaam er ’s ochtends als je wakker wordt nog is. Maar is dat wel echt hetzelfde lichaam? Want het lichaam dat ik ben (en is het niet veelzeggend dat dit wat vreemd klinkt?) of ‘heb’, zoals we het meestal zeggen, is niet hetzelfde lichaam dat ik tien jaar geleden had, laat staan vijftig jaar geleden. Elke cel erin is al een aantal keren vernieuwd, en zelfs de patronen waarin die cellen zich ordenen zijn veranderd. (Kijk maar naar mij!) Ons lichaam is als het mythische schip van Theseus, waarvan in de loop der jaren elke plank werd vernieuwd. Was het daarna nog wel hetzelfde schip?

Michael Pollan (1955) is journalist, filosoof en hoogleraar journalistiek aan de Universiteit van Californië – Berkeley. Eerder schreef hij onder andere Een pleidooi voor echt eten (2016) en Verruim je geest (2018).

Vreemd genoeg spreken we over ‘ons lichaam’ als iets wat we bezitten. Daarom klinkt ‘Ik ben mijn lichaam’ ook een beetje gek. De vereenzelviging met ons lichaam is verre van compleet: de ‘ik’ in ieder van ons, wat dat ook precies is, kan het lichaam als een afzonderlijk object zien. Als mensen een ledemaat verliezen, voelt dat niet alsof hun ‘zelf’ is aangetast, alleen hun ‘lichaam’. Maar als iemand mij een stomp in mijn maag geeft, ben ik het die pijn heeft. In die context verwijst het persoonlijk voornaamwoord naar mijn lichaam, mijn geest, of beide. Dus wie is die ‘ik’ nou precies die pijn lijdt?

De kroon op het bewustzijn

We komen dichter bij de kern van de zaak – bij het ongrijpbare en toch essentiële en blijvende ‘gevoel van zelf’. Het zelf confronteert ons met een mentaal fenomeen dat verder gaat dan receptiviteit, dan voelen of denken: het zelf is op een bepaalde manier de kroon op het bewustzijn, en op een andere manier de vloek ervan.

Elke ochtend als we wakker worden, breit onze geest het weefsel van het bewustzijn dat ’s nachts is uitgerafeld aan elkaar zodat we weer weten wie en waar we zijn, en binnen een paar seconden (dus niet meteen) komt ons vertrouwde ‘ik’ weer terug, het subject van alles wat we die dag gaan beleven. We staan zelden stil bij wat dat is of waar het precies uit bestaat, maar er zijn niet veel dingen die we zekerder weten dan dat dit ‘ik’ bestaat en standhoudt.

Ik denk dus ik ben

Dat was wat Descartes zei. Alles in de wereld kan worden weggenomen, het bestaan van alles is onzeker, behalve dit ene zelfbevestigende feit: ‘Ik denk, dus ik ben.’ Die ‘ik’ is de auteur van onze gedachten, het subject van onze gevoelens, de eigenaar van ons lichaam en de dirigent van de orkesten waar ons geestelijk leven uit bestaat (al is het wel vrij gul om die wanordelijke bende van gedachten en gewaarwordingen een orkest te noemen). Van alles wat het bewustzijn bevat (en creëert) is het zelf – dat we als stabiel, continu en wilskrachtig beschouwen – misschien wel het meest gecompliceerd en ons het meest dierbaar. Het is ook iets waarvan we als vanzelfsprekend aannemen dat het werkelijk bestaat.

Dat zouden we niet moeten doen. Het bestaan van een zelf, dat zo centraal staat in ons gevoel van wie we zijn als levende, denkende wezens, is namelijk moeilijk te bewijzen, zowel door de wetenschap en filosofie als door introspectie. Als je het zelf wilt verdedigen, kun je er maar beter niet te hard over nadenken, en al helemaal niet fanatiek op zoek gaan naar de ‘ik’ in je hoofd. Dat zou tenminste mijn advies zijn, want ik heb er veel te hard over nagedacht en ga bijna kopje-onder in een zee van twijfels. ‘Alles wat vast is, verdampt,’ schreven Marx en Engels in een andere context, maar dat hadden ze net zo goed kunnen zeggen over het bouwwerk van het zelf als dat eenmaal aan reflectie wordt onderworpen.

