Home Hoe de verlating door zijn moeder Martin Bubers beroemde filosofie van de dialoog voortbracht

Hoe de verlating door zijn moeder Martin Bubers beroemde filosofie van de dialoog voortbracht

Het ‘ik’ bestaat volgens Martin Buber niet op zichzelf, maar bevindt zich altijd in een relatie. Hoe de verlating door zijn moeder de beroemde filosofie van de dialoog voortbracht.

Door Alies Pegtel op 25 februari 2022

Hoe de verlating door zijn moeder Martin Bubers beroemde filosofie van de dialoog voortbracht Beeld: Hajo de Reijger
Cover van 03-2022
03-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

De mens is niets zonder een ander. Volgens de Oostenrijks-Joodse filosoof en Bijbelkenner Martin Buber (1878-1965) zijn relaties essentieel voor het mens-zijn. Je identiteit wordt gevormd door je relatie tot familie, vrienden, natuur, dieren en – in Bubers geval – God.

Dat hij het menselijk zelfbewustzijn niet als uitgangspunt nam was betrekkelijk nieuw in zijn tijd. Aan het begin van de twintigste eeuw draaide het denken grotendeels om het ik, maar Buber legde zijn focus op de mens als deel van een gemeenschap. ‘In den beginne is de relatie,’ luidt een befaamde zin uit zijn klassieker Ik en Jij uit 1923, waarmee hij wereldberoemd werd.

Alhoewel hij het zelf nooit expliciet gezegd heeft, is het goed denkbaar dat Buber haarscherp inzag hoe fundamenteel relaties zijn omdat hij al jong werd verlaten door de belangrijkste persoon in zijn leven. Hij was amper vier toen zijn moeder Elise Buber-Wurgast de deur van hun huis in Wenen plots definitief achter zich dichttrok. De kleine Martin rende nog naar het Franse balkonnetje om naar haar te zwaaien, maar ze draaide zich niet om. Later bleek dat ze hem in de steek had gelaten voor een Russische luitenant, met wie ze een ander gezin zou stichten. Tot aan zijn sterven op zijn zevenentachtigste bleef Buber de pijn van de verlating voelen.

Na haar vertrek bracht zijn vader Carl Buber hem naar zijn grootouders in Lviv, een bruisende stad die net als Wenen deel uitmaakte van de multiculturele Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Zijn grootouders behoorden tot een rijke, intellectuele Oekraïense elite en gaven hun kleinzoon een gedegen opleiding. Grootvader Salomon Buber was een chassidische Jood en behalve grootgrondbezitter een geleerde kenner van middeleeuwse Hebreeuwse teksten. Zijn grootmoeder Adèle, een zeer ontwikkelde vrouw die de familiezaken bestierde, gaf hem haar liefde voor het Duits mee. Hij bleek een talenwonder, en privéonderwijzers leerden hem onder meer Grieks, Latijn, Pools, Jiddisch, Frans, Italiaans en Hebreeuws.

Op zijn veertiende verhuisde hij terug naar zijn vader. De gevoelige Buber, die geïsoleerd van leeftijdgenootjes was opgegroeid, keerde zich af van het strenge orthodoxe geloof van zijn familie. Teruggeworpen op zichzelf raakte hij bevangen door een duizelingwekkende angst voor het oneindige. Hij kwam pas tot bedaren na lezing van Prolegomena, waarin Immanuel Kant hem geruststelde dat tijd en ruimte alleen vormen zijn voor zintuiglijk waar­nemingen, maar dat die ‘op zichzelf’ niets zeggen, behalve ‘iets over onze aanschouwingswijze’. Even verpletterend vond hij Aldus sprak Zarathoestra, waarin Fried­rich Nietzsche de tijd aanduidt als ‘de eeuwige terugkeer van het gelijke’. Hij was als tiener dankbaar voor het geschenk van de ‘filoso­fische vrijheid’.

