Home Existentialisme Joakim Garff: ‘Kierkegaard heeft mij verleid’
Existentialisme

Joakim Garff: ‘Kierkegaard heeft mij verleid’

Door Annette van der Elst op 21 april 2016

Joakim Garff: ‘Kierkegaard heeft mij verleid’
Cover van 05-2016
05-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

De Deen Joakim Garff schreef de definitieve biografie van zijn landgenoot Kierkegaard, de filosoof die als geen ander de moderne mens wist te beschrijven: ‘De esthetische mens wil zichzelf voortdurend opnieuw uitvinden en vormgeven.’

Met Kierkegaard, een biografie heeft een recensente van het boek, die het nog in haar tas had na een avondje uit, een belager knock-out weten te slaan, vertelt auteur Joakim Garff grinnikend – alsof hij nog op zoek is naar een legitimatie van dit achthonderd bladzijden tellende werk. Die rechtvaardiging is toch vooral te vinden in de inhoud, waarmee Garff alle biografen van de filosoof Søren Kierkegaard een soort mentale klap uitdeelt. Of in elk geval ver overtreft. ‘Er was wel wat geschreven over zijn cafégewoonten, over zijn tijd op het gymnasium en op de universiteit’, verklaart hij bescheiden, ‘maar er is nooit een biografie over zijn hele leven en tegen de achtergrond van zijn filosofie verschenen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Garff, in Amsterdam om een lezing te geven over zijn landgenoot, zegt een groot bewonderaar te zijn van het werk van Kierkegaard, niet in de laatste plaats vanwege de stijl van schrijven en filosoferen. ‘Hij schrijft heel beeldend, je ziet het voor je. Dat heb ik niet als ik Kant lees. Kierkegaard beweegt heen en weer tussen beeld en concept. Bijvoorbeeld in zijn boek over het begrip “angst” beschrijft hij de ervaring van angst zo beeldend dat je het bijna voelt. En vervolgens herformuleert hij dit beeld in een meer logische taal en wordt het een concept.’

Maar ook, zegt Garff, is Kierkegaard lezen meer dan Kierkegaard begrijpen. ‘Ik heb het gevoel door hém begrepen te worden! Kierkegaard gaat een dialoog met je aan. Hij weet dat hij een lezer heeft en verleidt je. Hij is er een meester in je ertoe te bewegen om anders, opnieuw naar zaken te kijken. Dat wilde hij ook met zijn boeken over het christendom. Hij verzette zich tegen de tendens – ook al in zijn tijd – om het christendom af te doen als een oude en inmiddels overbodige mythologie. Hij wilde cruciale ideeën, zoals die over liefde bijvoorbeeld, herformuleren, vernieuwen en vanuit een ander perspectief belichten.’

Er is niet één Kierkegaard, vervolgt Garff, theoloog en als onderzoeker verbonden aan het Søren Kierkegaard Research Centre in Kopenhagen. ‘De ontwikkeling die hij doormaakte wilde ik in mijn boek weergeven. En ik wilde hem in zijn tijd en context plaatsen, de nauwe verbondenheid laten zien tussen de persoon Kierkegaard, zijn werk en zijn tijd. Alle informatie die er over hem is te vinden, heb ik gecombineerd en ik heb geprobeerd er in samenhang met zijn denken een narratief, een verhaal, van te maken.’

Garff begint het boek – dat inderdaad leest als een roman – bij Kierkegaards familie, bij zijn vader Michael Kierkegaard, die in de eerste helft van de negentiende eeuw van het boerse Jutland vertrekt naar Kopenhagen en daar als koopman fortuin maakt.

Als Søren Aabye op 5 mei 1813 ter wereld komt – de jongste van zeven kinderen – is zijn vader 56 en zijn moeder Ane 45 jaar. Niet zozeer dit leeftijdsverschil, maar vooral het verschil in geestelijke ontwikkeling zorgt voor een kloof tussen zijn ouders. Garff: ‘Michael was intelligent en had een intellectuele belangstelling; moeder Ane was ongeletterd. Wel had ze een groot gevoel voor humor; ze was muzikaal en fantasievol, net als Søren. Zijn artistieke gaven heeft hij volgens mij van haar. Het intellectuele van zijn vader.’

