Home God, verlos ons van uzelf

God, verlos ons van uzelf

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 24 september 2021

God, verlos ons van uzelf
Cover van 10-2021
10-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Filosoof Erick Meganck wil filosofie en theologie met elkaar verbinden en zoekt een ‘religieus’ atheïsme.

Als het om religie gaat, zegt de Vlaamse filosoof Erick Meganck het graag recht voor z’n raap: ‘Het getuigt van “gehaktbal­denken” om te roepen: “God bestaat niet, punt!” Dat noem ik het “platte atheïsme”. Dat is helaas de meest verspreide vorm ervan.’

In zijn boek Religieus atheïsme onderneemt Meganck een speurtocht naar een meer subtiele en bovendien filosofische vorm van atheïsme. Niet zonder ironie analyseert hij het godsbeeld van ‘twaalf apostelen’ of coryfeeën van de moderne westerse filosofie, onder wie Kierkegaard, Marx, Wittgenstein en Derrida. Met een opvallend resultaat: geen van deze filosofen ontkent domweg het bestaan van God. Zo heeft Marx niets tegen religie, zolang die maar geen opium van het volk wordt. Zijn volgelingen hebben hem echter een weinig subtiele atheïstische filosofie in de mond gelegd.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een sleutelfiguur in Megancks betoog is de twintigste-eeuwse filosoof Ludwig Wittgenstein. Zijn beroemde uitspraak ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’ lijkt te impliceren dat religie, ethiek en esthetica zinloos zijn. Niets is echter minder waar. Volgens Meganck bedoelt de jonge Wittgenstein alleen dat je niet filosofisch over bijvoorbeeld religie na kunt denken. Dat wil niet zeggen dat geloof, ethiek en esthetica onbelangrijk zijn: je moet ze juist in je leven belichamen. In Wittgensteins eerste hoofdwerk, de Tractatus, zie je deze opvatting bijvoorbeeld in uitspraken als: ‘De oplossing van het probleem van het leven merk je aan het verdwijnen ervan.’ Iemand die deze oplossing meemaakt, leeft als het ware van dag tot dag zijn antwoord.

De late Wittgenstein richt zich op de wijze waarop wij taal gebruiken. Centraal in deze filosofie staat het onderwerp ‘taalspel’ dat zijn eigen waarheid genereert. Tegelijkertijd is er geen absolute waarheid of ijkpunt voor het waarheidsgehalte van de verschillende taalspelen. Op die manier kun je stellen dat God alleen bestaat binnen het religieuze taalspel. We lijken hier opnieuw met een volkomen atheïsme te maken te hebben, maar Meganck geeft overtuigend aan dat Wittgenstein een subtieler punt wil maken, namelijk over datgene wat onze taalspelen en dus ons denken drijft. Meganck: ‘Wat en hoe we denken is niet wild in de zin van “willekeurig”. Het lijkt alleen maar zo omdat we de wetmatigheden van het denken zelf niet kennen, laat staan beheersen.’ Daarom kun je dat wat ons denken drijft ‘theologisch’ noemen, omdat we het ‘alleen maar kunnen thematiseren als ontoegankelijk; we kunnen het niet als voorwerp van het denken analyseren.’

Het religieuze atheïsme dat door Meganck wordt bepleit, ligt in lijn met Wittgensteins ontoegankelijkheid en onbeheersbaarheid van datgene wat ons denken drijft. De Vlaamse filosoof merkt namelijk op dat de Naam (met hoofdletter!) van God overal klinkt: ‘God is namelijk een woord dat ongevraagd alle taalspelen in en uit wandelt. Die naam verstoort elk taalspel.’

De Naam van God slaat uitdrukkelijk niet op een hoogste zijnde of ‘oude grijze man in de hemel met een gigantisch switchboard’, want anders verval je weer in het platte atheïsme. Integendeel, de Naam is niet te fixeren, niet in een doel-middelschema op te sluiten, maar trekt de wereld juist open. Volgens Meganck houdt deze openheid de belofte op hoop en vertrouwen in: ‘Goddelijk
betekent dan bijvoorbeeld: beter zonder te weten wat “beter” inhoudt. Een “beter” dat berust op vertrouwen in plaats van meting.’

Elk beeld van God staat een ontmoeting met Hem juist in de weg

Frappant genoeg komt Meganck met het openende karakter van de godsnaam dicht in de buurt van mystici zoals de dertiende-eeuwse Meister Eckhart. Deze Duitse denker benadrukt voortdurend dat je niet kunt zeggen wie God is en dat elk conceptueel beeld dat je van Hem maakt een ontmoeting met Hem juist in de weg staat. Vandaar dat Eckhart in een van zijn preken de paradoxale wens uit: ‘Wij bidden God om ons te verlossen van God.’

Meganck haalt dit gebed of liever antigebed van Eckhart zowel in de in- als uitleiding aan. Bovendien stelt hij dat het religieuze atheïsme gehoor geeft aan deze mystieke oproep. Als je het concept ‘God’ namelijk van alle metafysische ballast ontdoet, kan de Naam zijn openende werk doen. Gevolg is dat de theologie en de filosofie elkaar de hand kunnen reiken en wellicht hoopvolle nieuwe wegen in kunnen slaan. Een vreugdevolle boodschap, die door Meganck met grote overtuigingskracht en eruditie wordt gebracht. Voorwaar geen gehaktbal!

Religieus atheïsme. (Post)moderne filosofen over God en godsdienst
Erik Meganck | Damon | 255 blz. | € 24,90