Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Geschiedfilosofie


Wat is de betekenis van cruciale momenten in de menselijke geschiedenis?
En hoe wordt deze geschiedenis beschreven?

De geschiedfilosofie bestudeert zowel de geschiedenis van de mensheid als de geschiedschrijving. De historiografie bezint zich dan weer uitsluitend over de methoden en technieken van de geschiedschrijving.

De geschiedfilosofie is niet hetzelfde als de geschiedenis van de filosofie. Dit laatste is een historisch overzicht van filosofische stromingen en filosofen. De geschiedfilosofie bestudeert de met name de niet-filosofische geschiedenis en geschiedschrijving. De tak van de geschiedfilosofie die zich toelegt op de geschiedenis van filosofische ideeën, stromingen en systemen, noemen we ook wel de ideeëngeschiedenis. Hoe staan verschillende wereldbeschouwingen in relatie tot elkaar, hoe beïnvloeden ze elkaar en hoe passen ze in de politieke en sociale ontwikkelingen van hun tijd? Welke ideeën geven vorm aan hun tijd, hoe komen ze op en hoe gaan ze ten onder? Deze vragen staan centraal in de ideeëngeschiedenis.
 

Kort overzicht

Hoewel de Oude Grieken al bedreven waren in de geschiedschrijving (in de vijfde eeuw voor Christus is Herodotos bijvoorbeeld de eerste die de geschiedenis van de mens zal trachten te beschrijven zonder zich uitsluitend op de goden te beroepen), wordt de geschiedenis pas goed en wel onderwerp van filosofische studie in de 19de eeuw. Met name de Duitse filosoof G.W.F. Hegel is belangrijk voor de opkomst van de geschiedfilosofie. Hegel beschrijft de geschiedenis van de mens als een quasi-lineaire vooruitgang in de richting van vrijheid en abstract denkvermogen. Door middel van een voortstuwende structuur, waarbij alles (elke these) een tegengestelde reactie uitlokt (antithese). Deze tegenstellingen worden vervolgens opgeheven in een nieuwe stand van zaken (synthese) die opnieuw als these kan dienen.

Deze oppositionele structuur of dialectiek is de basis van de geschiedenis, volgens Hegel. Hij begrijpt de geschiedenis als een ontwikkeling van de geest of de rationaliteit, die zowel in de mens als in de natuur of materie aanwezig is. Wanneer de rationele menselijke geest inziet dat de natuur volgens dezelfde rationele principes evolueert (namelijk de dialectiek), herkent de geest zichzelf in de materie. Het onderscheid tussen geest en materie is zo opgeheven en de mens vindt zijn voltooiing in de absolute geest. Dit noemen we een teleologische geschiedopvatting. Telos (τέλος) is Grieks voor ‘doel’ of ‘eindpunt’. Een teleologische geschiedopvatting beschouwt de geschiedenis dus als een weg richting een doel, in Hegels geval: de absolute geest.

Hegel kreeg veel kritiek op zijn geschiedenis van de geest. In de eerste plaats omdat vrijheid voor veel groepen in de 19de eeuw (bv. arbeiders, vrouwen, gekolonialiseerde volken) nog helemaal niet verwezenlijkt lijkt. Met name Karl Marx zal vanuit deze kritiek de tegenstellingen binnen het opkomende kapitalisme uitdenken en een nieuwe vrijheid in het communisme schetsen. Daarnaast is het de vraag of de geschiedenis een vaste lijn volgt? Is de maatstaf voor vooruitgang niet altijd cultureel en tijdsgebonden, en zo zelf veranderlijk? En wie bepaalt of de geschiedenis vooruitgang boekt? Hegel zag vooruitgang in zijn tijd, maar de arbeidersklasse of de gekolonialiseerde slavenklasse dacht daar wellicht anders over.

Tegenover Hegels lineaire of teleologische geschiedopvatting staat de cyclische geschiedopvatting. Filosofen, zoals de Oude Grieken, die de geschiedenis als een cyclus bekijken, denken dat de geschiedenis zich voortdurend herhaalt. Plato deelde de geschiedenis bijvoorbeeld op in blokken van 10.000 jaar, waarna alles vergaat en de geschiedenis van voor af aan begint. Ook Friedrich Nietzsche sluit hierbij aan met zijn concept van de eeuwige wederkeer van het gelijke. Hoewel Nietzsche dit concept in eerste instantie als gedachtenexperiment introduceert (‘Stel dat je hele leven met alle pijn en schoonheid zich precies zo herhaalt – zou je het dan opnieuw willen leven?’), had hij de bedoeling om deze theorie natuurkundig te onderbouwen.

Weer een andere geschiedopvatting vinden we bij Walter Benjamin. Volgens hem zit er geen vaste vooruitgang in de geschiedenis en is er ook geen sprake van herhaling. De geschiedenis gaat alle kanten op. Elke vooruitgang voor de ene groep betekent destructie en leed voor een andere groep. Het is helemaal niet gegeven dat de mensheid een pad richting vrijheid en welvaart volgt. Onze vrijheid kan ons zo weer worden afgenomen en dit is niet per se een accident de parcours, een klein akkefietje dat zich in de loop van de geschiedenis weer herstelt. Het is mogelijk dat we de vrijheid dan voorgoed kwijt zijn. Anders dan Hegel of Marx, die proberen de noodzakelijke wetten van de geschiedenis te vatten, legt Benjamin dus de nadruk op het menselijke handelen en het belang van kansen te grijpen wanneer die zich voordoen. Ze kunnen immers zo voorbij zijn en niet meer terugkomen.