Lichtzinnige jongeman
Het is ook vader Kierkegaard die hoopt dat Søren naar de universiteit gaat, maar op de lagere en middelbare school zagen weinigen hem als een golden boy, zegt Garff. Hij is getalenteerd, maar niet uitzonderlijk. In het getuigschrift waarmee hij zijn middelbare school afsluit, schetst de rector een beeld van een ‘lichtzinnige jongeman’, met een ‘goed stel hersens, die openstaat voor alles wat zijn interesse prikkelt’, maar die zich ‘nooit serieus met iets inlaat’. In het Latijnse getuigschrift, dat nodig was om toegang tot de universiteit te krijgen, is hij positiever en beveelt hij hem nadrukkelijk aan – wat Kiergegaard vooral te danken heeft aan de waardering die de rector heeft voor zijn vader, een ‘wijs en serieus’ man, die zijn zoon heeft ‘opgevoed tot burgerlijke deugdzaamheid en goede zeden en niet in de lichtzinnige geest van deze tijd’.

Søren wordt aangenomen en gaat theologie studeren, met als doel dominee te worden. Maar hij voert weinig uit – wat gezien de omstandigheden niet verwonderlijk is; in korte tijd had Kierkegaard vijf van zijn broers en zussen en zijn moeder verloren. In 1835 vertrekt hij – om lichamelijke en mentale redenen – naar een noordelijk gelegen dorpje om aan te sterken, en verblijft daar enkele maanden. Als hij terugkomt, is hij een paar inzichten rijker, vertelt Garff. Zo kwam hij tot het besef dat ‘niemand bij voorbaat beschikt over een waar ik, maar dat alleen kan verwerven via dwaalwegen en zijsporen en via andere mensen’.

Wie ben ik?
Deze vraag naar identiteit – wie ben ik? – neemt Kierkegaard vanaf nu in beslag en zal hem niet meer loslaten. Het belang van deze vraag hangt nauw samen met sociaal-economische veranderingen in Denemarken, zet Garff uiteen. Nu aan de verwoestende oorlog met de Engelsen een einde is gekomen, breekt voor Denemarken een periode van toenemende economische welvaart aan. Een gouden eeuw, lang na die van Holland, dat inmiddels een tijd van economische neergang beleeft. Garff: ‘Het ging bij jullie een stuk beter. Denemarken werd welvarender, ook al leefden er nog veel mensen in armoede.’ Er ontstond een nieuwe sociale werkelijkheid – met name in Kopenhagen, een stad die snel uitbreidt. ‘Mensen werden niet langer gedefinieerd door hun familie, hun afkomst en tradities. Ze werden enkelingen, die zichzelf moesten definiëren. Er was meer isolement, maar ook was er ruimte voor creativiteit en een nieuwe generatie kunstenaars stond op. Onder wie Hans Christian Andersen, de bekende sprookjesschrijver. En Kierkegaard.’

Pseudoniem
Kierkegaard speelt met identiteiten, en zal dat zijn hele leven blijven doen. Zoals hij dagelijks van kledingstijl wisselt, zo verandert hij bij elk boek dat hij schrijft van pseudoniem – zoals Victor Eremita, de schrijver van Of/Of, Anti-Climacus, auteur van Oefeningen in christendom, of Johannes de Silentio van Angst en Beven.

De pseudonieme personages vertegenwoordigen autoriteiten waarmee hij zich meet en waar hij zich nu eens boven en dan weer onder plaatst, zegt Garff. ‘Net als de rivier de Guadalquivir’, schrijft Kierkegaard daarover in zijn Dagboeken, ‘stort ik ergens omlaag onder de grond, waardoor er een deel is, het opbouwende, dat mijn naam draagt. Er is een deel dat lager is, dat is het pseudoniem. En er is een deel dat hoger is, ook dat is een pseudoniem, omdat mijn persoonlijkheid daaraan niet beantwoordt.’

