Home Filosofie is makkelijker als je denkt Filosofie is makkelijker als je denkt: wat is bewustzijn?
Bewustzijn Filosofie is makkelijker als je denkt

Filosofie is makkelijker als je denkt: wat is bewustzijn?

In ‘Filosofie is makkelijker als je denkt’ helpen we je in vijf stappen op weg in het zelf leren denken. Dit keer: wat is bewustzijn?

Door de redactie op 28 april 2023

bewustzijn hoofd

In ‘Filosofie is makkelijker als je denkt’ helpen we je in vijf stappen op weg in het zelf leren denken. Dit keer: wat is bewustzijn?

FM5 cover vergeten Filosofie Magazine
05-2023 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

1. Inleiding: ‘Ik denk, dus ik ben’

Filosofie is makkelijker als je denkt. Maar wát denkt er nu precies? Een korte inleiding in de filosofie van het bewustzijn.

Wat is bewustzijn? We zijn allemaal bewuste wezens, en toch weten we verrassend weinig over de aard van het bewustzijn. Misschien denk je er weleens over na of je bewustzijn in je hoofd zit of ergens anders. Of misschien vraag je je weleens af of anderen wel dezelfde bewuste ervaringen hebben als jij. Als we allebei iets roods zien, zien we dan hetzelfde? Of is jouw rood voor mij blauw?

Toch is niets zo zeker als het bestaan van het bewustzijn, stelde René Descartes (1596-1650). In zijn beroemde Meditaties over de eerste filosofie (1641) laat hij zien dat we alles waar we ons bewust van zijn in twijfel kunnen trekken. Alles wat je ruikt, voelt en ziet is misschien wel een illusie. Maar, meent Descartes, je kunt niet betwijfelen dát je bewuste ervaringen hebt. Het bewustzijn zelf, het twijfelende ‘ik’, moet dus wel bestaan. Zo kwam hij tot misschien wel de beroemdste oneliner uit de filosofie: ‘Ik denk, dus ik ben.’

Weten we ooit wat bewustzijn is?

Maar hoewel je je eigen bewuste ervaringen niet kunt betwijfelen, weet je nooit zeker of anderen net als jij een bewustzijn hebben. Hoe weet je nu of degene die naast je zit geen zombie of robot is? En waar is jouw bewuste ‘ik’ van gemaakt? Descartes dacht dat het bewustzijn een onbelichaamde geest was. Tegenwoordig denken steeds meer wetenschappers dat het bewustzijn terug te brengen is tot fysieke processen in het brein.

Maar volgens de Australische filosoof David Chalmers (1966) is dat nog maar de vraag. Stel nou, schrijft hij, dat je alles weet wat er te weten valt over kleurenwaarneming in het brein. Je weet bijvoorbeeld precies welke neuronen actief worden als je de kleur rood ziet. Maar zelf heb je nog nooit de kleur rood gezien; je bent kleurenblind. Stel nu dat je wordt genezen en voor het eerst iets roods waarneemt. Heb je dan een nieuwe ervaring?

Chalmers denkt van wel. Hij noemt dit ‘het moeilijke bewustzijnsprobleem’: we kunnen nooit precies uitleggen wat de connectie is tussen fysieke processen en bewuste ervaringen. Onzin, vindt de beroemde bewustzijnsfilosoof Daniel Dennett (1942). Volgens Dennett bestaat het moeilijke bewustzijnsprobleem gewoon uit allerlei vraagstukken over de werking van het brein die kunnen worden opgelost.

Zullen we ooit weten waar het bewustzijn van is gemaakt? En waar het zich bevindt?

Misschien niet. En misschien is dat ook helemaal niet erg, schreef Descartes in een brief over de Meditaties aan Elisabeth van de Palts. Je moet sowieso nooit te lang achter elkaar over dit soort onzekerheden nadenken, vond hij, want dan word je met zekerheid helemaal gek.

2. Vragen stellen: wat is bewustzijn?

Volgens Socrates, Cicero en Montaigne is filosoferen niet alleen de kunst van het vragen, maar is filosoferen ook leren sterven. En daarmee is meteen veel gezegd over het soort vragen dat de filosoof stelt: wat komt er na de dood? Wat is leven? Vragen die vragen om een antwoord, terwijl je weet dat dat er niet is. De vraag van de filosoof laat zien dat we het leven nooit van buitenaf kunnen verklaren en dat we dus telkens onze wereld van binnenuit moeten bestuderen. Probeer nu eens met die houding deze vraag te stellen: wat is bewustzijn? (En welke vragen zijn er nog meer te bedenken?)

Waar liggen de grenzen van je bewustzijn?

Kun je kennis hebben van de gewaarwordingen van anderen?

Kan alles wat je waarneemt een illusie zijn?

Is bewustzijn fysiek verklaarbaar?

Hoe hangt het bewustzijn samen met het lichaam?

Hebben computers een bewustzijn?

Wat voor soort bewustzijn hebben dieren?

Hoe weet je zeker of degene naast je geen robot is?

