Home Jonathan Lear: ‘Socrates leert ons veel over moed’

Jonathan Lear: ‘Socrates leert ons veel over moed’

Indianenhoofdman Plenty Coups en Socrates zijn belangrijke inspiratiebronnen voor filosoof Jonathan Lear. Over moed in tijden van verwarring.

Door Florentijn van Rootselaar op 25 oktober 2016

Jonathan Lear: ‘Socrates leert ons veel over moed’ foto Merlijn Doomernik
Cover van 11-2016
11-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Jonathan Lear – hoogleraar filosofie aan de universiteit van Chicago – is ooit symbolisch opgenomen in een traditioneel indianengezin, en hij heeft vele indianen-broeders die hij regelmatig ziet. De Crow – zo heet Lears stam – delen een grote zorg: is er een toekomst voor het volk? Het is de vraag die hen bezighoudt sinds ze in de tweede helft van de negentiende eeuw hun nomadische jagersbestaan opgaven en reservaatbewoners werden. Daarover verklaarde Plenty Coups, hun laatste grootste chief: ‘Toen de buffel wegging vielen de harten van mijn stamleden op de grond; die konden ze niet meer oprapen. Daarna gebeurde er niets meer.

Het leven van de nomadische Crow-indianen draaide om jacht en strijd. Niet alleen structureerden die hun leven, ook ontleenden de stamleden de betekenis van hun leven eraan – tot ze naar het reservaat gingen’, zegt Lear achter een groot glas bier in een Amsterdams studentencafé vlak bij de Universiteit van Amsterdam, waar de Amerikaanse hoogleraar een paar maanden de Spinoza-leerstoel bekleedt. ‘Na die overgang naar het reservaat was het stelen van het paard van je tegenstander niet langer een heldendaad maar een misdaad, om maar iets te noemen. Plenty Coups moest zijn volk leren omgaan met de afschuwelijke destructie van hun cultuur, en hij moest hun hoop geven. Ik werd gegrepen door die inzet. Die wilde ik eren, daarom schreef ik er ook een boek over.’ 

Lear – tevens psychoanalyticus – werd geraakt door het verhaal van de Crow omdat hij er ook onze angsten in herkent. Hij begon zijn boek over de Crow – Radical Hope – vlak na de aanslag op de Twin Towers, een tijd waarin het gevoel steeds sterker werd dat beschavingen kwetsbaar zijn, waarmee een angst werd aangewakkerd die volgens Lear nog steeds de verkiezingsretoriek van Donald Trump dicteert. Wat kunnen we leren van chief Plenty Coups? En wat leert Socrates – Lear is een kenner van de filosofie uit het oude Griekenland – ons over de moed om in tijden van verwarring in het leven te blijven geloven? 

Waarom is die hoop van de Crow radicaal?
‘Waar normale hoop gericht is op zaken die je kent maar die niet meer vanzelfsprekend zijn – gezondheid bijvoorbeeld bij ziekte – weet je bij radicale hoop niet eens meer wat je zou willen wensen. Hoop is radicaal als je niet meer kunt zeggen waarop je hoopt, maar als de hoop nog niet is verdwenen. Het leven van de Crow draaide om oorlog, om eer en schaamte – en daar was geen ruimte meer voor. Het was niet langer duidelijk wat een betekenisvol leven kon zijn: de mensen konden nog steeds eten en zich voortplanten, maar ze wisten niet meer waarom ze dat nog zouden doen. De hele stam was in een staat van verwarring; je kunt die verwarring psychologisch duiden, maar in dit geval is het heel verhelderend om te kijken naar de objectieve verwarring: de vorm van het leven is vernietigd.’ 

En hoe ziet u die verwarring terug in onze tijd?
‘Weet u, eerlijk gezegd ben ik verbaasd over het gebrek aan verwarring. De secularisering, de mondialisering – die grote veranderingen lijken ons niet te raken. Er is geen rouw over een verlies. Je ziet alleen het plezier dat we eindelijk van die oude tradities af zijn. Ik vraag me af hoelang dat zal duren. Denken onze kinderen er ook zo over, zullen zij wel rouwen?’ 

Zouden we moeten rouwen?
‘In het algemeen ben ik een groot voorstander van rouw. Ik denk dat we schepsels zijn die echt afscheid moeten nemen, anders komen we er nooit overheen.’

