Home Deze filosoof voorspelde 100 jaar geleden onze ondergang

Deze filosoof voorspelde 100 jaar geleden onze ondergang

Door Ype de Boer op 25 september 2017

Deze filosoof voorspelde 100 jaar geleden onze ondergang
Cover van 10-2017
10-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Oswald Spenglers beroemde klassieker De ondergang van het Avondland biedt een dwingende kijk op de wereldgeschiedenis. Kunnen wij westerlingen ontkomen aan ons lot?

Weinig filosofische werken uit de twintigste eeuw zijn zo omvangrijk (zo’n 1200 pagina’s), zo controversieel én zo invloedrijk als Oswald Spenglers magnum opus De ondergang van het Avondland. Het verscheen in twee delen, kort na de Eerste Wereldoorlog, en het liet sporen na bij denkers als Heidegger, Wittgenstein en Adorno, maar ook bij schrijvers als Thomas Mann en Henry Miller. Spenglers geschiedfilosofie kreeg meteen bijval en erkenning, maar werd door velen ook gezien als gevaarlijk: men verweet de schrijver cultuurpessimisme, fatalisme en zelfs nazisme. Tot op zekere hoogte is dit begrijpelijk – Spengler beschrijft inderdaad de noodzakelijke ‘ondergang’ van de westerse cultuur en democratie, schreef empathisch over rasverschillen en had een ontmoeting met Hitler. En toch geven deze feiten een vertekend beeld. Wie Spengler zorgvuldig leest, zal scherpe observaties ontdekken over het verleden, maar ook over ons eigen heden. Wie was Oswald Spengler en hoe kwam hij tot zijn verstrekkende en soms verontrustende inzichten?

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Levensangst

Mensen zijn volgens Spengler in de kern gespleten wezens: mens zijn is bestaan, deel zijn van het natuurproces, van het vergankelijke en historische leven, en tegelijkertijd wakker-zijn, een denkend wezen zijn dat zijn omringende wereld probeert te doorgronden, vast te leggen en van blijvende betekenis te voorzien. Spengler maakt onderscheid tussen dadenmensen en geestelijken, tussen doeners die – zoals de adel, ridders, politici en zakenlui – werkelijkheid maken en denkers die – zoals priesters, filosofen, geleerden en idealisten – er theoretisch van abstraheren. Slechts enkele figuren combineren beide aspecten van het menselijk leven.

Willen we Spenglers denken in relatie tot zijn leven begrijpen, dan is dit grootse ideaal van de ‘denkende dadenmens’ een goed uitgangspunt. Niet alleen heeft Spengler namelijk een majestueuze filosofie ontwikkeld, hij heeft tevens geprobeerd zijn enorme denkkracht in dienst te stellen van het leven en de geschiedenis, van het ‘lot van de westerse cultuur’. Zijn leven is ruwweg in twee periodes te verdelen. De eerste, langste periode stond in het teken van zijn ontwikkeling tot filosoof. De laatste veertien jaar van zijn leven richtte hij zich op zijn politieke ambities.

Zijn hele leven had Spengler gezondheidsproblemen. Als kind al leed hij aan paniekaanvallen, angststoornissen, migraine, slaapwandelen en nervositeit – een erbarmelijke toestand, die hij later zelf samenvatte als ‘levensangst’. Zijn focus lag in zijn jeugd dan ook niet op de concrete werkelijkheid, maar op de geest en zijn verbeelding: op 15-jarige leeftijd schetste hij de geschiedenis, geografie en samenleving van fictieve werelden. Na zijn gymnasiumopleiding kon Spengler wis- en natuurkunde studeren omdat hij wegens hartklachten gevrijwaard was van militaire dienst. In 1904 promoveerde hij op een proefschrift over Heraclitus. Na zijn dissertatie behaalde hij zijn leraarsbevoegdheid met een studie over de ontwikkeling van het oog bij hogere dieren. Spengler werkte korte tijd als leraar, maar toen zijn moeder stierf en hem een kleine erfenis naliet, besloot hij zich volledig op schrijven toe te leggen. Hij vertrok in 1911 naar München en schreef daar cultuurkritische, monarchistische en antidemocratische stukken, waaruit zijn politieke betrokkenheid duidelijk naar voren komt. Langzaam groeide bij hem het besef dat er, om grip te krijgen op de huidige cultuur en politiek, een veel omvangrijkere studie nodig was. Een studie waarin het heden in verband zou worden gebracht met de geschiedenis, en dan niet alleen die van de afgelopen decennia, maar van de hele wereldgeschiedenis. Hij verruilde, om zijn eigen woorden te gebruiken, het kikkerperspectief voor een adelaarsperspectief en begon aan De ondergang. We nemen een kijkje.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De eerste regels uit de inleiding van De ondergang liegen er niet om: ‘In dit boek wordt voor het eerst een poging gewaagd het verloop van de geschiedenis op voorhand te bepalen. Het gaat erom het lot van een cultuur – de West-Europees/Amerikaanse – in haar nog niet doorlopen stadia te volgen.’ En dit op z’n zachtst gezegd ambitieuze streven, zo lezen we kort daarop, vereist niets minder dan een doorgronding van de logica van de wereldgeschiedenis – dat wil zeggen, van ‘de geschiedenis van de hogere mensheid en de grote culturen die ongeveer 6000 jaar beslaat’. Op welke manier denkt Spengler deze kolossale belofte in te lossen?