Het is een vorm van theater, licht Garff toe. ‘Hij probeert zijn filosofie in verschillende personages te vatten; hij visualiseert zijn filosofie in die figuren, verbindt een persoon met een idee en probeert zichzelf daarin terug te vinden. Ben ik dit, vraag hij zich dan af. Nee, niet helemaal. En dan bedenkt hij weer een andere. Ze zijn allemaal aspecten van Kierkegaard. Daarom is spreken over de echte Kierkegaard problematisch.’ Hijzelf concludeert dat een mens niet een enkel persoon is, maar meervoudig – en dat dit gevoel beangstigend kan zijn, omdat het tot een permanente identiteitscrisis leidt.

Twijfel
Kierkegaard identificeert zich ook met de esthetische figuur die hij beschrijft in Of/Of – een personage dat zich laat leiden door zijn gewaarwordingen, op zoek is naar steeds nieuwe ervaringen en zich niet wil vastleggen, zich niet volledig engageert met mensen of doelen, ambigu blijft – en blijft twijfelen. Een figuur die zichzelf voortdurend opnieuw wil uitvinden en vormgeven. Garff: ‘Er is een tendens om deze figuur te veroordelen. Dat is jammer, want hij is de stem van het moderne bewustzijn.’

De esthetische figuur die Kierkegaard schetst bedient zich van ironie – het onderwerp van zijn dissertatie, die hij veel later, in 1842, in boekvorm zal uitbrengen. Ironie is, aldus Garff, ‘meer dan een retorische kwinkslag’ – het is een manier om intellectuele afstand te scheppen tot anderen, tot de wereld en tot zichzelf. En een dergelijke afstand is uiteindelijk een voorwaarde voor zelfbeschouwing, voor introspectie, waarmee voor Kierkegaard, in navolging van zijn ‘leermeester’ Socrates, filosofie begint. Maar ook psychologie, want psychologie is wat we nodig hebben, schreef Kierkegaard toen deze discipline nog in de kinderschoenen stond.

Mensenbad
Kierkegaard ontpopt zich tot een benijdenswaardig psycholoog, zegt Garff. Hij observeert, wil zien wat mensen dreef. ‘Dagelijks nam hij een “mensenbad”, zoals hij het zelf noemde. Dat was extreem belangrijk voor hem, want hij wilde contact hebben met andere mensen, zien hoe het er in het echte leven aan toegaat.’ Hij spreekt met iedereen, wat voor iemand van zijn klasse ongebruikelijk was en niet door iedereen op prijs werd gesteld. ‘Hij gaf daarmee op zijn eigen manier invulling aan het idee van barmhartigheid en compassie’, merkt Garff als een terzijde op. ‘Iemand als persoon serieus nemen vond hij waardevoller dan alleen en vooral geld geven.’

Lang voor Freud, vervolgt Garff, zag hij dat een groot deel van wat mensen beweegt voor hen verborgen is. Hij verwijst naar het eerder genoemde boek over angst, waarin Kierkegaard de ervaring van angst duidt als ‘een verlangen naar datgene wat men vreest, een vreemde macht die het individu omsluit en machteloos maakt’. En: ‘Van angst kun je je niet losrukken, want je wordt aangetrokken door datgene waar je bang voor bent.’

Dat Kierkegaard een dergelijke analyse heeft kunnen maken, is volgens Garff ‘volledig te danken aan zijn formidabele vermogen om tot introspectie te komen’. Deze capaciteit om innerlijke conflicten – paradoxen – bloot te leggen, is precies waar het in de later geformuleerde psychoanalyse om draait.

Regine Olsen
Een van die innerlijke conflicten van de persoon Kierkegaard is ongetwijfeld zijn verhouding tot de tien jaar jongere Regine Olsen. In 1840 verlooft hij zich met haar, maar al op de dag nadat hij haar ten huwelijk had gevraagd, verkilt hij. Alsof hij haar in een opwelling gevraagd heeft. De verloving duurt een jaar; dan verbreekt Kierkegaard die. Regine is verdrietig en vraagt hem zijn besluit te heroverwegen, maar hij houdt voet bij stuk. Na de breuk blijven ze elkaar – niet helemaal toevallig – treffen. In de kerk, op straat. Garff: ‘Ze spraken niet met elkaar, maar voor Kierkegaard waren het belangrijke, erotisch geladen ontmoetingen. Hij schreef dan in zijn dagboek: “Ik zag vreemd genoeg Regine vandaag.” En dan registreert hij zorgvuldig hoe ze bewoog, hoe ze eruitzag. Ze was zijn muze. Ze gaf hem de energie en de vitaliteit om te schrijven.’

