Home Psychoanalyticus Paul Verhaeghe: ‘We zijn ons lichaam vergeten’

Psychoanalyticus Paul Verhaeghe: ‘We zijn ons lichaam vergeten’

Door Annette van der Elst op 26 november 2018

Psychoanalyticus Paul Verhaeghe: ‘We zijn ons lichaam vergeten’
Cover van 12-2018
12-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

We zijn ons lichaam vergeten, zegt psychoanalyticus Paul Verhaeghe, ook al zijn we er voortdurend mee bezig in de sportschool of op Instagram. Hij schreef er een boek over: Intimiteit.

Hij stuurt zijn patiënten soms eerst naar een masseur. Want wil je een goed leven, zorg dan allereerst voor een goede afstemming met je lichaam, meent klinisch psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe. ‘Mensen die hulp zoeken, zitten niet goed in hun vel. Vaak komen ze vanwege lichamelijke klachten, die als een soort wake-up-call werken. Wat ze vervolgens vaststellen is dat het leven dat ze leiden voor hen niet het goede leven is.’

Wie geen voeling heeft met zijn lichaam wordt ook sneller ziek, zegt Verhaeghe. ‘Wie zich prettig voelt in zijn lijf, heeft minder last van mentale en lichamelijke problemen.’ Hoe dat kan? Volgens Verhaeghe kunnen geest en lichaam niet los van elkaar bestaan. We zijn biopsychosociale wezens: geest, lichaam en omgeving zijn met elkaar verweven. ‘En die verwevenheid wordt veronachtzaamd: in de gezondheidszorg, in de psychologie, in de wetenschap, in de opvoeding en in politiek en beleid.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Merlijn Doomernik

 
Het gesprek vindt plaats in de werkkamer van Verhaeghe — zijn huis staat in een dorp onder de rook van Gent, waar hij aan de universiteit klinische psychologie en psychoanalyse doceert. In zijn kamer staat een — hip vormgegeven — divan, want naast zijn hoogleraarschap heeft Verhaeghe een eigen psychoanalytische praktijk. Op zijn bureau ligt een geopend exemplaar van Aristoteles’ Ethica Nicomachea, het klassieke werk over het goede leven.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Placebo

Verhaeghe besteedt in zijn recent uitgekomen boek Intimiteit veel aandacht aan twee opmerkelijke fenomenen die de verwevenheid van lichaam en geest heel frappant tonen: het placebo-effect en conversie. Bij het placebo-effect reageert het lichaam op pillen zonder medisch werkzame stof. Bij een conversie is er sprake van functieverlies — iemand kan niet meer lopen, bepaalde ledematen niet meer bewegen of niet meer voelen — zonder dat daar een medische oorzaak voor is aan te wijzen. Verhaeghe: ‘Wat placebomedicijnen en conversieverschijnselen laten zien is dat de kracht van verbeelding wonderbaarlijk groot is. De lichamelijke effecten ervan zijn reëel. Je kunt endocrinologische veranderingen waarnemen en meten. En ook de hersenscans van deze mensen zijn vóór en ná een neppil daadwerkelijk anders.’

De lichamelijke effecten van conversie zijn eveneens onbetwistbaar. Ook die zijn waarneembaar met behulp van medische beeldvorming, zoals MRI-scans. Opvallend is dat de scans verschillen van die van mensen die een stoornis veinzen en meer lijken op scans van mensen met een functionele stoornis waarvan de medische oorzaak wél is vastgesteld. Conversie is dus geen bedrog. Bovendien willen de patiënten die symptomen helemaal niet. Ze voelen zich onderworpen aan een kracht die ze niet onder controle hebben, met gevolgen die ze liever kwijt dan rijk zijn, en ze kunnen alleen maar gissen naar waar die kracht vandaan komt.

Verhaeghe laat weliswaar niet na te benadrukken dat ons lichaam en onze geest verweven zijn, maar benadrukt even sterk dat we, zoals hij zegt, structureel gespleten zijn. We zijn ons lichaam niet, we hebben ons lichaam. Helemaal samenvallen met ons lichaam lukt nooit. En dat is maar goed ook. ‘Baby’s ervaren hun lichaam nog, ze vallen er volledig mee samen. Maar zo rond het tweede levensjaar leren kinderen die ervaringen te verwoorden, waardoor er een cruciale splitsing tot stand komt tussen geest en lichaam. En over dat lichaam kunnen we nadenken en spreken. Lichaam en geest worden twee aparte belevingen. Die splitsing is structureel. Het is de deling tussen het lichamelijke en het psychische. Freud benoemt deze tweedeling als bewust versus onbewust, of drift versus ratio. Bij Freud is die innerlijke verdeeldheid vooral negatief. Voor hem was die de bron van conflict, wat op zich wel juist is. Maar ik meen dat die tweedeling ook positief is. Het is namelijk een voorwaarde voor vrijheid. Omdat we niet volledig met onszelf samenvallen, kunnen we afstand nemen en reflecteren over wat we voelen en doen. Daardoor kun je bewustere keuzes maken. Maar we moeten ons lichaam niet vergeten. Het gaat erom daar een goede relatie mee op te bouwen. Want zorgen voor je lichaam is zorgen voor je ziel.’