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Spenglers hoogst originele idee is om culturen als ‘levende organismes’ te beschouwen, als ‘bezielde eenheden’ die zich volgens een bepaalde ‘organische logica’ ontwikkelen en die binnen een periode van ongeveer 1000 jaar dezelfde algemene stadia doorlopen. Net als planten, dieren en mensen volgen culturen een strikte cyclus van geboorte, bloei, rijping en verwelking. Hoewel culturen allemaal ditzelfde patroon volgen, bezitten ze elk een volstrekt eigen karakter. Ze geven uitdrukking aan ‘de idee van een menselijke bestaansvorm’, aan een ‘ziel’, die zich in kunst, moraal, religie en wetenschap verwerkelijkt.

Vergelijk het met de loop van een mensenleven. Mensen worden gemiddeld zo’n 70 jaar. Een mensenleven kent geboorte, jeugd, volwassenheid, oude dag en sterfte. Dat is de gedeelde organische vorm. Daarnaast spreken we over het eigen karakter of de ziel van een individu, in de kiem – bij geboorte – al aanwezig. Naarmate het individu opgroeit treedt die ziel steeds duidelijker naar voren. Op basis van iemands uiterlijke voorkomen – gezicht, houding, gebaren, taalgebruik – trekken we conclusies over diens karakter, waarvan we vervolgens zeggen dat het ‘ten grondslag’ ligt aan precies deze uiterlijkheden. Ten tijde van Spengler werd deze vorm van ‘mensenkennis’ op wetenschappelijke wijze onderzocht onder de noemer fysionomie. Anno 2017 wordt deze discipline niet meer erkend en zijn wetenschappers zuinig met noties als ‘ziel’ en ‘karakter’, maar in het dagelijks leven verhouden we ons natuurlijk voortdurend op ‘fysionomische’ wijze tot elkaar (Piet gedraagt zich zus en zo, dus heeft hij het volgende karakter. En omgekeerd: Piet is zus en zo, en gedraagt zich daarom op deze manier). Verwijzend naar deze oude leer noemt Spengler zijn historische methode eveneens fysionomie: ‘Mensenkenner zijn betekent voortaan ook die menselijke organismen van de hoogste orde, die ik culturen noem, kennen, hun karaktertrekken, hun taal, hun handelingen begrijpen, net zoals men die van een individueel mens begrijpt.’

Net als bij de fysionomie van een mens kijkt men in de fysionomie van culturen naar hun uiterlijke verschijning – dat wil zeggen, naar alle uitingen binnen een bepaalde cultuur: kunst, religie, wetenschap, politiek, economie enzovoort. Voor de historisch fysionoom hebben alle historische feiten, alle wetenschappelijke resultaten, politieke meningen en filosofische scheppingen geen enkele waarde op zichzelf, maar altijd en alleen in relatie tot de ziel en het wereldgevoel waaraan ze uitdrukking geven: ‘Al wat is, is symbool.’
 