Ik kom toch weer terug op die verwarring in onze tijd. U schreef dat boek over de Crow na de aanslag op de Twin Towers toch omdat u geraakt was door de overeenkomst tussen het indianenleven en dat van ons? 
‘Hoewel we dat nieuwe leven lijken te omarmen, zie ik die verwarring wel op een andere manier terugkomen – dat is waar. We zijn in de greep van een grote angst. Die wordt nog het duidelijkst als het gaat over immigratie. De vreemdeling doet ons twijfelen aan onze identiteit, en aan onze beschaving. Trump speelt daarop in door de afschuwelijkste dingen te zeggen over immigranten. Helaas is het alternatief voor Trump niet geweldig: ik ben een groot voorstander van een vrouwelijke president, maar de vrouw van een voormalig president, dat is geen goede manier om te beginnen. Dat is niet echt democratisch.’

Hoe duidt u, als psychoanalyticus, het enthousiasme over Trump?
‘Je ziet hoe de Republikeinen inspelen op de angst. De suggestie is dat het wel goed zit met het concept Amerika, met ons leven. Het concept is goed, je hebt alleen een muur nodig om dat te beschermen; alles zal goed komen als we er een paar mensen uit gooien. Een psychoanalyticus zou dat defensie noemen, tegen angst, vanwege onze onzekerheid over het concept. Van Amerika, van Nederland. 

In Amerika proberen we de angst in te dammen door terug te grijpen op het beeld van de Amerikaanse grond. Maar wij kwamen nu juist niet uit de grond; we zijn niet verbonden met de aarde. Als er één volk is waar dat wel voor geldt, zijn het alleen mensen als de Crow, de native Americans. Maar verder is dit een natie van mensen die hier gekomen zijn in de hoop op een beter leven. Mijn eigen familie is uit Europa naar de VS gevlucht; vele mensen zijn daarheen gegaan vanwege de hoop op vrijheid. Die oorsprong van ons land wordt ontkend in die zoektocht naar het ware Amerika. Maar mensen zijn bang. Ze vrezen voor hun toekomst, wat heel begrijpelijk is: de economische welvaart is heel ongelijk verdeeld, veel mensen uit de lagere en middenklasse profiteren niet van de economische groei – dat is heel slecht.’ 

Wanhoop…
‘Je ziet dat mensen de hoop verloren hebben. Ze kiezen niet meer voor het leven. Wanhoop betekent dat je het opgeeft, hoop dat je het leven omarmt. Maar hoop moet je niet verwarren met optimisme. Je kunt vol hoop zijn, zonder dat je optimistisch bent. Je kunt toch voor het leven zijn, zonder te weten waar dat leven je zal brengen en zonder de garantie dat er iets goeds uit zal komen. Dat is de deugd van Plenty Coups. Het leven in het reservaat was bepaald niet paradijselijk, maar dankzij die radicale hoop heeft hij toch velen kunnen redden van vertwijfeling en wanhoop. Vergelijk die houding maar met die van een kind: een kind heeft geen idee wat de wereld zin geeft en geen taal om dat in woorden te vatten. Maar een kind steekt wel een hand uit naar de wereld, naar anderen. We vertrouwen erop, we hopen, dat we daar toch het goede zullen vinden.’

Maar is deze oproep om de wereld te omarmen niet wat gratuit? U zei net zelf dat mensen achterblijven en niet kunnen profiteren van de economische groei. 
‘Het zou een vergissing zijn om die problemen te negeren, en ook om angsten niet serieus te nemen. Ik zie dat mensen ongelukkig zijn, wat niet alleen een probleem is voor die mensen, maar ook voor anderen. De vraag is hoe je een band met ze kunt blijven houden, hoe je ze niet laat wegzinken in wanhoop. De oplossing is in elk geval niet om te suggereren dat er een eenvoudig antwoord is, zoals Trump nu doet.’

U pleit voor meer moed.
‘Moed in deze situatie betekent standvastigheid, ervan uitgaan dat het leven de moeite waard is ondanks tegenslag.’

Socrates belichaamt als geen ander de moedige burger, aan wie we nog steeds een voorbeeld kunnen nemen, zegt Lear. Bij hem wordt duidelijk dat moed meer betekent dan de strijdlust zoals we die kennen van de soldaat. ‘Socrates is een verbazingwekkend figuur. Hij is enerzijds zeker ook een heel conventionele burger van Athene, die zonder morren met het leger ten strijde trekt als daarom wordt gevraagd. Hij weet: soms moeten we gewoon met de Perzen vechten. Hij had er geen enkele probleem mee om op die manier bij te dragen aan de polis. Aan de andere kant had hij grote kritiek op de excessen van de Griekse stadstaat. Hij weigerde te voldoen aan de eisen van tirannen, en hij is natuurlijk berucht vanwege zijn vragen, waarmee hij alles ter discussie stelt – wat uiteindelijk tot zijn veroordeling en dood leidde. We kunnen nog veel leren van Socrates: zijn bereidheid om zich in te zetten voor de polis, maar ook zijn ironie. Die typisch socratische ironie…’ 