Doen we dat niet voldoende? We zijn toch obsessief bezig met ons uiterlijk, gezond eten, fitness en sport?
‘Die lichaamscultus staat voor een groot deel in het teken van een objectivering van onszelf, van ons eigen lichaam en dat van anderen. Met als leidende vraag: voldoen we wel aan het ideaal? Kijk naar het verschijnsel “selfie”. De Belgische fotografe Lieve Blancquaert heeft het over de “selfie-smoel”, de duckface, die mensen opzetten wanneer ze een selfie nemen, of wanneer er een fotograaf in de buurt is. Ze proberen zo goed mogelijk te beantwoorden aan de verwachtingen waarvan ze menen dat die bij anderen bestaan. Dat lukt nooit helemaal, nooit voldoet dat beeld. Die preoccupatie met er goed uitzien, met voldoen aan verwachtingen, kan zo zelfs een intieme verhouding met je lichaam in de weg staan.’
 
Wat zijn de gevolgen van een gebrekkige afstemming?
‘Een intieme verhouding met je eigen lichaam hebben, betekent dat je afgestemd bent op de signalen die je lichaam geeft, op de onderliggende affecten. Die herkennen mensen vaak niet, met name bij stress. Het bewustzijn negeert die signalen, mensen gaan rücksichtslos door. Ze lopen met een lijf vol spanning. Die signalen van je lichaam negeren of onderdrukken werkt vervreemdend. Van de mensen met een paniekstoornis, bijvoorbeeld, ervaart een derde alleen de lichamelijke symptomen — ademnood, hartkloppingen —, maar ze beleven de angst niet subjectief. Ze gaan naar de arts omdat ze vrezen een hartaanval te hebben of omdat ze sterke maagpijn hebben. In de DSM [het veelgebruikte diagnostisch handboek voor psychische stoornissen, red.] is deze vorm van paniek geclassificeerd als non-fearful panic attack. Ook bij depressie zie je iets dergelijks: mensen ervaren wel de lichamelijke equivalenten, zoals lusteloosheid en vermoeidheid, maar zonder dat bewust te beseffen. Dit zijn volwassenen die weinig toegang hebben tot de eigen gevoelsbeleving. Mensen zijn gevoeliger voor stress vanwege de lichamelijke reacties op de ervaren stress, zoals een verhoogd gehalte aan cortisol — een stresshormoon — in het bloed, met bijvoorbeeld hoge bloeddruk en diabetes en een minder goed functionerend immuunsysteem tot gevolg. En ook zijn deze mensen minder goed in staat zich te beheersen, wat leidt tot allerlei impulsstoornissen — agressie en verslavingen aan te veel eten, pillen, alcohol, gokken, smartphone, seks. Dit soort stoornissen hangt samen met een verandering in het brein als gevolg van stress.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Merlijn Doomernik

Hoe stem je je af op je eigen lichaam? Daarvoor heb je, zegt Verhaeghe, verbeelding en woorden nodig. Die moet je leren. Belangrijk daarvoor is de eerste liefdesverhouding die je hebt – die met je ouders. ‘Kijk’, zegt Verhaeghe, terwijl hij op zijn smartphone een filmpje laat zien van zijn kleindochter, een peuter nog, met haar armpje in het gips. ‘Waar ze precies pijn heeft, kan ze nog niet goed zeggen. Ze moet de woorden daarvoor aangereikt krijgen. Je ziet vaak ook dat kinderen van deze leeftijd gefrustreerd raken, omdat zij of anderen hun gevoelens niet verwoorden. Als kind kunnen we slechts weten wat we ervaren als de ander ons toelaat het bewust te voelen en ons helpt bij de verwoording. Die hulp betekent niet dat elke gevoelsbeleving alleen maar benoemd moet worden en zo alle ruimte krijgt. Vaak genoeg zal de verwoording van de volwassenen neerkomen op een kanaliserende inperking van het gevoel, waardoor een kind zichzelf beter leert kennen en beheersen.’
 