Is rood voor mij hetzelfde als voor jou?

3. Paradox: ‘Het regent, maar ik denk niet dat het regent’

Kun je denken dat je denkt, zonder dat je denkt? Filosofie is moeilijker als je denkt in paradoxen. Door Barteld Kooi.

Met de plek op je netvlies waar alle zenuwen samenkomen kun je niks zien. Het is een blinde vlek. Daar ben je je meestal niet bewust van. Sterker nog: je moet echt moeite doen om te merken dat je daar niks mee ziet. Je ziet dus ook niet dat je daar niks mee ziet. Het ontsnapt aan je bewustzijn.

De Britse filosoof G.E. Moore stuitte op een zin die ook een soort blinde vlek is: ‘Het regent, maar ik denk niet dat het regent.’ Het rare is dat het best zo kan zijn dat het regent zonder dat ik denk dat het regent, maar ik zou het nooit zeggen, omdat ik nooit de gedachte zou kunnen hebben: ‘Het regent, maar ik denk niet dat het regent.’ Oftewel, het kan wel zo zijn, maar het ontsnapt aan mijn bewustzijn: een blinde vlek. Wittgenstein noemde dit Moore’s paradox en beschouwde het als Moore’s belangrijkste bijdrage aan de filosofie. Roy Sorensen schreef zelfs een heel boek Blindspots waarin hij dit verschijnsel bestudeert.

Even tussendoor… Elke week zelf leren denken met Filosofie Magazine? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief

Meld u aan voor onze nieuwsbrief

Ontvang elke woensdag het laatste filosofie nieuws, de beste artikelen van de week en af en toe een aanbieding.
Ontvang wekelijks het laatste filosofienieuws, de beste artikelen en af en toe een aanbieding.

Iemand anders zou natuurlijk wel kunnen denken dat het regent en tegelijk over mij kunnen denken dat ik dat niet denk. Het zou ook een beetje raar zijn om dat vervolgens tegen mij te zeggen, maar als het me ter ore zou komen dan zou het daardoor vanzelf al niet meer waar zijn, als een soort self-defeating uitspraak: ‘Goh, wat is het stil hier!’ of meer zoals Moore’s paradox: ‘Niemand weet dat ik Repelsteeltje heet.’

Toch doen we weleens zulke uitspraken. Denk aan de beroemde uitspraak van Socrates: ‘Ik weet dat ik niets weet.’ Dat klonk toen ook al raar. Of bij een toets op school kun je van elk antwoord dat je invult denken dat het klopt, maar uit bescheidenheid tegelijkertijd denken dat er vast ergens een fout zit. Dat is eigenlijk best realistisch, ook al lijkt het erg op Moore’s paradox. Het roept de vraag op in hoeverre we ons bewust kunnen zijn van waar we ons wel en niet bewust van zijn. Het lijkt erop dat we ons erbij neer moeten leggen dat er dingen zijn waar we ons niet bewust van kúnnen zijn.

4. Gedachte-experiment: weten dat je iets weet

Wetenschap toetst met experimenten de feiten, filosofie toetst met experimenten het denken.

Stel je voor!
Hebben computers een bewustzijn? Stel, je zit opgesloten in een kamer vol met boeken met Chinese tekens. Je weet zelf niets van Chinees, maar je hebt een instructieboekje gekregen waarin staat hoe je de tekens moet gebruiken. Op een gegeven moment komt er via een gleuf een papier binnen met daarop een reeks Chinese tekens. Met behulp van het instructieboekje en de boeken met Chinese tekens zoek je uit hoe je moet reageren. Je schrijft de juiste tekens op een papier en duwt dat terug door de gleuf.

Wat je niet weet, is dat er mensen buiten de kamer zijn die wel Chinees spreken. Ze hebben het papier naar binnen gestuurd met een vraag in Chinese tekens en krijgen vervolgens het juiste antwoord op die vraag terug. Daarop concluderen ze dat er iemand in de kamer zit die Chinees begrijpt. Maar is er wel echt sprake van begrip?

Tekst loopt verder onder afbeelding

Nee, dacht John Searle (1932), de bedenker van dit gedachte-experiment. Er is namelijk niets of niemand in de kamer die weet waar hij het over heeft: de boeken met Chinese tekens bevatten wel informatie maar ‘weten’ dat niet, terwijl de persoon in de kamer geen woord Chinees kent en blindelings instructies volgt. De kamer vormt een machine die informatie verwerkt, zonder zich bewust te zijn van de inhoud van die informatie. De Chinese Kamer kan wel Chinees, maar begrijpt het niet.

Niet toevallig lijkt de situatie in de kamer op een computer; het instructieboekje is het programma, de persoon is de processor en de boeken zijn de data. Searles doel met dit gedachte-experiment was om te laten zien dat computers geen bewustzijn hebben. Net als de Chinese Kamer kunnen computers regels volgen, data gebruiken en de juiste output leveren, maar ze zijn zich niet bewust van wat ze doen.