Oersymbool

Spengler onderscheidt ten minste negen grote culturen: de westerse, antieke, Arabische, Indiase, Egyptische, Babylonische, Chinese, Mexicaanse en Russische cultuur. Verreweg de meeste aandacht besteedt hij aan de drie eerstgenoemden. Doorslaggevend in een cultuur is de wijze waarop de omringende wereld beleefd wordt. Dit is volgens hem het ‘oersymbool’ dat ten grondslag ligt aan alle kunstzinnige, religieuze en wetenschappelijke scheppingen binnen die cultuur. Het oersymbool van de westerse cultuur noemt hij bijvoorbeeld de ‘oneindige ruimte’. Westerse mensen denken en leven in termen van oneindigheid. Spengler ziet dit terug in de architectuur van de gotische kathedraal, die volgens hem omhoogwijst; in de instrumentale muziek en impressionistische kunst, die het zintuiglijke proberen te overstijgen; in de infinitesimaalrekening uit de westerse wiskunde en de dynamische principes uit de mechanica; in de westerse moraal die uitgaat van een ‘ik’ met een wil dat zich strijdend ontwikkelt tegenover andere krachten. 

In sterke tegenstelling hiermee staat het oersymbool van de antieke cultuur: nabijheid en lichamelijkheid. De euclidische wiskunde is een wiskunde van meetbare en tastbare materie en kent het getal 0 niet; het hoogtepunt van hun kunst is het standbeeld van het naakte lichaam; de antieken leefden volgens het principe van carpe diem en zonder zorg om toekomst en verleden. Hun moraal betreft de evenwichtige houding, voornamelijk ten overstaan van het lot.

De Arabische cultuur, waaronder Spengler ook het vroege Jodendom en christendom schaart, heeft als oersymbool de ‘holte’. Dat komt tot uiting in hun koepelbouw, maar ook in hun opvatting van de geschiedenis. Voor hen is de geschiedenis een periode tussen een begin der tijden en een laatste dag, waarboven een goddelijke hemel gespannen staat die haar aanstuurt, en waaraan men zich overgeeft (islam, ‘overgave’).

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Volgens Spengler staat het de mens niet vrij om een levenshouding en wereldbenadering te kiezen. Voor leden van welke cultuur dan ook staat dit onveranderlijk vast, en elke poging om jezelf een andere cultuur toe te eigenen is gedoemd te falen. De Renaissance, waarin men terug wilde naar het antieke ideaal, drukt in de omvorming van het antieke naar het westerse alleen maar nog sterker het specifiek westerse uit. Een recenter voorbeeld wellicht: new age-bewegingen die oosterse gebruiken of waarheden tot zich willen nemen (zoals yoga of mindfulness), maar die zich er niet van bewust lijken te zijn hoever de wil- en zelfloosheid van oosterse tradities afstaan van onze cultuur, die sterk op wil en ego gericht is. Volgens Spengler doet men er veel beter aan het eigen westerse karakter zo veel mogelijk te omarmen – maar daarover straks meer.

De kloof tussen culturen betekent tegelijkertijd dat het niet mogelijk is om de ene leefwijze moreel te prefereren boven de andere. De westerse is niet beter dan de Arabische of Chinese: ‘Binnen een cultuur is een moraal altijd waar, daarbuiten altijd onwaar.’ Spenglers denken bevat een stevige kritiek op elk vooruitgangsdenken, dat stelt dat het westerse heden dichter bij de waarheid staat, beschaafder en ontwikkelder is dan andere of voorgaande culturen. In die zin was Spengler ook niet nazistisch: hoewel Spengler Joden tot een ander ras en andere cultuur rekende, beschouwde hij ze niet als inferieur en is er bij hem geen sprake van rassenhiërarchie.

Ondergang

Als culturen noodzakelijk algemene stadia volgen, in welke fase bevindt het westerse heden zich dan? Daarover heeft Spengler geen twijfel: de laatste. Het sterven van een cultuur betekent volgens Spengler de overgang van cultuur naar civilisatie – een afsluitende periode die in voltooide vorm nog onbeperkt kan blijven bestaan. Civilisatie duidt het moment aan waarop een cultuur haar ziel volledig verwerkelijkt heeft, haar hoogtepunt voorbij is en aan haar ondergang begint. Dit is volgens Spengler de situatie waarin de westerse cultuur zich begin twintigste eeuw bevindt. De wis- en natuurkunde hebben het onderzoek naar grote problemen opgegeven en richten zich op eindeloze hypothese- en theorievorming om de gaten in de al staande bouwwerken te vullen. Kunst brengt geen grote werken meer voort en vervalt tot kunstnijverheid en broodwinning. Filosofie stelt geen grote vragen meer, maar gaat zich op de praktijk richten. Leven en moraal worden niet meer als vanzelfsprekend beschouwd en worden problematisch. Zoals elke tijd van civilisatie kenmerkt het heden zich door een afwenden van culturele praktijken en een gerichtheid op feiten, expansie en geld. 

