Home Reizen ‘Ik ben al lopend tot mijn beste gedachten gekomen’
Reizen

‘Ik ben al lopend tot mijn beste gedachten gekomen’

Door Marco Kunst / Foto's: Anja Robertus op 13 juli 1999

‘Ik ben al lopend tot mijn beste gedachten gekomen’
06-1999 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Waarom is ‘even een blokje om’ – al dan niet vergezeld door een excuushond – voor zoveel mensen hét middel om hun gedachten te ordenen?’ Marco Kunst over de loop van onze gedachten tijdens het wandelen.

Van de Noordkaap in Noorwegen tot de rots van Gibraltar en van het uiterste westen van Ierland tot diep in Rusland overdekt een fijnmazig net van wandelwegen Europa – oude heirwegen, grandes randonnées, NS-wandelroutes, eeuwenoude pelgrimswegen, monumentenwandelingen, huttentochten, poëzieroutes,… een wirwar van korte en langere routes, gemarkeerd met rode paaltjes, blauwe paaltjes, rood-witte strepen, ANWB-bordjes, groene pijlen, gele stippen.

Wandelen is in. Het lijkt een mode die naadloos aansluit bij de moderne lichaams- en fitnesscultuur: wandelen is gezond! – net als skaten, fietsen, skiën, snowboarden, raften en rotsbeklimmen. Het doet wat bedaagder aan dan die andere sporten, maar past er zonder meer bij. Of niet? Voorzover wandelen een mode is, is het meer dan dat. Lopen en denken, marcheren en niet-denken, op bedevaart gaan en geloven, wandelen en filosofie, slenteren en mijmeren; ze horen bij elkaar op eenzelfde manier als lichaam en geest: misschien onverklaarbaar, maar in ieder geval onlosmakelijk.

Wat dragen onze voeten bij aan ons denken? Waarom is ‘even een blokje om’ – al dan niet vergezeld door een excuushond – voor zoveel mensen hét middel om de gedachten te ordenen? Is het misschien het ritme van de voetstappen, de vrijheid om alle kanten uit te gaan, de frisse buitenlucht, of het uitzicht?

Lopen is de oudste manier om ons voort te bewegen en de eenvoudigste. We hoeven er geen speciale technieken voor aan te leren of apparatuur voor aan te schaffen. Het zit in onze natuur. Sinds onze voorouders miljoenen jaren geleden uit de bomen van het regenwoud afdaalden naar de eindeloze vlakten van de Afrikaanse savannes, hebben we het lopende, nomadische bestaan geleid van jagers-verzamelaars. Pas de laatste paar duizend jaar hebben we ons zwervend bestaan opgegeven en pas de afgelopen eeuw zijn we massaal overgegaan tot een zittend bestaan.

”Wandelen kent geen ander doel dan het lopen zelf”

De mensheid leerde lopen voor ze leerde spreken – nog altijd worden de eerste stapjes die een peuter zet even hoog gewaardeerd als zijn eerste woordjes. En we gebruiken het lopen als beeld voor een groot aantal fundamentele aspecten van ons leven: de loop der tijd, het recht dat zijn loop moet hebben, een levensloop, een loopbaan, een goed lopende argumentatie.

Veel filosofen verwijzen naar hun wandelingen. Wandelen: die speciale vorm van lopen die bedoeld is ter ontspanning, die geen ander doel kent dan het lopen zelf, die in vrijheid plaatsvindt en waarbij iedere richting een goede kan zijn. Naast de armchair philosopher die denkt vanuit het comfort van zijn leunstoel, in de afzondering van zijn studeerkamer, zijn er legio te noemen die erop uit trokken: Kants legendarische loopje door Koningsbergen – even stipt en gecontroleerd als zijn Kritik der reinen Vernunft; Wittgensteins tochten door de ruige uithoeken van Wales – eenzaam en streng als het wiskundig landschap van zijn Tractatus; Nietzsches lange romantische wandelingen door de Alpen. We vinden talloze voorbeelden als we de biografieën van de filosofen erop naslaan; voorbeelden die even divers zijn als hun opvattingen en persoonlijkheden.