Niemand thuis

De achttiende-eeuwse Schotse filosoof David Hume was de eerste belangrijke stem in het Westen die aan het bestaan van het zelf twijfelde. Hij dacht misschien aan Descartes toen hij in zijn Traktaat over de menselijke natuur (1739-1740) schreef dat ‘er enkele filosofen zijn die zich voorstellen dat we ons op elk moment bewust zijn van wat wij ons Zelf noemen, dat we het bestaan en de continuïteit ervan in ons leven voelen, en dat we zeker zijn, zonder bewijs van een veraanschouwelijking, van zowel de perfecte identiteit als de eenvoud ervan’. Hume wilde dat niet zomaar zonder bewijs aannemen, dus besloot hij op zoek te gaan naar het zelf op de enige plek waar dat mogelijk was: in zijn eigen geest. Daarmee voerde hij een vroeg fenomenologisch experiment uit: hij zocht zijn geestesoog niet in theorie of logica of geloof, maar in de directe ervaring. Het verbaasde hem wat hij niet vond: ‘Wat mij betreft: als ik me grondig verdiep in wat ik “mijzelf” noem, stuit ik telkens op een of andere gewaarwording, van warmte of koude, licht of schaduw, liefde of haat, pijn of genot. Ik kan “mijzelf” nooit betrappen zonder een gewaarwording, en ik kan niets observeren behalve die gewaarwording.’ Humes experiment in zelfonderzoek overtuigde hem ervan dat er niemand thuis is.

Boeddhisme

Ik ben niet de eerste die opmerkt dat Hume wel een boeddhist lijkt. (Boeddhisme, een filosofie die ook het bestaan van een wezenlijk, blijvend zelf ontkent, was in 1739 in het Westen nog niet bekend, maar de ideeën kunnen Hume toch hebben bereikt.) Ik ben geen boeddhist, maar ik mediteer elke ochtend, iets waar ik mee ben begonnen in de periode toen ik geïnteresseerd raakte in vragen over het bewustzijn. Sinds ik Hume las, heb ik bij verscheidene introspectieve gelegenheden geprobeerd om zijn experiment te herhalen: de zoektocht naar het ‘ik’ achter het ‘ik’ dat ik gedachteloos honderden keren per dag gebruik, in gesprekken, in wat ik schrijf, denk of voel. Maar als ik op zoek ga naar dat ‘ik’, vind ik alleen een paar vage percepties, gedachten en gevoelens, die geen van alle verankerd zijn in wat ik mijn ‘ik’ zou noemen.

Ik weet dat er vijf persoonlijke voornaamwoorden in de vorige zin staan, dus wie is het nu eigenlijk die zoekt en niets vindt? Misschien is dat het probleem: je kunt het zoeklicht van je aandacht niet op de bron van het licht richten zonder het vanwege een of andere logische wet of paradox onzichtbaar te maken. Immanuel Kant stelde precies dat probleem vast toen hij schreef: ‘Het is heel verhelderend dat ik niet als object kan waarnemen hetgeen ik moet vooronderstellen teneinde een object te kunnen waarnemen.’ Met andere woorden: het zelf kan alleen een object voor ons denken worden als het niet langer zichzelf is, namelijk op de eerste plaats een subject. Als je het subject zoekt, zie je het als object, waarmee je het tenietdoet. Dus misschien is het zelf niet afwezig, maar gewoon uit het zicht, zoals de zon tijdens een zonsverduistering.

Mentale duisternis

Probeer het zelf maar eens. Sluit je ogen en ga op zoek naar je bewustzijnsruimte. Laat de rimpelingen van het gewone wakende bewustzijn wegebben en wen aan de afwezigheid van licht. Eerst ‘zie’ je weinig tot niets in het mentaal donker, maar na een tijdje komt er een gedachte op – in de vorm van woorden, beelden of gevoelens – en die lijkt vanuit het niets te komen, ongevraagd. Je kunt op zoek gaan naar de bron – denk jij die gedachten, of denken ze zichzelf? – maar het enige wat je geneigd bent te vinden is een keten van associaties met andere gedachten, gevoelens of beelden. Dat is natuurlijk de gedachtestroom waar Hume op doelde, maar vind je jezelf daar dan ook, hetzij in die stroom, hetzij toekijkend vanaf de oever? Ik wens je veel succes.