Op politiek vlak is civilisatie de periode dat de democratie zowel haar hoogtepunt als haar ondergang zal meemaken. Het is de tijd waarin men alle politiek op basis van een adellijke traditie, van culturele en ‘godgegeven’ vormen achterlaat en een bestuursvorm op basis van waarden als gelijkheid, vrijheid, kiesrecht, persvrijheid en humaniteit sticht. In werkelijkheid komt dit volgens Spengler neer op een heerschappij van rijke mensen: ‘In feite behoort tot de vrijheid van meningsuiting de bewerking van die mening, die geld kost, en tot de persvrijheid het bezit van de pers, wat een geldkwestie is, en tot het kiesrecht de verkiezingscampagne, die afhankelijk blijft van de wensen van de geldschieter.’ Daarmee is alle democratische vrijheid en zelfbeschikking van het volk een wassen neus, en vormt de massa eigenlijk het werktuig van de geldbeschikkers. Het behoeft geen betoog dat deze ontmaskering van de democratie als plutocratie in onze tijd niets aan relevantie heeft verloren: politici zijn sterk afhankelijk van campagnefinanciering, academici moeten beurzen aanvragen, megabedrijven als Facebook en Google hebben onwaarschijnlijk veel invloed op onze meningen, smaken en verlangens.

Moe van alle beïnvloeding via de pers en de complete gerichtheid op geld, zo voorspelt Spengler enkele jaren voor Hitler zich verkiesbaar stelt, zal het volk zich uiteindelijk ondergeschikt maken aan de privépolitiek van een ‘groot individu’, gelijk Caesar, die zijn vorm op hen zal drukken. De komst van dergelijke individuen betekent het einde van de democratie, en luidt een 100- tot 200-jarige periode in van oorlogen van ongehoorde proporties. Spengler voorspelt daarmee de Tweede Wereldoorlog, maar biedt hier wellicht ook een interessant perspectief op wat er nu gaande is in Amerika en Turkije. Nuances daargelaten, verschijnen Trump en Erdogan dan als individuen die vanuit de democratie opkomen, en die gesteund door het volk tegelijkertijd allerhande democratische en humanistische waarden aan de kant schuiven.

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Fatalisme

Gezien deze diagnose van zijn (en ons) heden, is het niet verrassend dat Spenglers denken pessimistisch wordt genoemd. Wat misschien echter nog moeilijker te verteren is, is zijn stelling dat deze gebeurtenissen een historisch noodzakelijke ontwikkeling betreffen, waartegen we niets kunnen doen. De Tweede Wereldoorlog, maar ook de geldheerschappij en de opkomst van Caesar-achtige individuen, zijn geen ‘terugval’ achter de beschaving en ook geen fouten of uitzonderingen, maar het logische gevolg van de democratie en de fase waarin de westerse cultuur zich nu eenmaal bevindt. Volgens Spengler is deze ontwikkeling ons lot. Hij stelt dat we dit lot moeten omarmen, in plaats van wanhopige pogingen te doen om de democratie nieuw leven in te blazen of nieuwe ideologische, spirituele of kunstzinnige bewegingen op te zetten. Voor hem was dit geenszins een droevige boodschap – enkel een realistische – en bood het inzicht in onze situatie juist de ruimte om adequaat te handelen. Wil de westerse beschaving blijven bestaan, aldus Spengler, dan moeten we deze ontwikkeling bewust mee voltrekken en de civilisatie zo vormgeven dat ze, net als die van India en China, een stabiele vorm krijgt die duizenden jaren in de kern onveranderd kan bestaan. Verzet tegen ons lot betekent frustratie en ongeluk; omarming biedt mogelijkheden. Het is vanuit deze overtuiging dat hij na publicatie van De ondergang politiek heeft bedreven.

