Home Werk Vita activa: arbeid, werk en handelen
Werk

Vita activa: arbeid, werk en handelen

'Het vraagstuk is niet hoe de discriminatie moet worden afgeschaft, maar hoe zij beperkt kan blijven binnen de sociale sfeer waar zij legitiem is.'

Door Pieter Tijmes op 23 september 1999

Vita activa: arbeid, werk en handelen
08-1999 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

In haar fameuze hoofdwerk The Human Condition zet Hannah Arendt de lijnen uit van haar politieke denken. Ze wijst op drie activiteiten die tezamen het vita activa, ons actieve leven, vormen: arbeid, werk en handelen. Alle drie corresponderen ze met een van de basisvoorwaarden voor het menselijk leven op aarde. ‘Arbeid’ heeft te maken met het biologische proces van het menselijk lichaam, ‘werk’ met de onnatuurlijkheid van het menselijk bestaan, en ‘handelen’ met de veelvormigheid van mensen.

In onze moderne cultuur is arbeid dominant geworden. En arbeid staat in de ordening van Arendt het laagst. Onder arbeid verstaat zij die activiteit die de mens gemeen heeft met de dieren en die gedicteerd wordt door de biologische noodzakelijkheid van productie en consumptie. Tot op zekere hoogte kan men de last hiervan op anderen afschuiven, maar het leven blijft aan deze arbeidscyclus geketend. In de klassieke oudheid hebben bijvoorbeeld de Grieken de arbeid veelal afgeschoven op vrouwen en slaven. Op de schouders van de laatsten kwam de materiële reproductie te liggen, zodat de beter bedeelden de handen vrij hadden voor andere activiteiten.

Modelleren

Werk is iets anders dan arbeid. In het werk worden duurzame producten, zoals gebruiksvoorwerpen, artistieke voorwerpen, gebouwen, monumenten, gefabriceerd. Dat zijn scheppingen van de mens die als het ware tegenover hem staan. Zij vormen zijn menselijke, dat wil zeggen niet-natuurlijke, wereld. Hierop heeft de mens z’n stempel gedrukt. Werk betekent veelal eenzaamheid en het is onnatuurlijk in de zin dat het de gegeven natuur transformeert.

Fabrieksarbeid met zijn productie van massaconsumptieartikelen rekent Arendt tot arbeid en niet tot werk. De arbeider is slaaf van het ritme van de machine. Hij modelleert niet creatief de natuur, maar neemt slechts deel aan het productieproces om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. De vrucht van zijn inspanningen is een consumptiegoed met een zo kort mogelijke levensduur. De moderne tijd heeft in Arendts ogen een enorme uitbreiding van arbeid ten koste van werk te zien gegeven.

‘Handelen’ waardeert Hannah Arendt als de hoogste menselijke activiteit. Mensen zijn verschillend en vertegenwoordigen in haar visie allen iets nieuws en iets unieks. In het handelen geven zij daaraan uitdrukking. Handelen wordt niet voorgeschreven door de natuur (arbeid) en is ook geen eenzame aangelegenheid (werk), maar voltrekt zich in de publieke ruimte die mensen met elkaar kunnen vormen. In de sfeer van het handelen laten mensen aan elkaar zien wie zij zijn. In die sfeer is pas echt sprake van vrijheid. Het resultaat van handelen is onvoorspelbaar. Niemand kan het voorzien – een kenmerk van menselijke veelvormigheid en vrijheid volgens Hannah Arendt.

Wat vrijheid is, legt Arendt uit aan de hand van de Griekse polis of stadstaat. In het oude Athene waren volgens haar twee sferen scherp van elkaar onderscheiden: de privé-sfeer en de politieke sfeer. De eerste sfeer was die van het huishouden, van de arbeid dus. De Atheense burger heette daar despoot. In het huishouden deelde hij de lakens uit. De gezins- en familieleden, en niet te vergeten de slaven, voegden zich naar zijn bevelen, goedschiks of kwaadschiks, vrijwillig of onder bedreiging met geweld. De gehele privé-sfeer stond in het teken van de biologische behoeften en straalde onvrijheid uit zowel voor de heer als voor de ondergeschikten.

De vrijheid beleefde de Atheense burger op de agora, de publieke ruimte, waar hij zijn medeburgers als gelijken ontmoette. Daar onderhandelde men over de zaken van de polis, daar bedreef men politiek. Men nam beslissingen op grond van woorden en overtuigingen, maar niet krachtens dwang of geweld. Dat was ‘handelen’: politiek bedrijven in de polis. De hoogste menselijke activiteit.

Technische kwestie

De Griekse polis ging ten onder. Eeuwen later opende de Franse revolutie de poorten van de politieke sfeer voor de armen. Dat had tot gevolg dat de sociale kwestie binnen de politiek werd getrokken: de politiek hield op politiek te zijn en werd sociaal. Hannah Arendt betreurt deze verontreiniging van de politiek door het sociale, omdat vraagstukken van het sociale niet met specifieke politieke middelen (overtuigen en overreden) kunnen worden opgelost. De sociale vragen horen haars inziens thuis in de sfeer van de huishouding en vormen veelal een technische kwestie die goed kan worden opgelost door deskundigen.

