Home Dieren ‘Laat die dieren toch uitsterven’ – Haring versus Achterhuis
Dieren Mens en natuur

‘Laat die dieren toch uitsterven’ – Haring versus Achterhuis

Door Marc van Dijk op 05 januari 2012

Cover van 01-2012
01-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

We moeten ons niet blindstaren op uitstervende soorten, stelt Bas Haring in zijn laatste boek Plastic panda’s. Denker des Vaderlands Hans Achterhuis voelde zich geprikkeld, en nodigde de populaire filosoof uit tot een gesprek. ‘Het valt me niet mee om er iets tegen in te brengen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wat zit er achter de argumenten van Bas Haring? De eeuwig jeugdig ogende ‘volksfilosoof’, die zijn gedachten zo speels, helder en eenvoudig verwoordt dat zelfs kinderen ze kunnen volgen, wekt ook weleens wrevel.

In zijn ‘boekjes’, zoals hij ze zelf noemt, sloopt Haring met een sardonisch genoegen onze illusies. De overtuiging dat we als mensen iets voor hebben op computers in De ijzeren wil (2003), het idee dat we gelukkig zouden worden als we maatschappelijk gezien iets bereiken in Voor een echt succesvol leven (2007). En nu moet onze gehechtheid aan panda’s eraan geloven, en aan alle andere dieren en plantjes die met uitsterven bedreigd worden. Het boek Plastic panda’s is een verdere uitwerking van vragen die Haring stelde in zijn essay Het aquarium van Walter Huijsmans, geschreven voor de Maand van de Filosofie in 2009.

Hardop vraagt de Leidse hoogleraar ‘publiek begrip van de wetenschap’ zich af of het eigenlijk wel zo’n ramp is dat de natuur haar ongereptheid verliest en daardoor eenvormiger wordt, minder divers. Om na een verrassende en bij vlagen hilarische zoektocht tot de conclusie te komen dat het met die ramp nogal meevalt.
 

Noach

Bas Haring (1968) is als een Noach die bij het inladen van zijn ark zegt: we hoeven alleen de beesten en plantjes mee te nemen die we echt nodig hebben. De rest is kolderieke franje. Leuk als ze er zijn, maar ik zal ze niet missen als ze verdwijnen. Want wees eerlijk: missen we de rode ral, de Geneefse houting en de tretretretre?

Zijn betoog wekt verontwaardiging, vertelt Haring. Mensen vragen hem of hij soms niet begrijpt dat de natuur op instorten staat. Het is wat hij zelf het ‘Jenga-argument’ noemt, ontleend aan een vergelijking die hij een wetenschapper op tv hoorde maken. Haring: ‘Bij het spel Jenga trek je om beurten een houten blokje uit een toren van blokjes, totdat hij omvalt. Zo was het volgens de wetenschapper met de natuur ook: je kunt een boel blokjes weghalen en de toren blijft staan, maar op een gegeven moment stort de toren in. Je weet van tevoren niet welk blokje het finale blokje zal zijn en dús moet je erg voorzichtig zijn met alle blokjes.’

Een ‘mooie en angstaanjagende vergelijking’, volgens Haring, maar niet waar. Zelf vergelijkt hij de natuur liever met de economie: ‘Als er een bedrijf failliet gaat, stort de economie niet in. Toen Fokker failliet ging, had dat economisch gezien wel grote effecten, maar niet de instorting van de economie. Het verdwijnen van een enkele soort kan ook best een groot en onvoorzien effect hebben, maar niet de instorting van de natuur.’

Deskundigen reageren iets genuanceerder op zijn boek dan de leken die het einde van al het leven vrezen. Maar ook met hun reacties is iets vreemds aan de hand, merkt Haring. ‘Biologen lijken het uitgangspunt dat alle soorten ertoe doen vaak te baseren op de “intrinsieke waarde” van soorten. Anders gezegd: soorten doen er volgens hen sowieso en “van zichzelf” toe. Dat biologen zich hierop baseren heeft, denk ik, te maken met het feit dat ze vaak wel weten dat de natuur het vanuit een biologisch oogpunt best met minder soorten af kan. Vooral academische onderzoekers weten dat de productiviteit en stabiliteit van een ecosysteem niet vallen of staan bij een soortje erbij of een soortje eraf. Daarom schermen ze met die zogenoemde intrinsieke waarde, terwijl dat eigenlijk geen term uit de biologie, maar uit de filosofie is.’