Socrates wandelde met zijn gesprekspartners door Athene, over het marktplein, of langs de schaduwrijke oevers van beekjes even buiten de stad. De navolgers van Aristoteles werden de peripatetici genoemd, naar de wandelgang – peripatos – in het gebouw waar ze hun lessen gaven.

De flaneur

Petrarca ondernam in 1336 een tocht naar de top van de Mont Ventoux. Eenmaal boven las hij in Augustinus’ Belijdenissen dat dat soort ondernemingen er alleen maar toe leidt dat men zijn innerlijk verwaarloost. Met één been in de Middeleeuwen en één in de Renaissance aarzelde Petrarca nog of hij zijn blik naar buiten, naar het landschap moest keren, of naar binnen, naar zijn ziel, weg van het vluchtige aardse, het lichamelijke en het zintuiglijke: te wandelen, of terug te keren naar de eenzame, onbeweeglijke contemplatie van de kloostercel?
Walter Benjamin beschreef in de jaren twintig de flaneur, de stadse wandelaar, het prototype van de moderne mens die zich een houding geeft, zichzelf toont aan andere stedelingen, zich onderdompelt in de moderniteit en zich vergaapt aan de nieuwe uitvindingen: het gemotoriseerde verkeer en de etalages van warenhuizen en modewinkels.

Deze zwervende denkers waren allemaal op zoek naar zingeving. In die zin volgen filosofen de voetsporen van de pelgrims die hen met hun bedevaart zijn voorgegaan. Heilige plaatsen en bedevaartsoorden zijn van alle tijden. De Kelten reisden ver voor het begin van onze jaartelling al naar Kaap Finisterra, het einde van de wereld, het westelijkste puntje van het Europese vasteland, waar ze hun kleren en al hun bezittingen verbrandden en waarvandaan ze gelouterd terugkeerden. Het nabijgelegen Santiago de Compostela nam in christelijke tijden in gewijzigde vorm die functie over. Jeruzalem, Mekka, Ayers Rock, Varanasi, Lourdes, Père Lachaise, Hollywood, de Mount Everest, Graceland – het is maar een greep uit de plaatsen waar pelgrims naartoe trekken om eer te betuigen aan hun helden, goden, voorouders of scheppers.

”Het staat de wandelaar vrij om bij iedere stap, bij iedere splitsing opnieuw te kiezen welke kant uit te gaan”

De reis naar het heiligdom toe, is in veel gevallen minstens zo belangrijk als het doel van de reis. Het moet moeite kosten om het einddoel te bereiken: wie met het vliegtuig naar Lourdes of Mekka gaat, neemt een veel lagere plaats in de rangorde der pelgrims in dan degene die zich lopend of zelfs kruipend verplaatst. Een bedevaart heeft vaak iets van een boetedoening: juist de inspanningen en ontberingen werken reinigend voor de ziel.

De heilige plek, het doel van de bedevaart, is een manier om betekenis aan de wereld te geven: de wereld krijgt een middelpunt, abstracte symbolen krijgen een concrete plaats in de wereld en er ontstaat orde in de woestenij die de wereld was vóór de openbaring. De heilige plaats geeft de gelovige houvast. De moeizame tocht naar het heiligdom doordringt de pelgrim van de geopenbaarde orde van de wereld. De geestelijke zingevingsverhalen worden lichamelijk ervaren in de reis van de pelgrim.

Ronddwalen

Kenmerkend voor de bedevaart is dat het zingevende verhaal bekend is. Het dient door de pelgrim herhaald – en vooral niet veranderd – te worden; de pelgrim onderwerpt zich aan de mythen die zijn tocht betekenis geven; en in de tocht komen de materiële wereld en de wereld van ideeën samen. Het doel van de reis is bekend. De moeite die de reis hem kost, is zijn offer om zijn geloof te tonen en de moeizame reis door de buitenwereld wordt vooral begrepen als een afspiegeling van de reis van de pelgrim door zijn binnenwereld.