Levensvreugde

Vanaf zijn achttiende studeerde Buber filosofie aan de universiteiten van Wenen, Leipzig, Berlijn en Zürich. Hij bestudeerde ook het boeddhisme en het taoïsme, zoals in het fin de siècle in de mode was. Er waren destijds veel geassimileerde Joden die zich tot het christendom bekeerden, maar Buber hervond zijn Joodse identiteit in de zionistische beweging van Theodor Herzl.

Hij sloot zich meteen aan, hoewel hij een cultureel zionist was en geen voorstander van een onafhankelijke Joodse staat. Hij geloofde dat de Joodse gemeenschap het meest gediend was met een spirituele wederopstanding in antwoord op het toenemende antisemitisme. Daarom legde hij zich toe op onderzoek naar de piëtistische chassidische stroming, die hij kende van zijn grootvader. Deze Joodse vernieuwingsbeweging was omstreeks 1750 ontstaan in Polen en de Oekraïne, als reactie op de treurige omstandigheden waarin de meeste Joden leefden. Kenmerkend voor de vertellingen van de chassidim (vromen) zijn de verhalen en anekdotes over beroemde rabbi’s en hun leerlingen.

Buber, die een anarchistische inborst had en een afkeer van geïnstitutionaliseerde religie, werd diep getroffen door de diepgang van de spirituele legenden die getuigen van een vrolijk stemmende goddelijke aanwezigheid in het aardse bestaan van alledag. Hij werd pleitbezorger van een narratieve theologie: hij geloofde dat God tot ons komt in verhalen in plaats van via religieuze dogma’s. Dankzij zijn familiekapitaal was hij in staat om op speurtocht te gaan naar de originele Oost-Europese chassidische vertellingen, die tot dan toe voornamelijk mondeling waren overgeleverd. Buber bracht ze bijeen, vertaalde ze in het Duits, leverde commentaar en stelde ze op schrift. Dat resulteerde in De legende van de Baalsjem en Chassidische vertellingen. Verhalen over de weg naar levensvreugde en zachtmoedigheid.

Wederzijdse groei

Intussen had hij in 1899 op zijn eenentwintigste in Zürich de katholieke studente Paula Winkler ontmoet. Ze was meteen onder de indruk van het charisma van de tengere Buber, die slechts 1,50 meter lang was. Binnen een jaar kregen ze een zoon, een jaar later een dochter. Ze trouwden pas nadat zij zich had bekeerd tot het jodendom. Paula, die even briljant was als hij, publiceerde onder het pseudoniem George Munk. Ze schreef ook mee aan de publicaties van haar man over het chassidisme, al bleef haar naam als medeauteur onvermeld.

Het is moeilijk voor te stellen dat Buber zonder zijn geliefde aan zijn filosofische hoofdwerk Ik en Jij zou zijn begonnen. In het prille begin schreef hij haar: ‘Nu weet ik: ik heb altijd, altijd mijn moeder gezocht.’ De eenzame jongen groeide uit tot een echtgenoot en vader die vol vertrouwen stelde dat de mens boven alles een relationeel wezen is.

‘De wereld is voor de mens tweevoudig, naar zijn tweevoudige houding,’ opende hij zijn existentieel-filosofische boek. Het ‘ik’ bestaat volgens Buber niet op zichzelf, maar bevindt zich altijd in een relatie die wordt uitgedrukt in twee door hem zelfbedachte ‘grond­woorden’: ‘Ik-Jij’ en ‘Ik-Het’.
Deze twee relatievormen wisselen elkaar af, maar alleen de ik-jijrelatie maakt de mens tot mens. De essentie van het menselijk bestaan is volgens Buber ten diepste dialogisch, omdat het leven draait om wat zich tussen afzonderlijke mensen afspeelt in de weder­kerigheid van hun ontmoeting, in het elkaar zien, horen en erkennen van het anders-zijn.

Als jij en ik elkaar echt ontmoeten, kan zich in het zogenoemde ‘tussengebied’ een dialoog afspelen waarin het individualisme wordt overstegen en er ruimte is voor wederzijdse groei en transformatie. Het vergt sensitiviteit om je echt open te stellen voor de ander, zonder te oordelen, te overtuigen of te beïnvloeden. Ieder mens is uniek en mag er zijn. Bubers denken heeft de psychologie en pedagogiek vergaand beïnvloed – therapeuten en onderwijzers zouden onbevooroordeeld en gelijkwaardig tegenover hun patiënten en leerlingen moeten staan, conform zijn eigen levenshouding: ‘Ik heb geen leer, ik voer een gesprek.’

