Home Heidegger in het kort

Heidegger in het kort

Door Hendrik Hutter op 14 november 2012

05-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

Een goede vertaling van Heidegger is niet eenvoudig. Maar het blijkt mogelijk.

Het blijft wonderlijk dat een filosoof die door velen ‘onleesbaar’ wordt genoemd, blijk geeft van een conse­quente manier van denken. Steeds wil Heidegger de werke­lijk­heid oorspronkelijker, radicaler fenomenologisch denken dan de filosofie vóór hem heeft gedaan. Daartoe acht hij het nood­zake­lijk een eigen filosofische taal te ontwikkelen met zijn eigen, vaak neologistische, termen. De oude concepten van de filosofie zijn volgens hem ondeugdelijk geworden door hun misleidende associaties.

Het vinden van treffende Neder­landse equiva­lenten voor de centra­le begrippen bij Hei­degger is daarom be­paald geen sine­cure. Uitge­verij Damon heeft nu in de Heidegger-reeks drie nieuwe delen uitgege­ven. Het betreft vertalingen van diverse korte teksten van Heidegger. De vertalers hebben een goede prestatie gele­verd. Ze hebben het voor elkaar gekregen Heideg­gers soms duistere schrijfselen om te zetten in leesbare Nederlandse teksten. Daarnaast leggen ze overtuigend verant­woording af voor de keuzes die bij het vertalen gemaakt zijn.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Het vertrekpunt is voor Heidegger telkens het (menselij­ke) Dasein, het er-zijn. In eerste instantie kan men slechts zeggen: ‘er is’. Hiermee neemt Heidegger een fundamenteler uitgangspunt dan wanneer wij de werkelijkheid trachten te verklaren vanuit het subject (zoals in de idealistische tradi­tie sinds Descartes) of met de nadruk op de objectieve werke­lijkheid (zoals in de empiristische tradities). Subjecten en objecten verschijnen pas in bepaalde zijnswijzen van het Dasein: zelfbetrokkenheid of objectgerichtheid. Anders gezegd: pas in een interpretatie of verstaan van de werke­lijkheid (‘door het Dasein’) komen de subjec­ten en objec­ten naar voren. Heidegger verwijt de filosofie een te grote gericht­heid op de zijnden, de objecten. Zelfs de idealistische tradi­tie valt dit verwijt ten deel omdat zij steeds meer of minder expliciet het subject opvat als een onveranderlijke substan­tie, als een quasi-object.

De filosofie lijdt volgens Heidegger aan ‘zijnsvergetenh­eid’, een miskenning van de ‘ontologische differentie’ tussen het zijn en de zijnden. Al het zijnde is, en dat is volgens Hei­degger het ‘wonder aller wonderen’. In alle fenomenen die de filosoof tracht te beschrijven is het zijn vaak impliciet meegedacht. Iedere verklaring van de werkelijkheid vooronder­stelt een (vaak verborgen) ontologie, een zijnsleer. Heidegger probeert steeds deze ontologie bloot te leggen. Of het nu gaat om het begrip van de waarheid, de tijd of de theologie, tel­kens probeert Heidegger ze te analyseren vanuit de zijnswijzen van het Dasein. In zekere zin is Heidegger te omschrijven als een filosoof die radicaal realistisch wil zijn, die de werke­lijk­heid tracht te denken vanuit haar meest oorspronkelijke ‘bro­n’: het zijn. Het paradoxale resultaat van deze denkbewe­ging is dat zij altijd stuit op een mystiek moment van de werke­lijk­heid: het zijn zelf. Dit zijn valt uiteindelijk niet in termen van zijnden te omschrijven, daarin is het immers altijd al voorondersteld. Dit is onvermijdelijk: iedere onto­logie is ‘ontisch geworteld’: wordt gedacht vanuit een werke­lijkheid van zijnden. Wij kunnen niet anders dan denken in termen van zijnden; van het zijn zelf kunnen we niet anders dan een gevoel ontwikkelen, het valt uiteindelijk niet ‘in begrip te grijpen’.

Als Heidegger een boodschap heeft, is het deze: weet dat de werkelijkheid uiteindelijk niet volledig inzichtelijk gemaakt kan worden, dat de menselijke existentie temporeel en eindig is (een ‘zijn-tot-de-dood’ is), dat het zijn niet vast­gelegd kan worden. Wees daarom ‘eigenlijk’. Zeg niet tegen jezelf dat je wel weet wie en wat je bent, maar besef dat je wezenlijk mogelijkheid bent, dat ‘in jezelf iets is’ wat niet volledig samenvalt met wat je van jezelf maakt of anderen van je maken, dat dit van-jezelf-maken slechts een mogelijke zijnswijze van het Dasein is. Kortom, vlucht niet voor het zijn in het zijn­de, heb de moed bij het zijn stil te staan, stil te worden. Onttrek je aan het ‘oneigenlijke’ geklets van ‘het men’.