Spiegelen

Ouders en andere belangrijke figuren leren ons zo de signalen van ons lichaam te herkennen en daar op een adequate manier mee om te gaan. Dat doen ze bijvoorbeeld door wat we in de ontwikkelingspsychologie spiegelen noemen: op een sensitieve manier de gevoelens van een kind benoemen en begrenzen. De grondlegger van de hechtingstheorie John Bowlby noemt dit formatieve identificatie. Deze identificaties krijgen we van buiten aangereikt. Maar willen ze goed werken, dan moeten ze wel overeenkomen met wat een kind ervaart.

De woorden en beelden die ouders en andere mensen in de omgeving van het kind aangeven om te duiden en te benoemen wat in hen omgaat zijn, zegt Verhaeghe, ‘altijd de weerspiegeling van een groter discours’. Achter de concrete ander staat de Grote Ander vervolgt Verhaeghe, luchtig verwijzend naar de Franse filosoof, psychiater en psychoanalyticus Jacques Lacan (1901-1981). Met de Grote Ander bedoelde hij zoveel als de dominante ‘symbolische systemen’. Vormen van symbolisering zijn de verschillenden domeinen in de cultuur, zoals religie, wetenschap, kunst, het recht, zeden en gewoonten, gezondheidszorg. Taal speelt daarbij een cruciale rol, en tegelijkertijd is de taal zelf ook zo’n domein. Voor de toegang tot de werkelijkheid zijn wij aangewezen op symbolische systemen. Ook voor de toegang tot onze eigen werkelijkheid. En dus ook tot ons eigen lichaam.
      
Slaan we dan weer niet door naar de andere kant als we iemand zien als product, slachtoffer soms, van zijn omgeving?
‘Je moet nooit die maatschappelijke kaart trekken. Als hulpverlener probeer je iemand uit een passieve positie te krijgen en diegene langzaam de regie over zijn leven terug te geven. Want machteloosheid, machteloze stress is funest. Onze omgeving is weliswaar zeer bepalend, maar we kunnen — dankzij de structurele verdeeldheid — op onszelf reflecteren. En die mogelijkheid tot zelfreflectie betekent dat je je leven richting kunt geven. En dat je kunt veranderen. Die verandering is nodig wanneer de omgang met je lichaam niets meer met een goed leven te maken heeft. De patiënten die ik hier zie, zoeken vaak op grond van somatische klachten hulp. Bij mensen die moeilijk toegang hebben tot hun gevoelens zie je een lijf vol chronische spanning — Freud sprak in navolging van zijn leermeester Josef Breuer over ‘ingeklemde affecten’. Ik adviseer dit soort patiënten met veel stress en spanning om naar een fysiotherapeut te gaan.

Zo’n moment van crisis is een eerste stap naar bewustwording. Het eerste wat mensen dan vaststellen is dat ze van zichzelf vervreemd zijn. Ze kunnen eigenlijk niet goed voor zichzelf zorgen, want ze hebben niet de vaardigheden gekregen om op een voor hen goede manier met een aantal zaken in het leven om te gaan. En voor een goede zelfzorg is zelfkennis nodig. Het belang daarvan krijgt te weinig aandacht.’
 
Weinig aandacht? Psychologische hulp zoeken en krijgen is in onze tijd toch behoorlijk geaccepteerd? Leven we niet in een tijd met juist veel aandacht voor gevoelens?
‘Ja, maar vaak ook op een foute manier. Als je de geschiedenis van de psychotherapie bestudeert, zie je een verschuiving richting het cognitieve; affecten worden steeds minder belangrijk. Dat is ook al zo bij Freud. Aanvankelijk volgt hij Breuer en diens idee over affectontlading door middel van hypnose. Later wordt Freud cognitiever. Hij heeft het bijvoorbeeld over verdrongen gedachten. Ik ben het in dat opzicht dan ook niet met hem eens. Het verdrongene is lichamelijk. De psyche zetelt in het lichaam. Veel psychotherapie en met name psycho-educatie — nu erg in zwang — is door en door cognitief. Correcties in het denken zouden moeten leiden tot gedragsverandering. Met top-down zelfzorg, gebaseerd op wetenschappelijke kennis: richtlijnen, adviezen op basis van algemene, objectieve inzichten. Maar kennis levert niet automatisch betere zelfzorg. Dat getuigt van een naïeve visie op de mens, als een rationeel wezen dat de zaken eerst rustig op een rijtje moet zetten en dan de juiste wijzigingen doorvoert. Het grootste struikelblok is namelijk om de stap te zetten naar een beter leven, naar betere zelfzorg. Wat ontbreekt is zelfkennis als bewuste gevoelsbeleving.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Merlijn Doomernik

