Home Klassieke Oudheid Waarom we Socrates nooit kunnen ontraadselen
Klassieke Oudheid

Waarom we Socrates nooit kunnen ontraadselen

Er is zoveel over Socrates geschreven dat er tal van verschillende ‘Socratessen’ zijn ontstaan. Rico Sneller laat zien dat we de Griekse filosoof nooit kunnen ontraadselen, omdat hij versmolt met het mysterie.

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie op 28 januari 2022

Waarom we Socrates nooit kunnen ontraadselen
Cover van 02-2022
02-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Socrates – je kunt niet om hem heen in de filosofie. Doorgaans wordt hij opgevoerd als de eerste grote debater uit de westerse filosofiegeschiedenis, een held van het rationele denken. Op universiteiten bestuderen studenten zijn argumentatiestructuren, waarmee Socrates voorliep op de meest geavanceerde vormen van moderne logica. Een heel andere receptie van de Griekse filosoof vinden we in de betere boekhandel onder het kopje ‘zelfhulp’. Wil je leven als de grootste wijze uit onze traditie? Kies dan voor de Socrates-lifestyle, met een open blik en een vragende houding.

In Het raadsel Socrates vermijdt filosoof Rico Sneller op elegante wijze zowel het hyperacademische als het al te vrije zelfhulpbeeld van zijn hoofdpersonage. Om te beginnen maakt hij duidelijk dat je Socrates behalve als rationalist pur sang ook als religieus denker of zelfs als mysticus kunt opvatten. De Griekse filosoof heeft volgens traditionele bronnen namelijk regelmatig contact met zijn daimonion, een soort geleide-engel die hem ervan weerhoudt bepaalde handelingen uit te voeren. Verder kan Socrates’ fameuze adagium ‘Ik weet dat ik niets weet’ op de centrale rol van het onuitsprekelijke in zijn denken wijzen, een begrip dat doorgaans centraal staat in een mystiek discours.

Deze overwegingen verleiden Sneller er echter niet toe om Socrates in een irrationeel kamp te trekken. In plaats daarvan neemt hij een opmerking van psychiater en filosoof Karl Jaspers als uitgangspunt, die de Griekse filosoof als ‘een maatgevend mens’ bestempelde. Met andere woorden, Socrates is een filosofische categorie op zichzelf, stelt zichzelf de wet en is hoogst ambigu. Deze meerduidigheid wordt door Sneller onderzocht aan de hand van de verschillende ‘Socratessen’ die beschreven zijn door Hegel, Kierkegaard, Nietzsche, Strauss en Derrida.

Opvallend genoeg neemt zowel Hegel als Kierkegaard Socrates’ ‘stagnerende’ dialoogstijl als uitgangspunt. Vaak eindigen zijn gesprekken met de vaststelling dat een heldere omschrijving van een begrip als ‘rechtvaardigheid’ onmogelijk lijkt, of hebben de gesprekspartners aan het eind van standpunt gewisseld. Vanwege deze stagnatie valt Hegels oordeel over Socrates negatief uit: de Griekse filosoof belichaamt de belofte van rationeel denken, maar niet de vervulling – hij zadelt de lezer vaak op met nog meer vragen, in plaats van dat hij een afgebakend antwoord geeft op de opgeworpen vraag.

Socrates is een filosofische categorie op zichzelf

Sneller merkt op dat Socrates volgens Hegel ‘de politiek in moest gaan’. Socrates is in zijn ogen te veel met zijn individualiteit bezig en te weinig met de staat. En dat terwijl de Griekse filosoof juist vond dat het individu zijn belang ondergeschikt moest maken aan de staat.

Kierkegaard ziet in Socrates’ stagnerende gespreksstijl juist een grote kracht, die hij benoemt als ironie. Het ironische van dit filosoferen zit ’m in het feit dat hij via het denken op onderzoek uitgaat, maar een antwoord op zijn vragen steeds moet uitstellen. Zo creëert hij als het ware een lege plek, die ruimte biedt voor een spirituele duiding: ‘Socrates beschouwde het als zijn goddelijke plicht om een lege plek te creëren na de vlucht van de goden. Zo’n lege plek is de mogelijkheidsvoorwaarde voor de verdieping van de relatie met iets goddelijks.’ Uiteindelijk is Kierkegaard echter net als Hegel niet tevreden met Socrates’ optreden, omdat de Griek ‘de sprong naar het geloof mist’.

In tegenstelling tot Hegel en Kierkegaard probeert Derrida Socrates niet direct in zijn filosofie in te lijven, maar wijst hij alleen op diens gespreksstijl. Frappant genoeg noemt de Franse filosoof die ‘het zoeken naar een afgrond’, namelijk die van het denken zelf. Vanuit zijn vragende houding ziet Socrates in dat het denken over abstracte begrippen of levensvragen het raadsel alleen maar groter maakt. Doordat hij zich volledig overleverde aan dit mysterie van de filosofie, versmolt Socrates hiermee. Of zoals Sneller schrijft: ‘In feite zoekt hij de afgrond door zich ervoor te openen. Het is de maalstroom van het mysterie dat “filosofie” heet en dat nooit kan worden ontraadseld.’ Precies vanwege dit geheim kan Socrates overal in de filosofie opduiken en kan iedereen zijn eigen ‘Socrates’ hebben.

Het is Snellers verdienste dat hij de problemen rondom Socrates niet kleiner, maar juist groter maakt. Om het met een knipoog naar de oude Griek te zeggen: zo weten we beter dat we niets weten. Het raadsel van het denken zelf wordt helder.

Het raadsel Socrates
Rico Sneller | ISVW Uitgevers | 140 blz. | € 19,95