Andersom baseren filosofen zich juist op biologische argumenten ten gunste van soorten, zegt Haring. ‘Omdat zij dondersgoed weten dat het hele argument van “intrinsieke waarde” filosofisch gezien nogal dun is: wanneer heeft iets intrinsieke waarde dan? En als er iemand nodig is om die intrinsieke waarde vast te stellen, is er dan nog wel sprake van intrinsieke waarde? De meeste filosofen houden zich daar verre van, en bekritiseren mij liever door te zeggen: “Meer soorten betekent toch een betere natuur, een stabielere natuur, überhaupt meer natuur?” Maar dat zijn aannames die een bioloog niet snel zal onderschrijven.’
 

Ossobuco

Is het dan werkelijk niet mogelijk om een bres te slaan in de argumentatie van de geslepen uitdager, die naar eigen zeggen niet uit is op provocatie? Hans Achterhuis (1942), emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit Twente en door Trouw en Filosofie Magazine uitgeroepen tot Denker des Vaderlands, voelde zich geroepen om op z’n minst een poging te wagen. In een Utrechts restaurant gaat hij op een zonnige middag bescheiden en vriendelijk in gesprek met zijn jongere opponent. Achterhuis met een kopje koffie, Haring met witte wijn en ossobuco.

Hans Achterhuis: ‘Ik ben het eens met wat je schrijft over soorten. Soorten zijn constructies van de mens, waar we ons niet blind op moeten staren. En dat jouw visie “te mens-centrisch” zou zijn: ik zou niet weten hoe het anders zou moeten.

Jaren geleden moest ik eens een discussie leiden in reactie op een lezing van de Britse schrijver Clive Ponting. In zijn boek A Green History of the World (1991) stelde hij dat de mensen ten onder zullen gaan aan de verwoesting van de planeet, omdat we de planeet niet kunnen verlaten als het te laat is. We zullen eindigen zoals ooit de bewoners van Paaseiland: toen het eiland uitgeput was, hadden ze geen bomen meer om boten van te maken om naar het vasteland te varen. De aarde is ons Paaseiland: wij hebben ook geen ontsnappingsmogelijkheden in het heelal.

Wat mijn studenten ook tegen Pontings verhaal inbrachten, hij kon het allemaal weerleggen, omdat ze met hun argumenten binnen zijn denkraam bleven. Iets soortgelijks ervaar ik bij jou: het valt me niet mee om iets tegen je verhaal in te brengen. De enige manier waarop ik dat kan doen, is door buiten jouw grondaannames te gaan staan, zoals het mensbeeld, of de houding die je hanteert. Je lijkt de mens boven alles te zien als een Homo economicus, een arbeidend dier, zoals Hannah Arendt het formuleerde. Voor de Homo economicus draait alles om arbeid, consumptie, overvloed, geluk. Laten we de houding die daarbij hoort definiëren als “overleven”.

Maar Arendt onderscheidde nog een andere houding: de gerichtheid op duurzaamheid, op dingen die blijven en die de mens overstijgen. Laten we die houding “wonen” noemen. Mensen beïnvloeden niet alleen hun omgeving, maar de omgeving beïnvloedt de mensen ook. Omdat die omgeving de mensen overleeft; het verleden blijft erin bewaard. Zoals sommige kunstwerken ons blijvend bepalen.

Vanuit die houding “wonen” kan ik vragen stellen bij jouw verhaal. De wereld is er in jouw werk louter voor onze behoeftes. En er is pas sprake van een ramp wanneer we die behoeftes niet meer kunnen bevredigen. Bij jou komt nergens aan de orde dat er in de wereld gewoond wordt.’