Hij voorzag overigens wel dat er in de geïndustrialiseerde kapitalistische samenleving steeds minder tijd en ruimte zou zijn om over de grenzen van het eigen ik te kijken. De kwaliteit van de menselijke relaties zou afnemen, omdat de ik-jij-relatie steeds vaker verdrongen werd door de zakelijke ik-het-verhouding. Hiervan is sprake als we de ander instrumenteel of manipulatief gebruiken, meestal omdat we graag onze zin krijgen. De ‘ik’ in deze verhouding ziet zichzelf als centrum van de het-wereld, voert een monoloog en wisselt niets uit.

Buber vreesde dat door de verzakelijking God uit het leven van de moderne mens dreigde te verdwijnen. Want God wasvolgens de gepassioneerd gelovige Buber ‘de eeuwige Jij’, nooit een onpersoonlijk ‘het’. Uiteindelijk lag het chassidisme ten grondslag aan zijn filosofie, legde hij uit in zijn Autobiografische fragmenten – de God van de chassidische legende was de God van de mythe van het ‘ik en jij’, die de mensenzoon opstuwde tot een held. De mythe die het oneindige in gaat, en het eindige nodig heeft. ‘Mens-zijn betekent het tegenover­gestelde wezen zijn,’ stelde Buber. In ieder ander mens kon men een glimp opvangen van de ‘eeuwige Jij’.

Dialogisch denken

Buber noemde de filosofen Ludwich Feuerbach en Søren Kierkegaard zijn ‘voorgangers’. Hij begon aan een eerste versie van Ik en Jij in 1916. De Eerste Wereldoorlog was in volle gang en verliep in zijn ogen catastrofaal, omdat een gesprek tussen de partijen onmogelijk was. Deze crisiservaring zette hem aan tot het dialogisch denken, waartoe destijds meer filosofen overgingen.

Tijdens het Interbellum gaf Buber in de Weimarrepubliek het belangrijke tijdschrift Der Jude uit. Met filosoof Franz Rosenzweig begon hij aan een Duitse vertaling van de Hebreeuwse Thora, een levenswerk dat hij in 1961 voltooide. Hij doceerde godsdienst­filosofie aan de universiteit van Frankfurt, maar stopte toen Hitler in 1933 aan de macht kwam. Om het moreel van de verdrukte Joden hoog te houden gaf hij lezingen en hij stond aan het hoofd van het Judische Lehrhaus. In 1938 ontvluchtte hij net op tijd nazi-Duitsland. Hij verhuisde met zijn gezin naar Palestina, waar hij hoogleraar sociale filosofie werd.

In 1948 maakt hij de oprichting van Israël mee, maar hij bleef voorstander van een gecombineerde Joods-Arabische staat. Als dé man van de dialoog bepleitte hij gesprekken met de Palestijnen, en hij woonde heel bewust in een Arabische woonwijk in Jeruzalem. Dit werd hem niet in dank afgenomen, net zomin als dat hij vrij snel na de oorlog Duitsland weer bezocht en met Duitsers sprak.

Als uitdagende, antitraditionele Joodse denker die een brug sloeg tussen het Joodse geloof en het christendom, was de humanist Buber in Israël minder populair dan in West-Europa. In Nederland was hij een beroemdheid; de kranten vermeldden jaarlijks de verjaardag van de man ‘met de kop van een oudtestamentische profeet’, die in 1963 de Erasmusprijs won. Twee jaar later stierf hij in Jeruzalem.
Zijn moeder had hij nog eenmaal gezien. Dat was hem niet meegevallen. Hij had niet in haar ‘verwonderlijk mooie ogen’ kunnen kijken zonder te voelen dat hun weerzien een ‘mismoeting’ was, zoals hij het treurig uitdrukte.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.