Home Mens en natuur Bas Haring: ‘Waarom zou je je druk maken om het milieu?’
Mens en natuur

Bas Haring: ‘Waarom zou je je druk maken om het milieu?’

Door Frank Meester op 24 maart 2009

03-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Zelfs als we het regenwoud vervangen door maïsvelden, dan nog zullen de mensen in de toekomst daar vermoedelijk niet echt ongelukkig van worden.’ Interview met Bas Haring, die voor de Maand van de Filosofie een dwars essay schreef over het milieu.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Ik woon het liefst in de natuur’, zegt Bas Haring. De filosoof heeft een mooi houten huis met uitzicht over de weilanden. Het staat aan de rand van het pittoreske plaatsje Ransdorp, vlak naast de stompe kerktoren die zo karakteristiek is voor het Noord-Hollandse dorpje. Haring is erg gehecht aan zijn huis, dat hij eigenhandig verbouwde. ‘Ik vind het fijn, zo’n stuk land om mijn huis, waar ik lekker kan scharrelen.’
Misschien wat vreemd dat juist deze liefhebber van de buitenlucht in zijn essay Het aquarium van Walter Huijsmans, dat hij schreef voor de Maand van de Filosofie, de zorg voor het milieu ter discussie stelt. Is dat wel verstandig in deze tijd waarin wetenschappers keer op keer aantonen dat door menselijk handelen het klimaat verandert en de biodiversiteit afneemt? ‘Begrijp me niet verkeerd’, reageert Haring. ‘Ook ik maak me zorgen om het milieu. Maar ik vraag me in het essay af op grond van welke argumenten. Waarom maak ik me zulke zorgen? Het essay is een persoonlijke, twijfelende zoektocht.’

Toekomstige generaties

Veel mensen voelen zich volgens Bas Haring verantwoordelijk voor het milieu vanwege hun zorg voor toekomstige generaties. Ook zij moeten straks kunnen wonen in een leefbare wereld. Het aquarium van Walter Huijsmans begint met de vraag of wij ons inderdaad verantwoordelijk moeten voelen voor de mensen die na ons komen. ‘Ja, natuurlijk’, is het voor de hand liggende antwoord. Maar als iets voor de hand ligt, wordt Haring juist achterdochtig. ‘Misschien moet je die vraag wel met ja beantwoorden, maar dan zou ik toch eerst eens willen kijken waarom eigenlijk. Dat is wat ik als eerste doe in mijn essay: ik ga langs een verzameling mogelijke antwoorden.’

Een antwoord dat je vaak hoort is dat we, net zo goed als we rekening houden met onze eigen toekomst, ook de toekomst van de mensheid als geheel moeten veiligstellen. Geen goed argument, meent Haring: ‘Bij je eigen toekomst heb je zelf belang. Bij de toekomst van de mensheid niet. Dus die vergelijking gaat niet op. Natuurlijk kun je dan zeggen dat het je om je kinderen, je kleinkinderen en de kinderen van je kleinkinderen gaat, dus om mensen die weliswaar in de toekomst leven, maar je toch heel nabij zijn. De logische consequentie van dat antwoord is alleen wel dat mensen zonder kinderen zich niet om toekomstige generaties hoeven te bekommeren.’

Zo maakt Haring van veel bekende argumenten gehakt. Er is eigenlijk maar één argument dat hij echt bevredigend vindt. ‘Ik wil ook mensen die ik niet ken geen kwaad doen. Ik kan heel gemakkelijk met mijn auto het bos in rijden om daar zonder dat iemand het ziet mijn grofvuil te storten, maar ik doe het niet, want ik weet dat ik daarmee vreemdelingen tot last ben. Mensen in de toekomst zijn voor ons ook vreemdelingen. Net zo goed als ik vreemdelingen van nu geen last wil bezorgen, wil ik dat ook niet doen met vreemdelingen van de toekomst. Die vergelijking klopt volgens mij wel.’

Een wereld zonder tijgers

Goed, we moeten dus wel rekening houden met toekomstige generaties. Maar betekent dat ook dat we ons moeten bekommeren om het milieu? Haring: ‘We zouden onze milieu-onvriendelijke levensstijl moeten aanpassen om toekomstige generaties niet in een onleefbare wereld achter te laten. Bij deze redenering heb ik weer zo mijn twijfels. “Ik wil niet dat mijn kleinkinderen in een wereld leven zonder tijgers”, hoor je wel zeggen. Ik vraag mij af of wij de toekomstige generaties werkelijk kwaad doen. Zijn wij boos op voorgaande generaties omdat zij ons iets hebben aangedaan? Nee, natuurlijk niet. Eigenlijk hebben we daar wel reden toe: het overgrote deel van de ellende in de wereld is totaal buiten onze schuld veroorzaakt ver voor onze geboorte. Toch zijn we niet boos; we voelen ons zelfs geroepen er iets aan te doen. En laten we eerlijk zijn: er valt goed te leven in deze wereld. In de toekomst zal de wereld ook niet onleefbaar zijn. Zelfs als we het regenwoud vervangen door maïsvelden, of aangeplante productiebossen, dan nog zullen de mensen in de toekomst daar vermoedelijk niet echt ongelukkig van worden. In het ergste geval wordt het als in Hongkong: mensen die dicht op elkaar wonen in een omgeving met een slechte luchtkwaliteit. Dat zal voor die toekomstige generaties de uitgangssituatie zijn. Ik denk niet dat ze eronder zullen lijden en ik denk dus ook niet dat wij hun dan kwaad hebben gedaan. Waarschijnlijk maken zij zich zorgen over heel andere dingen. En iets is pas erg als mensen het als erg ervaren.’