Haring: ‘Is dat zo? Juist vanwege het feit dat er in de wereld gewoond wordt, of simpeler: vanwege het feit dat wij er zijn, met zoveel mensen, vind ik mijn vragen relevant.

Ik zag laatst een oproep van de Russische oud-president Michail Gorbatsjov, oprichter van milieuorganisatie The Green Cross. Hij zegt: “We moeten ons realiseren dat we te gast zijn op deze planeet.” Ik vind dat onjuist. Het maakt ons te klein. In een hotelkamer, daar ben ik te gast. Maar in een hotelkamer kom ik niet binnen met grote potten verf en een set nieuwe gordijnen.

Wij kunnen wel doen alsof we op deze wereld te gast zijn, maar we zijn voortdurend in de weer met potten verf en nieuwe gordijnen. Wij wonen hier en we verbouwen ons huis voortdurend ingrijpend. We zijn nog niet echt gewend aan die rol. Honderd jaar geleden waren we nog maar met 1,5 miljard; toen was het logisch om te denken dat we slechts een onderdeeltje waren binnen de natuur, die los van ons bestond. Maar inmiddels zijn we met 7 miljard en kunnen we dat niet meer zeggen. Door ons als gasten voor te doen, lopen we juist weg voor onze verantwoordelijkheid.’

Achterhuis: ‘Oké, wij veranderen de wereld, en dat is ook goed. Maar de wereld gaat ook aan ons vooraf, en de wereld zal ons overleven. En dat is een ander gevoel dan dat wat jij oproept, als je berekent of iets een ramp is of niet.

Ik heb vroeger weleens over het oerwoud geschreven. Er was eigenlijk geen fundamenteel argument om de kap te veroordelen. Behalve dat van de plaatselijke bevolking, die zei: “Het is onze woning.” Dat argument staat als een huis.

Machiavelli zei: “Florence is mij dierbaarder dan mijn eigen leven.” De liefde voor je stad, je geboorteplaats, de verbondenheid met land en wereld kan voor mensen heel belangrijk zijn. Het is vreselijk als een gebied vanaf de tekentafel opnieuw wordt ingericht, zonder dat de vele natuur- en cultuurhistorische lagen daarin worden verwerkt en zichtbaar blijven. Neem de door ingenieurs geplande natuur op het Zuid-Hollandse eiland Tiengemeten, een voormalig landbouwgebied. De lokale boeren hielden van dat land. In discussies over dit soort omstreden herbestemmingen kun je vanuit jouw paradigma weinig anders doen dan je schouders ophalen.’

Haring: ‘Ik worstel wel met die verbondenheid – terecht dat je dat aansnijdt. Ergens voel ik wel dat die bij mij onvoldoende aan de orde komt. Misschien heb ik een bepaalde vooringenomenheid jegens dat thema. Het kan met mijn persoonlijkheid te maken hebben. Mijn familie is bijvoorbeeld heel “los”; ik zie mijn zussen één keer per jaar.

Maar het kan ook zijn dat je overdrijft. Dat wat jij ziet als tekenen van verbondenheid met vorige generaties uiteindelijk toch ook maar gewoon iets is wat weer vervliegt. Wat wij waardevol vinden met het oog op onze geschiedenis, vonden ze honderd jaar geleden misschien helemaal niet waardevol. En over honderd jaar koesteren de mensen weer iets anders.’

Achterhuis: ‘Waardes kunnen verschillen, als de grondhoudingen verschillen. De grondhouding “wonen” leidt tot andere waardes dan de grondhouding “overleven”. Vanuit die tweede houding kun je bijvoorbeeld niet over een landschap nadenken als over iets wat heel veel cultuur- en natuurhistorische lagen heeft. Terwijl een landschap voor de mensen die er wonen “leesbaar” kan zijn. Als je dan zegt: “Maïsvelden aanleggen is prima in plaats van eeuwenoud bos”, dan gaat er duidelijk iets kapot voor de mensen die daar wonen. Dat is allebei mens-centrisch, maar het komt voort uit een andere houding.