In de teksten Over het wezen van de grond en Over het wezen van de waarheid leidt de wending naar het zijn tot een oor­spronkelijker waarheidsbegrip dan het traditionele begrip van waarheid als overeenstemming van oordeel met werkelijkheid. De oorspronkelijkste waarheid, waarop alle andere – meer concre­te, ‘ontische’ – waarheden zijn gebaseerd, is de waar­heid van de vrijheid, het laten zijn van het zijnde (als dat wat het is), de ‘onverborgenheid’, het ‘uitstaan in de ontbor­genheid van het zijnde’. Hiermee bedoelt Heidegger ongeveer het vol­gende. Doordat wij als ‘Daseins-matige’ wezens existe­ren, ‘uitstaan in het zijnde’, zijn wij tegelijkertijd trans­cendent ten opzichte van dat zijnde. We vallen er niet geheel mee samen. Daardoor hebben we de vrijheid dit zijnde te laten zijn, zich te laten tonen als dat wat het is. Pas dan is er de mogelijk­heid over dit zijnde ware oorde­len te vellen. De fundamenteel­ste waarheid is dus de waarheid van het zijn van het Dasein als iets voor welke er überhaupt zijnden kunnen zijn (het enige ‘wezen’ met ‘zijnsve­rstaan’), de waarheid van de oor­spronkelijke ontslotenheid van en open­heid voor het zijnde. Het vormt de laatste grond van iedere waarheid.

In Het begrip van de tijd maakt Heidegger onderscheid tussen het eigenlijke en het oneigenlijke tijdsbegrip. Het laatste, ontische, tijdverstaan is een begrip van de tijd in termen van duur. Tijd wordt daarin gekwantificeerd en objec­tief gevat. Dit is het tijdsbegrip van de wetenschappen, die trachten de tijd ‘vast te leggen’. Hieraan vooraf gaat het eigenlijke, ontologische tijdverstaan. Dit is een tijdverstaan in termen van mogelijkheid. In het besef van mogelijkheden zijn wij in het heden gericht op de toekomst vanuit het verle­den en is er begrip van (het verlopen van) de tijd. Het Dasein is niet in de tijd, ‘heeft’ niet al dan niet de tijd, maar is de tijd. Het gaat Heidegger er niet om te zeggen wat de tijd is (dit zou immers een omschrijven van de tijd in termen van zijnden­ opleveren, dus een ontisch tijdsbeeld), maar om hoe de tijd is. De tijd is het ‘hoe’ van het zijn (van het Dasein).
In Fenomenologie en theologie beschrijft Heidegger de theolo­gie niet als de wetenschap van God (die immers niet als weten­schappelijk object voorhanden is), maar als de wetenschap van het geloven. Dit geloven is een wijze van existeren waar­van de filosofie de ontologische grondstructuren moet explici­teren. Ze moet de conceptuele mogelijkheidsvoorwaarden van de theolo­gie blootleggen, aangeven hoe het zijn van het Dasein in elkaar moet zitten, zodanig dat geloof mogelijk is. Ook hier moet specifieke (ontologisch-naïeve) kennis weer leiden naar meer algemene kennis van het hoe van het zijn.

In De landweg, een korte, poëtische tekst, schrijft Heidegger: ‘Groeien betekent: zich openen voor de wijdsheid van de hemel en tegelijk wortelen in het donkere van de aarde; dat al het gedegene alleen gedijt wanneer de mens beide tege­lijk is: openstaand voor het appèl van de hoogste hemel, en opgeheven in de schoot van de dragende aarde’. Luisteren naar het zijn vanuit de wereld der zijnden maakt ‘de stilte nog stiller’, ‘bevreemdt en bevrijdt’, ‘geeft de onuitputtelijke kracht van het Eenvoudige’, ‘doet thuiskomen in een lange Herkomst’.

De drie boekjes zijn geschikt voor degenen die al enig gevoel voor Heideggers manier van schrijven en diens theoretische en methodische uitgangspunten hebben. Pas dan heeft het denk ik zin ze te proberen te lezen en uiteindelijk voorbij de (on)z­innige woorden te kijken.
 
Werken van Martin Heidegger bij Uitgeverij DAMON:
De landweg, vertaald door J. van Sluis, 32 blz. ¦ 14,90 / bef 298.
Over het wezen van de grond en Over het wezen van de waarheid, vertaald door H. van Veghel, 96 blz. ¦ 24,90 / bef 498.
Het begrip van de tijd, en Fenomenologie en theologie, ver­taald door J. van Sluis en A. Denker, 69 blz., ¦ bef 398.