In 1922 probeert Spengler – precies in lijn met zijn analyse van democratie en geldheerschappij – een geheim bureau op te zetten om de macht over de pers te verwerven en nationalistisch sentiment op te wekken. Wanneer dit plan faalt probeert hij, overeenkomstig zijn these dat democratie noodzakelijk omslaat in de dictatuur van een groot individu, om generaal Hans von Seeckt aan de macht te krijgen en later staatscommissies Gustav von Karl. Persoonlijke ontmoetingen met beide heren laten Spengler echter gedesillusioneerd achter, en uiteindelijk trekt hij zich terug uit de politiek. Een ontmoeting met Hitler maakt weinig indruk op hem, en ondanks meerdere verzoeken van Goebbels wijst Spengler de mogelijkheid af om voor de nazipartij te werken. In zijn latere werken, zoals Preussentum und Sozialismus en Jahre der Entscheidung, distantieert hij zich sterk van het in zijn ogen ‘primitieve’ Duitse fascisme – hoewel hij wel bewondering uitspreekt voor Mussolini. In deze laatste werken pleit Spengler voor een Duitse dictatuur en een samenwerking met Rusland. Tevens waarschuwt hij voor de mogelijkheid van een oorlog tussen het Westen en zijn koloniale gebieden. In 1936 sterft hij aan een hartaanval, vlak na zijn beroemde profetie dat er tien jaar later geen Duits Rijk meer zou bestaan.

Spengler, een van de meest profetische denkers uit de moderne tijd, zadelt ons in De ondergang met een aantal ongemakkelijke vragen op. Hoe dient men zich te verhouden tot de eigen culturele en historische bepaaldheid? In welke mate kunnen onze idealen de grotere bewegingen in de geschiedenis beïnvloeden? Wat is de kern van democratie: humanisme of geld? Valt het einde van de democratie te voorkomen? Heeft het eigenlijk wel zin om dit te willen? 

Relevante berichten

Weekendlijstje Europa
Weekendlijstje Europa
Politiek

Weekendlijstje Europa

Vorige week stemden Europese regeringsleiders in met het kandidaat-lidmaatschap van Oekraïne en Moldavië. Onder druk van crises zoals de oorlog in Oekraïne, klimaatverandering of de Covid-pandemie kiest Europa vaak voor verdere Europese uitbreiding, samenwerking en integratie. Wat betekent dit voor de Europese identiteit en de rol van Europa in de wereld? In dit weekendlijstje vindt u vijf filosofische artikelen over Europa.

Lees meer
Weekendlijstje Spijt
Weekendlijstje Spijt

Weekendlijstje Spijt

Bij zijn bezoek aan Congo op 8 juni betuigde de Belgische koning Filip spijt voor de Belgische wandaden tijdens de koloniale overheersing. Hoewel officiële excuses ontbraken, werd deze spijtbetuiging geprezen als een stap in de goede richting. Maar kun je wel excuses maken voor iets wat je zelf niet gedaan hebt? Wat betekent spijt hebben eigenlijk en waar dient het voor? In dit weekendlijstje vindt u vijf artikelen over spijt.

Lees meer
Kunstmatige intelligentie
Kunstmatige intelligentie
Bewustzijn

Een zelfbewuste computer is onze favoriete nachtmerrie

Een softwareontwikkelaar van Google veroorzaakte een media-storm door te stellen dat zijn werkgever gebruikmaakt van een zelfbewuste chatbot. Maar is dat wel mogelijk? En wat betekent het dat we computers ontwikkelen die ons kunnen doen geloven dat ze bewust zijn?

Lees meer
Woede
Woede

Weekendlijstje: Woede

Een groep woedende boeren trok afgelopen week naar het huis van minister Van der Wal om hun onvrede te uiten over de nieuwe stikstofmaatregelen van het kabinet. Hoewel er in de maatschappij begrip lijkt te bestaan voor de boosheid bij boeren, klinkt er ook kritiek op de manier waarop zij deze boosheid uiten. Wat is woede, hoe gaan er mee om en kunnen we het positief inzetten? Daarover meer in dit weekendlijstje.  

Lees meer