Hannah Arendt sluit dus niet aan bij ons alledaags begrip van politiek. Dat geeft haar de mogelijkheid om sociale vraagstukken als administratieve aangelegenheden af te doen. Haar eigenzinnige definitie van het politieke levert natuurlijk een probleem op voor de vraag of zij als politiek denker een verhelderende bijdrage levert aan het denken over de hedendaagse politieke situatie.

Deze vraag wordt dringend als men terugdenkt aan de geruchtmakende discussie over haar artikel ‘Little Rock’, waarin zij de sfeer van het sociale, de sfeer van het politieke en de privé-sfeer probeert uiteen te rafelen. Het lijkt erop dat haar artikel racistisch is besmet. Wat is het geval? Little Rock in Arkansas was het centrum van de strijd voor gelijkberechtiging van de zwarten in de Verenigde Staten. Om zwarte kinderen de toegang tot de school van blanken mogelijk te maken, greep Eisenhower zelf in. Deze staatsinterventie in de sfeer van de maatschappij keurt Hannah Arendt af. De discussie laat zien hoe serieus zij haar uitgangspunt neemt in haar eigen onderscheidingen om de politieke praktijk te beoordelen. Zij schuwt niet haar dwarse opinies te ventileren tegen de liberale stroom in. Vele uitspraken van haar schieten in het verkeerde keelgat. Ik citeer er enkele van: ‘Onderdrukte minderheden zijn nooit de beste beoordelaars om zich uit te spreken over de volgorde van prioriteiten die zij zich dienen te stellen.’ Of: ‘Niet de sociale gewoonte van segregatie is onconstitutioneel, maar de uitvoering ervan bij wet (legal enforcement).’ Of : ‘Het vraagstuk is niet hoe de discriminatie moet worden afgeschaft, maar hoe zij beperkt kan blijven binnen de sociale sfeer waar zij legitiem is. Discriminatie dient voorkomen te worden in de politieke en persoonlijke sfeer.’

Exclusiviteit

Zoveel wordt in ieder geval duidelijk: in de maatschappij (de sociale sfeer) is segregatie of discriminatie normaal en in haar ogen geoorloofd. Expliciet keurt Hannah Arendt het goed dat vakantieoorden etnische groepen weren, omdat zo’n maatregel in het perspectief ligt van het recht op vrije vereniging. Haar overtuiging wordt begrijpelijker als men weet dat zij drie sferen onderscheidt, namelijk de politieke, de sociale en de privé-sfeer, die gekenmerkt worden door drie verschillende principes. In de politieke sfeer heerst gelijkheid, in de sociale sfeer heerst het principe van discriminatie (soort zoekt soort). Volgens haar zou zonder de een of andere vorm van discriminatie de maatschappij ophouden te bestaan. De derde sfeer, de privé-sfeer, wordt geregeerd door exclusiviteit, niet door gelijkheid of discriminatie. Hier kiezen wij hen uit met wie wij ons leven willen delen.

De Franse Revolutie heeft de politiek met het sociale vraagstuk verontreinigd, stelt Arendt. Ze voelt meer voor de Amerikaanse revolutie, die ze zelfs een beetje verheerlijkt. In Amerika togen de afgevaardigden naar de conventies, niet uit plicht of eigenbelang, maar omdat zij bovenal behagen schepten in de discussies, de beraadslagingen en het nemen van beslissingen. Wat Hannah Arendt met name voor ogen staat, is geënt op menselijke mogelijkheden die John Adams van zeer wezenlijk belang achtte, namelijk het zich onderscheiden. ‘Overal waar men mannen, vrouwen of kinderen aantreft (..), ziet men dat ieder sterk gedreven wordt door een verlangen om gezien, gehoord, bevestigd en gerespecteerd te worden door mensen om hem heen die hij kent.’

Hannah Arendt waardeert de politiek dus als de plaats van verschijning, als de plaats waar ik aan anderen verschijn en anderen aan mij verschijnen. Armoede is ook in haar ogen een probleem. Niet zozeer omdat het de arme mens aan materiële zaken ontbreekt, maar omdat hij niet gehoord en gezien wordt op de agora. Ze verduidelijkt dit met een citaat van John Adams: ‘Het geweten van de arme man is zuiver, toch is hij beschaamd. Hij voelt zich buiten het gezichtsveld van de anderen, tastend in het duister. De mensheid neemt geen notitie van hem. Hij zwerft en doolt zonder dat iemand op hem let. (..) Hij ontmoet geen afkeuring, veroordeling of verwijt. Hij wordt alleen niet gezien. Het feit dat je geheel over het hoofd wordt gezien en dat je dat weet, is onverdraaglijk.’ Niet de behoeftigheid, maar de obscuriteit is de vloek van de armoede.

Dit is een (bewerkt en ingekort) hoofdstuk uit De denkers; een intellectuele biografie van de twintigste eeuw