Wandelen is individueler, associatiever, zoekender en minder direct doelgericht dan op bedevaart gaan. In principe staat het de wandelaar vrij om bij iedere stap, bij iedere splitsing in de weg opnieuw te kiezen welke kant uit te gaan. Wandelen doe je voor je plezier, ter ontspanning, en niet om boete te doen of om je te onderwerpen. Als filosofen wandelen is de inzet van hun gedachtegang over het algemeen niet zo vrijblijvend als die van hun wandeling. Hun wandeling vereist een bepaalde instelling: ieder oordeel vooraf moet ter discussie staan, iedere uitkomst mogelijk, iedere wending die de gedachten kunnen nemen toegestaan. Voor een filosofische wandeling moeten we rustig de tijd nemen om ieder gezichtspunt – ieder landschap, ieder uitzicht – tot zijn recht te laten komen. Bij de pelgrim ligt de nadruk op behoud van het oude, bij de wandelende denker op de nieuwsgierigheid naar nieuwe mogelijkheden; geen enkel verhaal is heilig. Het risico te durven nemen om wegen in te slaan die misschien doodlopen, is daarbij onvermijdelijk.

”Heideggers Holzwege zijn doodlopende paden; je kunt over deze paden wandelen, nooit zul je ergens aankomen”

‘Wandelend denken’ alleen leidt nergens heen: geheel vrijblijvend, doelloos ronddwalen, leidt misschien wel naar allerlei panorama’s en associaties; maar zonder een doel – vermoed, gedacht, gedroomd, gehoopt – hebben we geen manier om onze blik te richten, geen referentiekader om het onbelangrijke te scheiden van het betekenisvolle. Als we enkel lopen om te genieten van het moment, van ons lichaam en van het landschap, dan is dat voldoende. Heidegger gaf zo twee van zijn boeken de titel Holzwege mee: naar de doodlopende paden in het Zwarte Woud, waarlangs houthakkers hun oogst uit de bossen halen: je kunt over deze paden wandelen en onderweg tot verrassende in- en uitzichten komen, maar uiteindelijk zul je altijd op je schreden moeten terugkeren. Nooit zul je werkelijk ergens, bij een einddoel, aankomen.

Als je inzet echter de oplossing van een probleem is, schiet Heideggers benadering tekort. De gedachten die tijdens het wandelen vanzelf in alle vrijheid opborrelen, moeten dan een plaats kunnen krijgen, een kader. Het is als met de twee soorten van vrijheid die Hegel onderscheidde: de volledige vrijheid om alle kanten uit te gaan – vrijblijvend en uiteindelijk betekenisloos, onverschillig – tegenover de vrijheid binnen een geordend systeem. Die laatste vorm is ingeperkt, maar ze maakt het juist daardoor mogelijk om doelen te onderscheiden, te kiezen en te bereiken. Uitgezette routes te over door het landschap (van het denken), maar alleen als we ze ook echt lopen, komen we erachter of we de juiste hebben gekozen. Gelukkig mag de wandelaar uiteindelijk altijd weer van de gekozen route afwijken, hoe dwingend de pijlen, borden en paaltjes hem ook willen leiden.

‘Verlies vooral niet je plezier in wandelen’, zei Søren Kierkegaard. ‘Ik loop mezelf elke dag tot een staat van welbevinden, weg van elke ziekte; ik ben al lopend tot mijn beste gedachten gekomen en ik ken geen gedachte zo bedrukkend of men kan er wel van weglopen (..). Dus als men gewoon blijft lopen, komt alles vanzelf in orde.’

Van Marco Kunst verscheen onlangs een bundel (reis)verhalen: De genietmachine (uitg. SUN, 160 blz., fl. 29,50/BEF.590).

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.