Home Met zijn mogelijke werelden vernieuwde Saul Kripke (1940-2022) de logica

Met zijn mogelijke werelden vernieuwde Saul Kripke (1940-2022) de logica

De op 15 september overleden Saul Kripke is van ‘nauwelijks te overschatten’ betekenis voor de filosofie, zegt Barteld Kooi, logicus aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Door Maarten Meester op 26 september 2022

Saul Kripke filosoof logica beeld Flickr/Mads Goddiksen

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Saul Kripke werd ook wel ‘Kripkenstein’ genoemd. Waar heeft hij die bijnaam aan te danken?
‘Kripkes boek over Ludwig Wittgenstein is zeer invloedrijk. Als iemand met een nieuwe interpretatie van deze filosoof komt, zijn er altijd kenners die zeggen dat die niet klopt. Kripke trok zich daar niets van aan en reageerde in zulke gevallen ongeveer als volgt: als Wittgenstein deze prachtige gedachten niet bedacht heeft, heb ik ze kennelijk zelf bedacht. Ook goed. Zo iemand was Kripke. Daarom spreken filosofen van Kripkenstein.’

Wat vindt u als filosoof-logicus de belangrijkste bijdrage van Saul Kripke?
‘Zijn analyse van de begrippen “noodzakelijk” en “mogelijk”, de zogeheten modale logica. Vanaf haar begin, al bij Aristoteles, heeft de logica daar moeite mee. Dat heeft onder meer te maken met identiteit: als a = b geldt alles wat voor a geldt noodzakelijk ook voor b. Maar neem de zinnen “Jan weet dat Aristoteles de auteur is van de Ethica Nicomachea” en “Jan weet dat de filosoof de auteur is van de Ethica Nicomachea”. Als Jan niet weet dat de middeleeuwse denker Thomas van Aquino soms “de filosoof” schreef als hij “Aristoteles” bedoelde, ontstaat hier een probleem.’

‘Als scholier publiceert Kripke al over modale logica. Cruciaal is dat hij “mogelijk” analyseert als afhankelijk van hoe de dingen zijn. Dat klinkt triviaal. Maar daarmee benadert hij “mogelijkheid” wel als mogelijk in relatie tot – en dat is nieuw. Zijn idee is: wanneer is iets noodzakelijk? Als iets waar is in alle mogelijke werelden. Wanneer is iets mogelijk? Als het waar is in ten minste één mogelijke wereld. Zijn modale logica bleek later goed van toepassing te zijn binnen de informatica en de kunstmatige intelligentie. Zijn invloed hier is nauwelijks te overschatten. Maar binnen de filosofie geldt hetzelfde. Zo passen een collega en ik Kripke’s ideeën nu toe op de ethiek.’

In 1980 verschijnt het transcript van drie lezingen van Kripke onder de naam Naming and Neccesity. Hoe belangrijk is dat boek geweest?
‘Het is een van de belangrijkste teksten van de twintigste-eeuwse analytische filosofie. Kripke verwerpt daarin bestaande ideeën over namen. In de logica gaat het om geldigheid. Bij een geldig redeneerschema geldt: als de premissen waar zijn, is de conclusie waar. Maar wat is “waar”? Daarvoor heb je een begrip van betekenis nodig. Dat geldt ook voor namen. ‘Neem “Aristoteles”. Denkers voor Kripke zeiden: dat is de afkorting van een beschrijving: “Aristoteles is de leerling van Plato, de auteur van de Ethica Nicomachea”, enzovoorts. Maar Kripke zegt: we kunnen ons een wereld voorstellen waarin Aristoteles de Ethica Nicomachea niet heeft geschreven. Dus in die mogelijke wereld is de naam “Aristoteles” niet de afkorting van de beschrijving “de auteur van de Ethica Nicomachea”. Dus is “Aristoteles” iets anders dan die beschrijving.’

Wat is een naam dan wel volgens Kripke?
‘Een rigid designator, een starre verwijzer. Want als wij een naam gebruiken, verwijst die naar hetzelfde object in alle mogelijke werelden. Identiteit is daarom noodzakelijk. “Aristoteles” verwijst naar hetzelfde in “Aristoteles is de leerling van Plato”, in “Aristoteles is de auteur van de Ethica Nicomachea”, maar ook in “Aristoteles is niet de auteur van de Ethica Nicomachea”.’

Hoe verhouden die mogelijke werelden zich tot ‘onze’ wereld?
‘Kripke is geen realist in de zin dat hij stelt dat werelden los van mensen bestaan; ze zijn wel op de een of andere manier door ons gegeven. Voor namen gaat hij uit van dopen – sommige mensen schrijven dat toe aan zijn afkomst als zoon van een rabbijn. Vanaf het moment dat je een naam krijgt, is die aan je verbonden. Dat geldt ook voor “Aristoteles”. Dat wij die naam nog steeds kunnen gebruiken, komt door een causale keten die is te herleiden tot dat eerste moment.’

Hoe zit het dan met namen van fictieve personages?
‘Over Sherlock Holmes zegt Kripke: het verhaal over hem speelt zich af in een stad die wel echt bestaat, Londen. Het adres waar hij woont, 221B Baker Street, bestaat ook echt. Stel je nou voor dat daar echt iemand gewoond heeft die detective was. Dan nog zouden we niet zeggen dat Arthur Conan Doyle heeft geschreven over die persoon.’

Sherlock Holmes bestaat dus niet noodzakelijk, omdat hij in één mogelijke wereld (de onze) niet bestaat. Maar hij is wel mogelijk, omdat hij in één mogelijke wereld (die van Doyle’s boeken) wel bestaat?
‘Ja, in minstens één fictieve mogelijke wereld is “Sherlock Holmes” gedoopt en bestaat hij.’