 

Aristoteles

Zelfkennis en zelfzorg moeten leiden tot een beter leven. Dat zijn geen individuele aangelegenheden, benadrukt Verhaeghe. Hoeveel ruimte er is voor intimiteit — met onszelf en met anderen — is ook afhankelijk van de manier waarop we onze samenleving inrichten. ‘In onze tijd, waarin het ik zo centraal staat, is er een risico dat we zelfzorg heel individueel begrijpen. In de zin van “goed voor jezelf zorgen”. Een denker als Aristoteles laat zien dat zelfzorg niet beperkt is tot jezelf, maar is gekoppeld aan de gemeenschap, de polis.’

Een van de voorwaarden van een goed leven — voor jezelf en voor de gemeenschap — is dat individueel genot niet ten koste mag gaan van een ander. Aristoteles analyseert het fenomeen pleonexia: steeds maar meer willen. Daar kunnen we volgens Verhaeghe veel van leren, juist in onze tijd, waarin we alles willen proberen, zo veel mogelijk willen zien, ervaren en genieten. En waarin onze economie gebaseerd is op groei, op meer consumeren. Verhaeghe: ‘Aristoteles zou de richting die we ingeslagen zijn, een samenleving gebaseerd op groei, pure waanzin vinden, uiterst immoreel zelfs. Want voor hem is steeds meer willen een gevaarlijke eigenschap van de mens, omdat het een maatschappij vol onrust oplevert en uiteindelijk tot conflicten en oorlog leidt.’

In een goed leven is ruimte voor genot, maar wel gematigd, vervolgt Verhaeghe. Niet alleen met het oog op de klimaatverandering zullen we een alternatief moeten zoeken voor het groeimodel en ons genot moeten matigen. Er is nog iets fundamentelers, zegt hij. Genot kan omslaan in onlust. We zien dan ook een toename van allerlei verslavingen – aan eten, alcohol, porno en seks, drugs en gamen. Maar ook te hard werken, te gezond eten, te veel en te hard sporten en voortdurend je smartphone bekijken. ‘Mateloosheid leidt tot een slecht leven. Aristoteles spreekt in de Ethica over het belang van het juiste midden. En daar is een reden voor, die te maken heeft met het wezen van genot. Genot houdt een risico in tot grensoverschrijding. Want wat is genot? Het kan te maken hebben met allerlei lichamelijke genietingen — slapen, eten, drinken, seks —, maar die vormen niet automatisch een genotvolle activiteit. Het is het effect van een verhouding tussen mij en mijn lichaam. Naast genot als spanningsontlading — eten wanneer je honger hebt, of een orgasme — is wat we tegenwoordig “flow” noemen een belangrijke vorm van genot, waarbij je met een activiteit samenvalt en het zelfbewustzijn verdwijnt. De conclusie die we daaruit kunnen trekken is dat de belangrijkste voorwaarde om te kunnen genieten het uit handen geven van de controle is. Het lijkt erop dat die ontsnapping aan onze controle geen toevallige eigenschap van het genot is. Die is de aard van genot. Maar controleverlies lokt ook angst uit. Genot en angst liggen dicht bij elkaar. Als ik studenten vraag te beschrijven wat ze voelen bij hun angstigste ervaringen en bij de meest genotvolle ervaringen, dan moeten ze wel vaststellen dat er lichamelijk veel overeenkomsten zijn.’
 
Grenzen aan het genot dus?
‘We kunnen de morele vraag niet uit de weg gaan. Belangrijk is om het juiste midden te vinden. Dat wil niet zeggen middelmatigheid. Maar een matiging en begrenzing, afhankelijk van de context. Dus ook een juist midden tussen individualiteit — in psychologische termen: separatie — en verbondenheid. De laatste decennia hebben we gestreden voor meer individuele vrijheid. Die verkregen autonomie en vrijheid moeten we niet uit handen geven, maar we zullen ook niet moeten doorgaan met individualiseren. Laten we een samenlevingsvorm vinden voor autonomie in verbondenheid. We zouden meer moeten inzetten op samenwerken. Want net zoals lichaam en geest niet twee volledig gescheiden entiteiten zijn, zo maken we als individu ook deel uit van een groter geheel. Misschien wordt het tijd om naast wetenschap ook spiritualiteit een plaats te geven. In de zin dat we onszelf leren kennen als deel van een groter geheel, samen met anderen, waarin betere zelfzorg niet los kan worden gezien van zorg voor de ander. Wellicht komt er dan ook meer ruimte voor intimiteit.’