Waarom had hij de verloving dan verbroken? ‘Omdat hij Kierkegaard wilde worden’, reageert Garff, die nu werkt aan een boek over Regine. ‘Hij wilde schrijver worden, en daarin was er voor een echtgenote en een familieleven geen plaats.’ Kierkegaard blijft echter ambivalent over zijn verhouding met Regine, wat terugkeert in zijn werk – onder meer in Of/Of, waarin hij zich in het eerste deel – als de estheet Eremita – keert tegen het huwelijk en in het tweede deel – als de rechter Wilhelm – het huwelijk als een ethische keuze en engagement verdedigt.

Hoogwaterbroek
Zoals Kierkegaard de ontmoetingen met Regine nodig heeft om creatief te blijven, zo gebruikt hij ook zijn strijd met het populaire satirische weekblad Corsaren – opgericht in het jaar van zijn verloving. De redacteuren koesteren een mengeling van afgunst en bewondering voor Kierkegaard. Hun recensies van zijn boeken zijn dubbelzinnig: lovend en honend om zijn taalgebruik en religieuze uitingen. Kierkegaard dient hen van repliek in een andere krant, en de strijd wordt steeds persoonlijker, venijniger. Zijn leven wordt een hel, vertelt Garff. De culturele en intellectuele elite verstoot hem; op straat wordt hij nageroepen, uitgelachen. Mensen kennen hem van de karikaturen: een zonderlinge man met dunne, ongelijke beentjes in een hoogwaterbroek.

Deze ervaringen veranderen hem, zijn werk en zijn verhouding tot het christendom. Hij vraagt zich af wat het betekent om uitgelachen, bespot te worden – zoals Christus tijdens de Kruisweg.

Ook nu gebruikt hij zijn eigen ervaringen en plaatst die in een bredere context, zegt Garff. Hij buigt zich over martelaarschap, het idee van het offer in Angst en Beven, waarin hij het oudtestamentische verhaal vertelt van Abraham die in opdracht van God de berg op gaat om zijn geliefde zoon Isaak te offeren, waarna God op het laatste moment ‘ingrijpt’ en voor het kind een lam in de plaats stelt. ‘Een prachtig verhaal’, zegt Garff. ‘Zeker ook omdat Kierkegaard niet alleen geïnteresseerd is in de tocht naar de berg, maar ook in de vraag hoe Abraham weer de berg af gaat. Was hij in staat om te vergeten, te vergeten? Met andere woorden, hoe kunnen we na een ingrijpende gebeurtenis, na verlies terugkeren naar het leven?’

Het boek bevat zoveel thema’s, gaat Garff verder. ‘Het gaat ook over het vermogen om te offeren, om iets op te geven – zoals hij Regine heeft opgegeven. Dat is niet hetzelfde als keuzes maken; dat is de nadruk die latere existentialisten eraan gaven. Een subject wordt subject door daden. Bij Kierkegaard gaat het niet alleen om daden, maar is het vooral ook een kwestie om gekozen te worden – door God. Of anders gezegd: in staat te zijn te ontvangen, een deel te zijn van een geheel waar je niet de maker van bent.’

Als Regine uiteindelijk met de theoloog Fritz Schlegel trouwt, is Kierkegaard ontdaan. Garff: ‘Hij hoopte dat ze elkaar altijd zo zwijgend konden blijven ontmoeten.’ Op 17 maart 1855, vlak voordat ze naar West-Indië vertrekt, waar haar man gouverneur wordt, komt ze Kierkegaard weer tegen. De stilte van veertien jaar waarin ze niet met elkaar gesproken hebben, doorbreekt ze. ‘God zegent je’, zegt ze, en ze vertrekt. Zeven maanden later sterft hij aan een geheimzinnige ziekte.