Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 1/2021

‘Kijk die vuurbal aan de hemel’

Marnix Verplancke

Het vuur bracht welvaart én de klimaatcrisis, stelt Ignaas Devisch. Oude mythes over dit element leren al dat de mens de wereld nooit helemaal onder controle krijgt. Toch is er één vuur dat wel onbeperkt energie geeft, zonder vervuiling: de zon.

Bron: Science Photo Library

Als ik ergens niet uit kom, herlees ik de Griekse tragedies,’ zegt de Vlaamse filosoof Ignaas Devisch (1970). ‘Die geven antwoorden op bijna al onze vragen. Ik zou het een enorme verschraling vinden als we ervan uit zouden gaan dat oude verhalen en mythes ons niets meer te bieden hebben en dat we die dus achter ons kunnen laten.’

Prometheus stal volgens de mythe het vuur van de goden. Koloman Moser, ‘The light’, schilderij uit 1913/14. Bron: AKG.

Neem Prometheus geboeid van Aeschylus (525-456 v.Chr.). De titanenzoon Prometheus stal volgens deze tragedie het vuur van de goden en gaf het aan de mensen. Dat kwam hem op een gruwelijke straf te staan: hij werd vast­geketend aan een rots in de Kaukasus, waar een adelaar elke nacht zijn lever kwam opeten – waarna deze overdag weer aangroeide, zodat Prometheus’ kwelling eeuwig zou duren. In zijn nieuwste boek, Vuur, denkt Ignaas Devisch na over oplossingen voor de huidige klimaatcrisis en pleit hij voor een herwaardering van Prometheus en zijn soortgenoten.

‘Wat we uit die mythe, en uit gelijksoortige verhalen uit zowat alle culturen leren,’ vertelt Devisch, ‘is dat het vuur de mens niet toebehoort. Het is van de goden of de natuur, en het is gevaarlijk. Je kunt er immers niet alleen je voedsel mee koken, wat volgens sommigen de menselijke evolutie een reusachtige boost heeft gegeven, je kunt er ook enorme verwoestingen mee aanrichten.’

We hebben een nieuwe Renaissance nodig, beweert hij, een herbronning van onze ideeën in de oude mythen en verhalen, want tijdens de eerste Renaissance is het volgens hem allemaal fout gelopen. De mens kreeg toen het idee dat hij de natuur moest temmen, beheersen en uiteindelijk ook vernietigen, wat zeker sinds de Industriële Revolutie gargantueske proporties heeft aangenomen. Het vuur dreef machines aan, bracht welvaart en zorgde uiteindelijk ook voor de klimaatcrisis van vandaag. Paradoxaal genoeg zijn we datzelfde vuur ook steeds meer gaan verstoppen. Wie de auto start, beseft nog amper dat deze door vuur wordt aangedreven, net zomin trouwens als degene die de thermostaat achteloos een graadje hoger draait.

Wie het vuur gaande wil houden moet iets vernietigen, iets wat onherroepelijk verdwijnt’

Toch kan ditzelfde problematische vuur ons ook een uitweg bieden, stelt u in uw boek.
‘Ja. We moeten meer naar boven kijken, naar die grote vuurbal aan de hemel die zomaar eventjes 15.000 keer meer energie levert dan wij gebruiken. We doen dat niet graag, naar boven kijken, omdat we ons dan nietig voelen, maar het is wel de oplossing, omdat daar een energiebron zomaar voor het grijpen hangt, een waar we niet voor hoeven te spitten of boren. Natuurlijk zijn er nog technische kwesties op te lossen. Hoe slaan we die zonne-energie bijvoorbeeld op, waardoor we er ook ’s nachts van kunnen genieten? Maar dat is een zaak voor ingenieurs. Waar het mij om gaat, is dat we volop gebruik moeten maken van de energie die ons zomaar gratis aangeboden wordt. Vreemd dat we dit 500 jaar na Copernicus nog steeds niet zien.’

We weten dat we dringend iets aan de klimaatverandering moeten doen, maar toch doen we bijna niets. Vanwaar die kloof tussen kennis en actie? Zei Plato bijvoorbeeld niet dat het goede kennen automatisch ook leidt tot het goede doen?
‘Ik heb Aristoteles altijd iets intelligenter gevonden dan Plato (lacht). Die zei bijvoorbeeld dat een mens iets kan doen tegen beter weten in. Ik besef dat het zo niet verder kan, maar tot de dag dat alles blokkeert zal ik het toch doen. Het is zoals de roker die heel goed weet dat hij zijn lichaam schade berokkent, maar omdat de schade zich niet meteen toont blijft roken tot het te laat is. Noem het de tragiek van het menselijk bestaan.

