Home Kleine geschiedenis van de moraal

Kleine geschiedenis van de moraal

Door Florentijn van Rootselaar op 10 december 2008

10-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Wat hebben filosofen gezegd over wat mag en niet mag? Over bumperkleven, het correct invullen van belastingformulieren en te veel geld teruggeven aan een vriendelijke winkelier.

Het juiste midden
Aristoteles
(384-322 v.Chr.)

Houd het juiste midden, zegt Aristoteles. Een voorbeeld: hoe ga je om met je eigen ongeduld? Iemand die ongeduldig is, zal misschien voordringen in een winkel, of ook bumperkleven. Aan de andere kant staat iemand die op de snelweg altijd 70 rijdt, tot ergernis van de andere weggebruikers. Een verstandig mens zal trachten het juiste midden te houden tussen deze twee uitersten. Daarbij is er niet een maat te geven: het komt er altijd op aan rekening te houden met de omstandigheden waarin je verkeert. Overigens betekent dat niet dat je altijd opnieuw een afweging hoeft te maken. Door je te oefenen in de goede handeling zal die steeds vanzelfsprekender worden. Dan hoef je je niet meer bij elke handeling opnieuw af te vragen of die wel verstandig is. Voordringen in een winkel is dan iets wat je vanzelfsprekend niet meer doet. En als het goed is, heb je de juiste houding al geleerd van je ouders en later van je omgeving. Door hun voorbeeld en door correcties is het goede gedrag langzaam ingesleten.

Ethica Nicomachea

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De waarheid spreken
Immanuel Kant
(1724-1804)

Laat je leiden door regels die voor iedereen zouden moeten gelden. Dat is het richtsnoer van Kant – de categorische imperatief, zoals hij die noemt. Een voorbeeld: is een leugentje om bestwil geoorloofd? Daarover is Kant onverbiddelijk: nee. Waarom? Als jij bewust een leugentje vertelt, dan weet je heel goed wat eigenlijk de waarheid is. Maar als iedereen zomaar zou kunnen liegen, dan weet niemand meer wat de waarheid is. En dat kan niet: je kunt niet tegelijkertijd weten wat de waarheid is en – omdat iedereen om je heen zou kunnen liegen – níét meer weten wat de waarheid is.
Verder vindt Kant dat iedereen ook behandeld moet worden ‘als een doel op zichzelf’. In een extreme situatie betekent dat bijvoorbeeld dat niemand opgeofferd mag worden voor het leven van anderen: het is dus verboden om een man te doden om met zijn organen tien doodzieke mensen te redden. In een meer alledaagse omstandigheid leidt dat er bijvoorbeeld toe dat je niet iemand anders mag beschuldigen van iets wat je zelf hebt misdaan.

Fundering voor de metafysica van de zeden (1785), Kritiek van de praktische rede (1788)

De ware aristocraat
Friedrich Nietzsche
(1844-1900)
Leef als een aristocraat, zegt Nietzsche. Veel van onze kleine ondeugden zijn voor een aristocraat afkeurenswaardig: niet omdat ze fout zijn, maar eenvoudigweg omdat ze niet groots zijn. Roddelen is niets voor de aristocraat van deze tijd, en voordringen in een winkels of bumperkleven zal hij al helemaal niet doen. Dat is hem te min, te klein.
Met zijn aristocratische levenshouding verzette Nietzsche zich tegen de traditionele moraal, die ons volgens hem tot kuddedieren maakt, terwijl de aristocraat zich weet te onttrekken aan de banaliteit van de massa. Daarom zal de ware aristocraat ook nooit een algemene moraal aanvaarden: hij wil zichzelf de wet stellen. Die wet zal hem niet tot een slaaf maken, zoals de traditionele moraal dat wel doet. Die onderdrukt volgens Nietzsche onze driften, en is uiteindelijk zelfs levensvijandig. Die moraal biedt weliswaar bescherming aan mensen die op zoek zijn naar veiligheid en zekerheid, maar is zeker niet bestemd voor de waarlijk grootse mens.
Nietzsche vergelijkt de mens de mens ook wel met een tuinman. We kunnen onze driften – boosheid, ijdelheid, medelijden – laten woekeren en uitgroeien tot een barbaar. We kunnen ze ook met wortel en tak uitroeien, maar dan zouden we onderdrukken wat we wezenlijk zijn. Maar waar het op aankomt, is de tuin goed te onderhouden.

Voorbij Goed en Kwaad (1886), Genealogie van de moraal (1887)

Niet vertellen dat je rookt
Jeremy Bentham
(1748-1832)
Handel zo dat dat leidt tot zo veel mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen – zo laat de regel van Bentham zich samenvatten. Met deze regel probeerde hij recht te doen aan onze menselijke natuur: volgens hem wil ieder mens uiteindelijk pijn vermijden en zoekt hij plezier. Bij Bentham gaat het dus om de uitkomst van een handeling – om het nut dat die oplevert. Daarom wordt hij ook wel een utilist genoemd. Een utilist zou kunnen verdedigen dat hij zijn partner niet vertelt dat hij weer rookt. Als ze dat zou weten, zou hij kunnen betogen, zou zij ongelukkig kunnen worden. En daardoor, argumenteert de utilist, word ik zelf ook ongelukkig. Een ander voorbeeld: je ziet dat iemand op straat in elkaar wordt geslagen door een paar uit de kluiten gewassen kerels. Een utilist zou kunnen overwegen zich er niet mee te bemoeien omdat hij de ander toch niet kan helpen, en vermoedt dat het enige resultaat zal zijn dat hij er een blauw oog of erger door oploopt. Ook zou een utilist kunnen verdedigen dat het belangrijk is om belasting te betalen. Uit onderzoek is bekend dat het bezit van meer geld na een bepaald bedrag niet leidt tot meer geluk. Daarom kan het beter gedeeld worden via de belasting. Op die manier zijn collectieve voorzieningen mogelijk voor meer mensen, en kunnen andere mensen ook het minimum ontvangen dat hen in staat stelt tot geluk.

A Fragment on Government (1776), An Introduction to the Principles of Morals and Legislation (1789)

De cirkels van de wereld
Martha Nussbaum
(1947)
Denk niet alleen aan jezelf en aan je naasten, maar ook aan de rest van de wereld. Zo luidt het devies van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum. Met haar devies gaan we in tegen onze neiging: we verdelen de wereld in concentrische cirkels. Zelf bevinden we ons in de middelste cirkel. We voelen ons vooral verbonden met mensen in de binnenste cirkel: partner en kinderen, misschien ook vrienden. Daarna komen de buurt en landgenoten, en misschien de vriendelijke buurtwinkelier. Daarna komen pas de medewerkers van een grote supermarkt, het eigen land, en uiteindelijk pas de derdewereldbewoners. Die indeling in cirkels leidt ertoe dat we ons moreler gedragen tegenover mensen naarmate ze dichterbij staan. Als we in een winkel te veel geld hebben teruggekregen, zijn we eerder geneigd dat terug te geven aan de vriendelijke buurtwinkelier dan aan de medewerker van een grote supermarkt. Begrijpelijk, zegt Nussbaum, maar probeer ook altijd de mensen uit de buitenste cirkels als naasten te zien.

Oplevingen van het denken. Over de menselijke emoties (2001)