Het is ontzettend moeilijk om te bepalen in wat voor soort wereld de toekomstige generaties willen leven, meent Haring. ‘Het is zelfs gevaarlijk om je daar al te veel op te richten. In het verleden hebben mensen dat wel gedaan, en totaal verkeerde inschattingen gemaakt. Neem het dorpje Nagele, dat in de jaren vijftig uit de grond is gestampt in de Noordoostpolder.’ Architecten van het Nieuwe Bouwen als Gerrit Rietveld en Mien Ruys ontwikkelden dit dorp op de tekentafel vanuit hun ideeën over een goed leven: veel ruimte, groen en strakke, heldere vormen. ‘Nu vinden wij die vierkante huisjes met uitzicht op een grasveld met coniferen intens saai. Hetzelfde zie je bij de Bijlmer. Ook ontstaan vanuit goede bedoelingen. Saai is voor de Bijlmer misschien niet het juiste woord, maar dat mensen er niet graag wonen is zo langzamerhand wel duidelijk. Mijn generatie woont liever in een oud huis in een pittoresk dorp als Ransdorp. Dat het een populaire woonomgeving is, blijkt alleen al uit de prijzen. Net als jarendertighuizen met “originele details”, ook bijzonder geliefd bij mensen van mijn generatie. Maar ook weer niet bij iedereen. Veel allochtonen willen helemaal niet in zo’n oud huis wonen. Zij vinden nieuwbouw veel prettiger. Het is dus moeilijk te zeggen waar mensen waarde aan hechten, helemaal als het gaat om mensen in de toekomst. Als je daar nu rekening mee houdt, is de kans groot dat je de fout in gaat.’

‘Trouwens, de problemen die wij nu ondervinden met het milieu komen net zo goed voort uit pogingen uit het verleden om de wereld te verbeteren voor de toekomst. De luchtverontreiniging ontstaat voor een deel doordat mensen altijd de indruk hebben gehad dat wij ons graag makkelijk willen kunnen verplaatsen. Misschien vinden toekomstige mensen die verplaatsingsmogelijkheid wel belangrijker dan de luchtkwaliteit. Dezelfde techniek die verontreinigt zorgt er ook voor dat we steeds langer leven. Overigens is het logisch gezien net zo goed mogelijk het argument om te draaien: als je geen rekening houdt met de toekomst, is de kans ook groot dat het fout gaat.’

Bekijken we het nu niet te veel vanuit de mens? Er zijn ook nog dieren op deze aarde die pijn lijden door onze activiteiten. Is dat op zich niet al een reden om die milieu-onvriendelijke activiteiten te staken? Haring: ‘Als dieren pijn lijden vind ik dat erg, natuurlijk. Maar lijden dieren bijvoorbeeld doordat de biodiversiteit afneemt? Ik denk het niet. Als soorten uitsterven, voelen ze juist geen pijn meer. De afname van de biodiversiteit kun je eigenlijk alleen met esthetische argumenten verwerpen. Je kunt de wereld minder mooi vinden doordat bepaalde dieren of planten er niet meer zijn. Maar die uitgestorven dieren en planten hebben er zelf geen last meer van. Kijk, als de wereld eruit zou gaan zien als het aquarium van een vriend van mij op de lagere school, dan moeten we snel wat gaan doen. Hij spoot daar inktvullingen in en schonk er de karnemelk in die hij niet lustte. Elk week moest hij weer een nieuwe vis kopen omdat er eentje was overleden. Maar zo zal het er niet aan toegaan op de aarde.’

De vraag blijft wel waarom zoveel mensen zich toch willen inzetten voor het milieu juist vanuit hun verantwoordelijkheid tegenover toekomstige generaties. ‘Ik denk dat het komt doordat mensen graag in vooruitgang geloven’, antwoordt Haring. ‘Ze denken dat het leven steeds beter moet worden. Als dat een keer niet zo lijkt te gaan, hebben ze direct het idee dat ze moeten ingrijpen. We zien de hele geschiedenis in het licht van de vooruitgang. Als we naar het verleden kijken, vallen ons alleen de stapjes op die wij zien als vooruitgang. Al die stapjes die ons niet vooruitbrachten – passen op de plaats of stappen terug – zien we niet. Maar die hele gedachte van vooruitgang is een menselijke projectie. In werkelijkheid nemen we gewoon stapjes. De ene keer noemen we zo’n stap vooruitgang, de andere keer weer niet, afhankelijk van wat we belangrijk vinden op dat moment.’

Dus we kunnen de mensheid van de toekomst niet helpen, want we zullen nooit weten wat die wil? ‘Haring: ‘Het is inderdaad lastig. Het best kun je dus meer urgente kwesties proberen op te lossen en je wat minder bekommeren om de lange termijn. Want waarom zouden we ons meer druk maken over de vreemdeling van de toekomst dan over de vreemdeling van nu?’

Bas Haring (1968) is filosoof, schrijver, hoogleraar en televisiepresentator. Ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie schreef hij het essay Het aquarium van Walter Huijsmans, waarin hij de noodzaak van zorg voor het milieu ter discussie stelt. Eerder verschenen van zijn hand Voor een echt succesvol leven (Nijgh en Van Ditmar, € 10,-), Kaas en de evolutietheorie en De ijzeren wil (Houtekiet). Ook maakte hij twee televisieseries voor de RVU, Stof en Haring, waarin hij alledaagse filosofische problemen onderzocht. Sinds 2006 is Haring bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden met de leerstoel ‘Publiek begrip van wetenschap’.