Zo is dat ook met onze omgang met de natuur. Mochten we bij elk houtblok dat we verbranden zelf brandwonden oplopen of in acute ademnood raken, dan zou er wel sneller gereageerd worden. Maar we zien niet meteen de gevolgen van onze daden. En hoe dichter we het eindpunt naderen, hoe groter de verblinding wordt. We willen er niet langer naar kijken, want dat zou weleens kunnen impliceren dat een grote ommekeer nodig is en een beetje minderen niet langer volstaat.

Dat is trouwens een van de redenen waarom ik vol voor zonne-energie wil gaan. De zon biedt ons een en-enverhaal. We kunnen onze vrijheidscultuur behouden en de vervuiling toch stoppen. Wat we vandaag de dag zien is dat een kleine minderheid roept dat het zo niet verder kan en dat we radicaal sober moeten gaan leven. De grote meerderheid gaat er dan impliciet van uit dat deze ecologische calvinisten haar veel zullen afpakken en weigert dus mee te werken.’

Hebben die calvinisten dan geen gelijk? Een beetje soberder leven kan toch geen kwaad?
‘Soberheid is niet fout. De vraag is alleen of soberheid voldoende is. Dat de Vlaamse klimaatactiviste Anuna De Wever met een zeilboot naar Amerika vaart kan sympathiek lijken, maar beweren dat we dat allemaal moeten doen is vrij absurd. Dat we onze mobiliteit en onze technologie moeten opgeven vind ik een vrij hopeloze gedachte. Bovendien werkt het soberheidsdiscours erg slecht. Wanneer je over moeten en verplichten begint, gaan veel mensen steigeren. Een tijd geleden stelde ik op Facebook de vraag of we ons collectief zouden moeten laten inenten als er een werkbaar vaccin tegen corona zou zijn. Niet meer dan dat. Wekenlang heb ik honderden reacties gekregen en het grootste deel ervan ging in dezelfde richting: “Wij willen niet verplicht worden.” Op het vlak van klimaat zie je hetzelfde. We merken nu al dat er weinig mensen bereid zijn om hun leven aan te passen omwille van het klimaat. Zeg dat ze soberder moeten gaan leven, en ze haken helemaal af. Dat is wat Bruno Latour ook schrijft: de natuur mobiliseert ons niet. Het is een dramatische vaststelling, maar die is wel correct. Vandaar mijn voorstel om niets op te geven, maar ons op een andere manier tot onze energie te gaan verhouden. We moeten er gewoon voor gaan. Een eeuw geleden was kernenergie een volstrekte utopie, maar vandaag de dag staan er wereldwijd kerncentrales. Waarom zou zonne-energie dan niet haalbaar zijn?’

Dat klinkt wel heel optimistisch, of zelfs ecomodernistisch.
‘Het ecomodernisme gelooft al te veel in de mogelijkheden van de technologie zonder de filosofische grondslag van onze tijd opnieuw te overdenken. Ecomodernisten gaan er uiteindelijk van uit dat we verder kunnen gaan zoals we bezig zijn. Nieuwe technologie zal alles oplossen. Maar ik zeg dat we ons ook moeten afvragen welke plaats die technologie inneemt in ons bestaan. Of het wel juist is om die in te zetten voor steeds meer exploitatie. En daarbij kunnen we gebruikmaken van de inzichten uit de oude mythes en verhalen over het vuur.’

En wat zeggen die dan precies?
‘Dat er een destructieve keerzijde aan het vuur zit. Wie het vuur gaande wil houden moet iets vernietigen, iets wat onherroepelijk verdwijnt. Met de vuurkorf in de tuin valt dat allemaal nog wel mee, maar als je dat op wereldschaal bekijkt, moeten we onwaarschijnlijk veel kapot­maken om iets gaande te houden. Vandaar dat in alle oude mythes de waarschuwing te vinden is dat we er beter van kunnen afblijven. Toen heerste nog het inzicht dat er altijd iets zal zijn dat aan het menselijk kunnen zal ontsnappen en dat we de wereld nooit volledig onder controle zullen krijgen. Dat inzicht is ook in onze moderne cultuur belangrijk, beweerden Theodor Adorno en Max Horkheimer in hun boek Dialectiek van de Verlichting. Zij wezen erop dat het rationele verlichtingsdenken ons niet alleen wetenschap en techniek heeft gebracht, maar ook de bijna mathematische uitroeiing van de Joden door de nazi’s. De vooruitgangsdrang van de moderne cultuur is fascinerend, maar heeft ook een blinde vlek. We leven in een cultuur die steeds positiviteit wil benadrukken en negativiteit niet wil erkennen. Hoe meer we die negativiteit echter wegduwen, hoe meer ze als een boemerang terug in ons gezicht dreigt te belanden. Dat is het punt waarop we heden ten dage zijn aanbeland.’