Echt?!
Searle publiceerde zijn artikel over de Chinese Kamer in 1980. Inmiddels zijn computers en andere vormen van kunstmatige intelligentie vele malen beter geworden. Ze kunnen de wereldkampioen schaken verslaan, auto’s besturen en artikelen schrijven. In gesprek met Siri of ChatGPT is het steeds moeilijker om te geloven dat kunstmatige intelligentie geen bewustzijn heeft. Volgens critici, zoals de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett, klopt Searles argument dan ook niet. Zij vinden Searles idee van bewustzijn te beperkt. Misschien zit er niemand ín de Chinese Kamer die Chinees begrijpt, maar kan de kamer als geheel, als systeem, dat wel. Moeten we ruimer gaan denken over het bewustzijn?

5. Close reading: Wittgenstein over pijn

Filosofie is ook makkelijker als je leest. Goed leest. Filosofische bronteksten zijn niet altijd even makkelijk te begrijpen. Daarom helpen we je in een close reading op weg met extra context en commentaar bij deze tekst van Ludwig Wittgenstein over pijn.

293*1 Als ik van mijzelf zeg dat ik alleen uit mijn eigen geval weet wat het woord ‘pijn’*2 betekent, – moet ik dat niet ook van anderen zeggen? En hoe kan ik dan dat ene geval op zo’n onverantwoorde manier generaliseren?

Nu, iedereen zegt mij over zichzelf dat hij alleen uit zijn eigen geval*3 weet wat pijn is! – Veronderstel dat iedereen een doosje zou hebben, en dat daarin iets zat dat wij ‘kever’ noemen. Niemand kan ooit in het doosje van een ander kijken; en iedereen zegt dat hij alleen doordat hij naar zijn kever gekeken heeft weet wat een kever is. – Dan zou het toch kunnen zijn dat iedereen een ander ding in zijn doosje had*4. Ja, je zou je kunnen voorstellen dat zo’n ding voortdurend veranderde. – Maar als het woord ‘kever’ van deze mensen nu toch een gebruik had? – Dan zou het niet de aanduiding van een ding zijn*5. Het ding in het doosje maakt helemaal geen deel uit van het taalspel; zelfs niet als een iets: want het doosje zou ook leeg kunnen zijn. Nee, dit ding in het doosje kan ‘uit de vergelijking weggestreept worden’; het verdwijnt, wat het ook is*6.

Uit: Ludwig Wittgenstein, Filosofische onderzoekingen, vert. Maarten Derksen en Sybe Terwee, Boom, 2022.

  1. Ludwig Wittgenstein (1889-1951) was een van de belangrijkste taalfilosofen van de vorige eeuw. Zijn boek Filosofische onderzoekingen (1953) had grote invloed op discussies over bewustzijn. Het werk bestaat uit korte, genummerde stukjes tekst, waarin allerlei voorbeelden en gedachte-experimenten worden uitgewerkt.
  2. Wittgenstein gebruikt pijn als ingang voor een discussie over bewustzijn. Pijn is een bewuste ervaring waarvan de realiteit niet te betwijfelen is: als je denkt dat je pijn hebt, heb je ook pijn. Maar de pijn van anderen kun je wel betwijfelen: hun pijn kun je niet voelen, maar alleen afleiden uit hun gedrag en taalgebruik.
  3. Hier bespreekt Wittgenstein een visie die bekendstaat als de theory of mind: ieder individu komt er alleen via zichzelf achter wat bewustzijn is. Eerst ontdek je dat je zelf bewuste ervaringen zoals pijn hebt, vervolgens schrijf je die toe aan anderen.
  4. Wittgenstein stelt hier dat je het bewustzijn volgens de theory of mind kunt vergelijken met een kever in een doosje. Iedereen weet enkel wat een kever is door in zijn eigen doosje te kijken – de doosjes van anderen blijven voor jou gesloten. Hoe weet je dan of anderen ook een kever in hun doosje hebben, en geen vlinder, of zelfs helemaal niets? Met andere woorden: hoe weet je dat anderen bewuste wezens zijn? Dit heet ook wel ‘the problem of other minds’: je kunt nooit bewijzen dat anderen net als jij bewust zijn.
  5. Nu komt Wittgenstein tot de kern van zijn argumentatie: de kever in het doosje is geen ‘ding’ waar we met taal aan kunnen refereren zoals aan een tafel of een boom. Dat komt doordat twee personen nooit dezelfde kever kunnen zien. We hebben het dus wel over bewuste ervaringen alsof het aanwijsbare dingen zijn, maar dat is niet zo.
  6. Wittgenstein concludeert iets verrassends: het maakt niet uit wat er in het doosje zit. Wat uitmaakt is dat we het over bewuste ervaringen kunnen hebben en elkaar dan begrijpen. Zo ontkracht Wittgenstein de theory of mind: volgens hem wordt de betekenis van bewustzijnstoestanden niet geleerd door eerst naar je eigen pijn te kijken en dan pas naar anderen, maar in de publieke gemeenschap.