En toch: wie is degene die de gedachten ziet opkomen en voorbijstromen?

Ik klink misschien verward, maar dat ben ik ook. Ik kan gedachten observeren in mijn hoofd, maar ik kan geen zelf observeren dat ze observeert of denkt. Toch hou ik vast aan het idee van een blijvend zelf, een kern van mij die als een gouden draad door het lange wandkleed van mijn leven loopt. Ik weet dat ik grondig ben veranderd sinds ik een ongemakkelijke, slungelige puber was, maar die draad verbindt me toch nog met de jongen die ik was en die ik nog steeds als mij beschouw. Dat ongemakkelijke van hem heb ik nog steeds, en ik moet er soms nog van blozen – met dit eenenzeventigjarige gezicht van me (of van ons!) dat in de loop der tijd grondig is veranderd. Maar misschien is het weefsel niet mijn leven, maar alleen de herinneringen eraan, die zorgvuldig zijn bewerkt en aan elkaar genaaid om een gevoel van continuïteit op te roepen dat vals is, een geruststellende fictie.

Even tussendoor …

Meer lezen over identiteit en het bewustzijn? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

Ontvang wekelijks de beste artikelen van Filosofie Magazine en af en toe een aanbieding.

Illusie

Het zelf is met afstand de interessantste, geheimzinnigste creatie van het bewustzijn, voor zover het dat tenminste is. Hume benaderde het rechtstreeks, door middel van introspectie; zijn bewustzijn was een steekproef van één, dat is waar, maar genoeg om twijfels te zaaien over het bestaan van het zelf die sindsdien alleen nog maar groter zijn geworden. Ik was nog niet helemaal zover om me bij Hume aan te sluiten en het hele idee te laten varen, en ik vroeg me af wat ik zou kunnen leren door het zelf van alle kanten te bekijken, en wel door de lens van niet alleen de filosofie en de fenomenologie, zoals Hume deed, maar ook van de psychologie, biologie, psychedelische ervaring en het boeddhisme.

Wat een vragen! Als het zelf een illusie is, waarom blijven zoveel mensen er dan aan vasthouden, blijven ze volhouden dat het iets substantieels is? Wat hebben we eraan? Het lijkt waarschijnlijk dat het hebben van een zelf, of geloven dat we er een hebben, adaptief is, een voordeel oplevert in de strijd om het bestaan. Voordat je voor je zelf kunt opkomen, moet je geloven dat je er een hebt – een zelf dat de moeite van het verdedigen waard is.

En hoe zit het met deze paradox: waarom houden we vast aan het idee van een zelf, hechten we zoveel waarde aan zélfvertrouwen, en zélfwaardering, terwijl we tegelijkertijd zoveel moeite doen om boven ons zelf uit te stijgen, bijvoorbeeld door meditatie, psychedelica, kunst, flow? Enkele van de meest indrukwekkende ervaringen in het leven draaien om het loslaten van het zelf en de brede, betekenisvolle horizon die zich pas opent als het zelf van het toneel is verjaagd. Anders dan wat we zouden verwachten (onder invloed van een dominerend zelf) blijkt dat het bewustzijn helemaal geen bijzondere behoefte aan een zelf heeft en net zo vrolijk zonder kan.

Precies zoals het moet zijn geweest toen we nog een baby waren.

Dit is een bewerkte voorpublicatie van het boek Een wereld verschijnt. Op reis door het bewustzijn van Michael Pollan, dat op 19 maart 2026 verschijnt bij uitgeverij de Arbeiderspers. Pollan spreekt op 25 maart over zijn boek bij Radboud Reflects in Nijmegen en op 26 maart in TivoliVredenburg in Utrecht.

Een wereld verschijnt. Op reis door het bewustzijn
Michael Pollan
vert. Koos Mebius en Lidwien Biekmann

De Arbeiderspers
448 blz.
€ 29,99

Loginmenu afsluiten