Er valt dus niet aan het negatieve te ontsnappen? Of is dat al te fatalistisch gesteld?
‘Het is pas fatalistisch op het moment dat we het niet willen zien. Als we negativiteit erkennen, kunnen we er ook beter mee omspringen. Het komt erop aan het negatieve aspect van de Verlichting te nemen voor wat het is, om ons er nadien als tot een spiegel toe te verhouden. Terwijl we tot nu toe alleen maar een zwarte doek voor de spiegel gehangen hebben omdat we de waarheid niet wilden zien. Stel dat we tachtig jaar geleden erkend zouden hebben dat het feest vroeg of laat zou ophouden en er toen al over waren gaan nadenken wat er dan zou moeten gebeuren – dat was een veel betere manier geweest om met onze eigen Sturm und Drang om te gaan. Wat Adorno en Horkheimer zeggen is dus fatalistisch
in de zin dat we er altijd een zootje van zullen maken, maar anderzijds kunnen we onze domheid ook een beetje beperken. Er is altijd hoop.’

Moeten we terug naar de natuur?
‘Nee want wat gaan we dan doen? Sommigen denken dat er een idyllische, harmonieuze wereld bestond voor de mens er een puinhoop van maakte. Alsof er toen geen vulkaanuitbarstingen waren en dieren elkaar niet opvraten bij de vleet. Het leven op aarde is nooit een feest geweest. Beweren dat de mens beter van de planeet kan verdwijnen om haar te redden, zoals het Gaia Liberation Front en The Church of Euthanasia bepleiten, is gewoon flauwekul. De aarde zal dan net zomin harmonieus zijn als nu. Ik pleit niet voor een nieuwe religiositeit, maar wel voor een seculiere blik die ons niet tot de maat van alle dingen maakt, maar ons terugwerpt op de materie, zoals Bruno Latour het ook zegt. Dankzij de materie
zijn we hier, en via de materie zullen we dit oplossen. Concepten als Gaia en Moeder Aarde hebben we niet nodig, wel een gortdroog materialisme.’

In uw boek haalt u de film De ballade van Narayama aan. Die speelt in een Japanse gemeenschap waarin de traditie bepaalt dat mensen op hun zeventigste vrijwillig sterven om de fakkel door te geven aan de jongere generatie en die niet nodeloos te belasten. Ligt daar een wijsheid in verborgen die wij vergeten zijn?
‘Misschien wel, omdat er een besef van uitgaat dat er een grens is aan de dingen. Het idee dat we onze vrijheid grenzeloos moeten kunnen beleven komt daarmee in conflict. In De ballade van Narayama
krijgen we te maken met een gemeenschap die geleerd heeft dat wanneer ze zichzelf geen grenzen stelt, die haar wel door de aarde opgelegd zullen worden. Wij hebben het er moeilijk mee dat er grenzen zijn en dat er een offer moet worden gebracht, maar tegelijk komt onze tijd van gedwongen opoffering ook steeds dichterbij. Misschien is het dan inderdaad beter om je van de grens bewust te zijn en je leven ernaar in te richten.’

D
Vuur

Ignaas Devisch
De Bezige Bij
288 blz. | € 23,99

Ignaas Devisch
Ignaas Devisch (Brugge, 1970) is hoogleraar medische filosofie en ethiek aan de Universiteit Gent. Hij filosofeert ook graag buiten zijn vakgebied en onderwerpt schijnbare vanzelfsprekendheden aan een kritische blik. Is een rustig leven werkelijk te verkiezen boven een druk leven, vroeg hij zich af in Rusteloosheid (2016). In Het empathisch teveel (2017) stelde hij de vraag of onverschilligheid geen preciezere kijk op de werkelijkheid geeft dan medeleven. Vorig jaar verscheen zijn eerste filosofische kinderboek: Zijn er nog vragen?.