Toen Lear het boek schreef over radicale hoop, na de aanslag op de Twin Towers, verklaarden commentatoren dat de tijd van ironie over was. En Obama zou van Amerika een ironievrije zone hebben gemaakt. Want ironie betekent twijfel, en voor twijfel was geen plek in een land in oorlog, of in elk geval in een land dat zichzelf moest hervinden nadat zoveel landgenoten waren omgekomen en het symbolische hart van de natie was vernietigd. Juist in die tijd nam Lear het op voor ironie – volgens hem een noodzakelijke houding, zeker in die barre tijd. ‘Hoe afschuwelijk 11 september ook was, hoezeer je ook getroffen bent, juist op dat moment is het fout om te denken dat je de oplossing hebt: iedereen eruit gooien, oorlogsverklaringen, bommen op Irak. Juist dit soort momenten zijn gelegenheden om erover na te denken waar je voor staat. En je af te vragen wat de daad zo gruwelijk maakt. Het was een vernietiging van mensenlevens; we verloren kinderen, ouders, grootouders, vrienden. Maar het was ook een aanslag op het idee van Amerika – op de vrijheid, op het samenleven. Zo’n aanslag is een gelegenheid om dat idee opnieuw in herinnering te brengen, maar ook om het te bevragen. Wat betekent het eigenlijk om Amerikaan te zijn? Het is geen tijd om je vast te houden aan de brokstukken van het land, het is te tijd om te kijken naar het ideaal.

Vragen stellen over een concept, dat is ironie. Dat is wat anders dan zomaar een grap. Die vorm van ironie is maar een afgeleide van de ironie die Socrates en later Kierkegaard verdedigde. Voor die denkers is ironie zelfs een vorm van ernst. Maar wel een andere ernst dan die ons sinds 11 september in z’n greep houdt. Ironie betekent vragen stellen over je meest basale uitgangspunten, die we meestal als vanzelfsprekend beschouwen. Zoals Socrates deed, die vroeg: wat betekent het om een Athener te zijn? We moeten ons verzetten, zei hij tegen de Atheners die niet overeenkomstig dat ideaal leven. Ironie betekent dus de vraag stellen wat Amerika tot Amerika maakt, en wat een beschaving tot een beschaving maakt. En dan zou je er weleens achter kunnen komen dat alles wat we deden uit naam van Amerika in strijd was met het ideaal van Amerika: het wantrouwen jegens immigranten staat haaks op het ideaal van openheid dat de basis is van het land.’

Ik kan me voorstellen dat het in verwarde tijden slecht valt als je ironisch bent. Op zo’n moment zoek je toch iets waar je je aan vast kunt houden, waar je in kunt geloven.
‘Maar ironie gaat juist samen met geloof. Juist als iets betekenisvol is, ben je ironisch. Het is voor mij van groot belang om een leraar te zijn. Juist daarom vraag ik me af wat het is om echt een leraar te zijn. Want in de praktijk liggen in van alles – of het nu een leraar of een land is – idealen besloten die verwijzen naar iets buiten die zaken, idealen die in wekelijkheid niet worden gerealiseerd. Daarom zeg ik ook dat die idealen transcendent zijn aan de wereld waarin je je begeeft. Juist door ironie geef je je daarvan rekenschap. Je vervreemdt je dan misschien wel van allerlei conventies, maar dat doe je uit zorg om het ideaal. In een ironische disruptie, zoals ik het noem, verlies je wel je vaste grond onder de voeten, voel je je unheimlich, maar tegelijkertijd ben je op zoek naar een richting, naar een hoger ideaal. 

Als je zo naar de wereld kijkt, zie je dat kwetsbaarheid altijd deel uitmaakt van de concepten waarmee we onszelf en de wereld begrijpen. Ze kunnen altijd ter discussie worden gesteld, er is altijd een ideaal dat ze transcendeert. Als je ironie zo ziet, is het een vorm van menselijke excellentie. De ironische mens is immers waarachtiger dan de serieuze mens. In de ironie heb je meer oog voor ons beperkte vermogen om de wereld te begrijpen. De ironische mens beschikt ook over zelfkennis. Hij weet hoe beperkt zijn kennis is, maar tegelijkertijd dat hij altijd kan streven naar verbetering. En hij ziet, net als Plenty Coups, dat alles wat we van waarde vinden, al onze samenlevingsvormen – hoe robuust ze ook lijken – kwetsbaar is. Leren leven met die kwetsbaarheid, dat is ook wat ik hoop noem.’