Je kunt er niet als vanzelfsprekend van uitgaan dat alles er is voor de mens, en dat de mens alles naar zijn wensen kan veranderen. Ook jij lijkt je dat wel te realiseren, want in dit boek geef je ook aan dat dingen niet té snel moeten veranderen.

Hannah Arendt stelt dat mensen hun identiteit alleen maar krijgen door de vastheid van de wereld die ze bouwen, het huis waar ze wonen. Als die stabiliteit er niet is, worden mensen heel vluchtig. Het blijven mensen, ze kunnen nog prima consumeren en overleven. Maar het beeld van zo’n mensheid boezemt mij toch angst in. In je vorige boekje stond een plaatje van “Zeeland in de 26ste eeuw”: een foto van Hongkong. Gruwelijk vind ik dat. En het gekke is: als jij over jezelf praat – want je werk is heel persoonlijk, en dat vind ik sterk –, dan wek je zelf helemaal niet de indruk dat jij zo iemand wilt zijn. En toch laten je redeneringen de mogelijkheid open om nergens mee verbonden te zijn.’

Haring: ‘Toen ik veertien was, kocht ik een rekenmachine van HP, type 15C. Die heb ik nog steeds. Het is de beste rekenmachine die ooit gemaakt is. Ik hou van die rekenmachine. Alle producten die ik om me heen verzamel, zijn dat soort producten. Eigenlijk ben ik heel behoudzuchtig. Ik zie wel dat ik deels gedefinieerd word door dingen die onveranderlijk blijven. Maar aan de andere kant merk ik dat ik zelf zo vreselijk veranderlijk ben. Ooit was Bergen aan Zee heel erg belangrijk voor me, vanwege mijn jeugd, vanwege mijn ouders. Als ik er nu naartoe ga, ervaar ik dat helemaal niet meer. Ik word steeds iemand anders.’

Achterhuis: ‘Bas 1, Bas 2, Bas 3… zoals je het eerder noemde. Michel Houellebecq beschrijft dezelfde ervaring. Ik herken dat gevoel. En juist daarom ben ik blij dat er ook een objectieve wereld is buíten mij. Een wereld die in de tijd wél min of meer gelijkblijft, of op zn minst constanten vertoont, los van wat ik ervan vind. Een wereld die mij transcendeert, die mijn ervaring overstijgt. En van daaruit kun je óók denken.’

Haring: ‘Dat is waar. Ik zou daar meer oog voor mogen hebben.’

Achterhuis: ‘Maar goed, jij moet je eigen vragen stellen, en dat doe je ook. En trek je in godsnaam niets aan van mensen die nu zeggen dat jij de klimaatsceptici en de natuurhaters helpt. Natuurlijk maakt jouw algemene redenering het mensen makkelijk om te zeggen: “Tarwe is ook groen, dus weg met dat natuurgebied.” Maar dat mag jou er niet van weerhouden om te redeneren.
In de tijd dat ik kritiek uitte op Jan Tinbergens visie op ontwikkelingssamenwerking, zette hij me nogal onder druk. Hij was ontzettend aardig, en we trokken veel samen op. Maar in de achterkamer zei hij dan: “Denk aan die arme Afrikanen. Ook al klopt jouw verhaal grotendeels, je moet het voor je houden, want de politiek zal het misbruiken om de ontwikkelingshulp de nek om te draaien.” De kreet was dan: we moeten rechts niet in de kaart spelen.”

Haring: ‘Terwijl jouw kritiek uiteindelijk alleen maar goed was voor de ontwikkelingssamenwerking. Dat geldt voor mijn boek denk ik ook: als natuurbeschermers niet de juiste argumenten gebruiken voor hun goede doelen, dan snijden ze zichzelf daar op een dag mee in de vingers.’

Achterhuis: ‘O wee wanneer je als filosoof bepaalde vragen niet meer gaat stellen, of je conclusies verzwijgt.’